Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

994 - Voor hen die ons regeren


Een eerste kennismaking

Dit lied van Tom Naastepad (1921-1996) geeft in de eerste regel al aan waarover de tekst gaat: een gebed ‘voor hen die ons regeren’. Dat wij van hogerhand worden bestuurd, is een gegeven en dat bestuur, die regering, heeft de taak te bouwen aan een samenleving waarin levensruimte is voor de zwakken en de armen. Bijbelse noties wijzen daarin een weg: ‘de getuigenissen, / die ons zijn aangezegd’ (strofe 1). In zo’n samenleving zijn het de sterken, de hoofden van het land, die tot taak hebben de zwakken te dragen (strofe 2) om te voorkomen dat ons land aan blinde overmoed wordt overgeleverd, waardoor vrede op het spel wordt gezet (strofe 3).
De Duitse componist Heinrich Schütz (1585-1672) is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de protestantse kerkmuziek. Het grootste deel van zijn oeuvre is voor de lutherse eredienst bestemd geweest. De volledige psalmberijming van Cornelius Becker (1561-1604) voorzag hij van muziek. De melodie van dit lied behoort bij een deel van zijn berijming van Psalm 119. Een eenvoudige melodie, zeer geschikt voor gemeentezang.

Auteur: Pieter Endedijk


Tom Naastepad
Heinrich Schütz
Wohl denen, die da wandeln

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 2’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.  

‘De tekst van dit lied gaat uit van de veronderstelling dat er nu eenmaal van hogerhand bestuurd en beschikt moet worden om het leven tot een samenleving te maken, en dat het tot de menselijke mogelijkheden behoort dat dit goedschiks gebeurt.’ Zo schrijft de dichter van dit lied in een toelichtend commentaar. Het lied bidt niet om een confessionele politiek, maar vraagt wel om die Bijbelse impuls waarin de laatsten de eersten zullen zijn en waarin de armen in dit land de gestalte zijn van Gods majesteit.

Maar het gevaar is dat het kwaadschiks gaat, en dat nu juist deze gestalte van Gods majesteit wordt miskend: bij elke volgende strofe wordt op dit gevaar dieper ingegaan. Het gevaar namelijk, dat de sterken slechts aan zichzelf zullen denken (strofe 2), dat het land zich in blinde overmoed te buiten gaat (strofe 3) en dat het onverstand de boventoon zal voeren (strofe 4). Zowel overheid als volk worden daardoor bedreigd: ‘wij dienen vele heren / tot schade van het land’ (strofe 4). Daarom zijn de laatste woorden van het lied een bede om vergeving: ‘Gij zijt genade! Uw bevel / doet leven en vergeven, / o Zoon van Israël!’ Net zoals de eerste woorden een bede zijn ‘om ootmoed en verstand’ (strofe 1) voor ‘de hoofden van het land’. En ‘ootmoed’, staat dan voor nederigheid tegenover God.

In de vier zeven-regelige strofen valt op, dat de zesde regel telkens buiten het strakke rijmschema (a-B-a-B-C-d-C) valt en op die manier bijzonder de aandacht trekt: ‘al de getuigenissen’ (strofe 1), ‘en niemand wordt behouden’ (strofe 2) ‘en voor het blinde razen’ (strofe 3), ‘doet leven en vergeven’ (strofe 4).


Melodie

Oorspronkelijk komt deze melodie van Heinrich Schütz voor in het zogenaamde Becker-Psalter van 1661, waarin het als een (gedeeltelijke) berijming van Psalm 119 is opgenomen: Wohl denen, die da wandeln. In de uitgave Contrafacten, een keuze uit de psalmzettingen van Heinrich Schütz (Den Haag 1988, nr. 49), kan men dit lied in een vertaling van Ad den Besten terugvinden. De zetting in de kooruitgave bij het Liedboek is van oorsprong een cantionaalzetting, die Schütz in een koorboek uitgaf. Voor de organisten gaf hij een afzonderlijk boek uit met de becijferde bas. De originele toonhoogte was C, een kwart hoger; voor transposities gaf de componist in het basso continuo-boek aanwijzingen voor die jungen anfahenden Organisten wélke transposities hij voor gemeentegebruik geschikt achtte.

De G grote tertsmelodie van Schütz begint met een sterk omhoog strevende melodiegang, van onderdominant (d’) tot bovendominant (d”). Zo omspant de eerste regel met een gebroken akkoord de omvang van een octaaf, waarbinnen het gehele lied zich verder afspeelt. De eerste en tweede zin vormen een muzikale eenheid: zowel de melodie als het ritme lopen door. Regel 2 eindigt op de dominantnoot a’; dit leidt tot een goede aansluiting met regel 3 en 4, welke een herhaling van het eerste regelpaar zijn: het zijn de twee Stollen (samen het Aufgesang) van de Barvorm. Met regel 5 begint het Abgesang. Ook deze regel vormt samen met de zesde een muzikale eenheid. Tot nu toe bestond het ritme voornamelijk uit kwartnoten; het is een sterk syllabische melodie, waarin twee kleine achtstenmelismen voorkomen (regel 2 en 4). De zevende (slot-)regel valt op door een afwijkend ritme; deze regel begint bovendien op de topnoot, die in het Abgesang nog niet voorkwam.


Media

Uitvoerenden: St. Joris Kamerkoor o.l.v. Bas Ramselaar; Chris Bragg, orgel (bron: KRO-NCRV)

Video: Liedboek 994 door zangers van de Dorpskerk Eelde; Vincent van Laar, orgel