Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

blz 1143 - Hierheen, Adem, steek mij aan


Huub Oosterhuis

Tekst

Vorm

De tekst bestaat uit tien ongelijke strofen van drie regels die ook verschillende lengte en woordaccenten hebben. De tekst kent geen eindrijm. Deze redelijk vrije versvorm is des te opvallender als je je realiseert dat de oorspronkelijke hymne juist een zeer vaste versvorm heeft. Je mag veronderstellen dat de dichter de Geest die waait waar ze wil, niet heeft willen vastleggen in een sjabloon.

Inhoud

Strofe 1

‘Hierheen, Adem’: je ziet iemand wenken en roepen: hierheen, kom dan. Deze eerste woorden zetten de toon van een gebed bijna in spreektaal. Het is een gebed gericht tot de Geest, die in de zesde strofe aangesproken wordt als ‘God’. De heilige Geest wordt aangesproken als ‘Adem’. Wanneer God in het tweede scheppingsverhaal Adam uit de aarde (adama) gemaakt heeft, blaast God de mens adem in de neus. Dan leeft de mens (Genesis 2,7).
‘Adem, steek mij aan’. Een voorbeeld uit de tekst waarin een woord klinkt dat meerduidig is: besmet mij (met je levenskracht), maar het kan ook betekenen: doe mij ontvlammen van enthousiasme. De heilige Geest wordt zeker sinds het pinksterfeest geassocieerd met vurige tongen en brand (Handelingen 2,3). De tweede bede (regel 2-3) is de bede om ‘licht’ dat ergens vandaan komt waar wij mensen geen vat op hebben: ‘jouw verste verte’. Het is de vertaling van ‘hemels heiligdom’ in de pinkstersequentie (Liedboek 669, eerste strofe, regel 2). Door het bezittelijke voornaamwoord ‘jouw’ is het het domein van de Geest. Door het gebruik van het beeld van de ‘golven’ wordt er een voor ons mensen onoverbrugbare ruimte (de zee, ook beeld van de dood) gesuggereerd, maar ook niet te stoppen beweging.
Maar de bede begon met ‘Hierheen’. Van de kant van de Adem kan die ruimte wel overbrugd worden.

Strofen 2 tot en met 5

De volgende drie strofen geven namen aan de Adem, speelse namen: ‘armeluisvader’, de behoeder die opkomt voor de armen. ‘Opperschenker’ verwijst naar Psalm 23,5, waar God mijn beker vult tot de rand. ‘Hartenjager’ roept bij velen eerst een kaartspel op, maar daarna realiseer je je: ja, de Geest zoekt en peilt ons hart.
‘Tranendroger’ in strofe 3 verwijst naar de Openbaring van Johannes waar God de tranen van onze ogen wist (21,4; vergelijk Jesaja 25,6)). ‘Zielsbewoner’, ‘vriend’ en ‘schaduw’ roepen een grote intimiteit op, die in de plaats komt van de aanvankelijke ‘verste verte’. ‘Rust’ en ‘verademing’ geeft de heilige Geest ons (strofe 4).
De volgende strofe (5) herneemt de bede om licht, om licht in ons donker bestaan, om licht in het diepste duister van ons hart. Terwijl voor onszelf onze beweegredenen vaak ondoorgrondelijk zijn (‘de afgrond van mijn hart’), is ons binnenste voor God blijkbaar bekend terrein.

Strofen 6, 7 en 8

‘God ben jij’, het zesde couplet begint met een belijdenis. Ons antwoord op de Godsnaam die ons is aangezegd: ik ben er, ik zal er zijn. Als de golven licht van de Geest God (couplet 1) ontbreken, is het nacht en ontij (geen beweging in het water, een kwade tijd). Als troost (couplet 2) en verademing (couplet 3) ontbreken komen onze slechtste kanten naar boven.
Maar ook dan, zo zingen we in het donker, is er de reinigende, de herstellende en de helende kracht van de Adem. ‘Verflenst mijn bloem’, ons leven wordt vergeleken met een bloem die kwijnt. Onwillekeurig denk je aan Psalm 103 en andere plekken in de bijbel waar we vergeleken worden met het gras dat ‘s morgens opkomt en ’s avonds alweer is verdwenen; we bidden om het herstellende water.
In het zevende couplet kom ik mezelf tegen in mijn meest ontoegankelijke staat: kil en ontrouw. Waar vanuit onze kant de communicatie en het verlangen naar de Geest ontbreken mag ik hopen dat de Geest mij zoekt en koestert.
Waar ik nog wankelmoedig ben of niet te vertrouwen (‘zeg ja, doe nee’, zie ook Romeinen 7, 19) hoop ik op de duurzame vriendschap van de Geest.

Strofen 9 en 10

Al deze (zeven) gaven van de Geest hebben we niet eenmaal nodig, maar telkens, ‘zeven maal duizend maal’ (strofe 9).
De laatste strofe herneemt onze verbondenheid met de Geest. Zonder onze ‘lieve zielsbewoner’, het beeld uit strofe 3, zijn we niets en komen we niet aan onze laatste bestemming: het lachen, de eeuwige vreugde.

Vergelijking met de originele tekst

Wanneer je deze bewerking naast het ‘Veni, sancte Spiritus’ (Liedboek 669) legt, valt de speelse toon op. Oosterhuis heeft gekozen voor een subjectiverende vertaling waarin het veelvuldig over ‘mij’ ‘mijn’ en ‘ik’ gaat. In het Latijn staat in het negende couplet ‘tuis fidelibus’, uw gelovigen. Schulte Nordholt vertaalt daar ‘ieder die op U vertrouwt’.
Waar in het Latijn staat ‘quod’ (dat wat) bv ‘Lava quod est sordium’ (was wat bezoedeld is) betreft het een zijnstoestand, een situatie. Oosterhuis kiest er in couplet 7 en 8 voor dit de personaliseren.
Of woordspelingen als ‘armeluisvader’ tegen de tijd bestand zijn is de vraag. In ieder geval hernieuwt deze tekst de oude sequentie en is het boeiend om vanuit de subjectiverende en individualiserende bewerking van Oosterhuis opnieuw als zingende gemeente het ‘Veni, sancte Spiritus’ te proeven.

Auteur: Andries Govaart