Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

blz 1290 - Gij die toekomst schept


Bettine Siertsema

Tekst

Deze uitvoerige toelichting kent de volgende gedachtegang:
1. Eerst wordt de gebedstekst geplaatst in het verband van opvoeding en onderwijs in onze cultuur en samenleving.
2. Vervolgens wordt de tekst woord voor woord benaderd.
3. Ten slotte worden aan de hand van deze gebedstekst facetten belicht van de structuur en vormen van bidden.

Dit gebed bevindt zich in de rubriek ‘Levenstijd’. Het wordt uitgesproken door volwassenen en is gericht tot God (‘Gij’, ‘U’). Het dankt voor kinderen, voor ‘onze kinderen’ en bidt voor de ontwikkeling van kinderen, misschien vooral voor kinderen boven de 10 jaar (‘goede keuzes maken’, ‘weg vinden’, ‘waarde wegen’, en ‘grondtoon van de liefde ervaren’).
Zo belicht lijkt het gebed onafhankelijk van jou als lezer of bidder een eigen dynamiek te hebben: ‘het dankt’.

1. Opvoeden in een jachtige wereld

Deze gebedstekst van de hand van Bettine Siertsema is een tekst over het volwassen worden van kinderen en gaat dus impliciet ook over opvoeden. Het gebed zou ingelijst en in een school opgehangen kunnen worden, tot heil van leerlingen en leerkrachten. Er spreekt ontferming uit over kinderen. Dat gebeurt in de vorm van een bede waarin het ongewisse en precaire van de toekomst voor Gods aangezicht wordt beseft. God ‘houdt onze hoop’ in (onze opgroeiende) kinderen ‘levend’ (regel 3).

In welke situatie je ook met kinderen bent, je bent zowel in als door hen geroepen om de hoop te articuleren en te bewaren, voor hen en voor jezelf. Dus: sarcasme, cynisme en het zwart afschilderen van de wereld als een en al gevaar is misplaatst. Het krachtdadig breken van hun wil en menen dat opvoeden en onderwijzen enkel het doorbreken van onwetendheid en kwaadwilligheid van kinderen omvat, dat is als manier van doen niet op zijn plaats. Dat zwart maken gebeurt in dit gebed juist niet.

De hoop om te leren goed te leven wordt levend gehouden. Voor hoop en verwachting zoeken we passende taal en beelden voor een toekomst, die er niet is, onzichtbaar. Misschien heb je een toekomst voor je kinderen voor ogen en koester je verwachtingen van hen, maar vraag je je tegelijk af of die mooie toekomst eigenlijk wel als een heerlijke omstandigheid in het verschiet ligt.

Risico’s zijn niet te vermijden. Hoeveel blijmoedige hoop, humor en relativering heb je als kind van andere mensen nodig om te leren zelfstandig te kunnen functioneren, gelukkig te worden, talenten te ontplooien, psychische gezondheid te behouden, een goede baan te vinden, en nog veel meer? Hoeveel binding is gewenst, juist in een samenleving waar voortdurend gekozen moet worden (‘goede keuzes maken’, regel 7)?

Dus voor de sociale cohesie is het motto: maak iets van je leven, zorg voor jezelf en doe iets voor anderen. Oké, maar oud en jong moeten ook blijven leren om rechtvaardig en sociaal te leven. Een tijd met veel maatschappelijk onbehagen en weinig vertrouwen in de politiek, met toenemende intolerantie en superioriteitsgevoelens, gepaard aan racisme en intolerantie ten opzichte van andere mensen en vreemdelingen, vraagt ook om leren kwaad in te dammen en in allerlei vormen van groepsdwang onafhankelijk te blijven in denken en handelen. Oef, je hebt als opvoeder de taak alert te zijn en dingen bespreekbaar te maken en te doen...

Hoop en liefde bewaren

En dan de hoop en liefde bewaren? Kun je dat? Zoiets vaags? De toekomst is raadselachtig. Daar heb je vertrouwen bij nodig. Jij koos je leven niet. Je was er opeens en je moet maar hopen dat het leven de moeite waard is en zin heeft.
En om dat te kunnen vertrouwen heb je ouders en opvoeders nodig, die je dat laten beseffen met liefdevolle aandacht en zorg, en die je rust, reinheid en regelmaat bezorgen.
En je hebt gemeenschappen nodig waarin je je thuis voelt.
Begrijpelijk dat je als biddende opvoeder voor zoiets groots God aanroept, de Naam, de ‘Ik-zal-er-zijn’-God’ (Exodus 3,14), de Schepper van toekomst, de allesomvattende Gever die in verhalen en teksten aanwezig komt en die onze hoop niet laat verpieteren, maar ‘levend houdt’ (regel 3). En die liefde doet ervaren (regel 10), liefde die geduldig en vol goedheid is. Liefde ‘verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze’ (1 Korintiërs 13,6-7).

Dit gebed roept een wereld op en geeft te denken. Het bovenstaande wil wat dit intrigerende gebed beknopt en treffend formuleert in een context van opvoeding plaatsen, zodat je als lezer en bidder van dit gebed je concreet kunt voorstellen wat er in die korte zinnen naar voren komt en wat er in je eigen beelden en levenservaringen, in je hart, aan de orde kan komen.

2. De tekst woord voor woord

Regel 1

‘Gij die toekomst schept’ 

Dat is een perspectief. God gaat mee de tijden door, niet alleen in het verleden, niet alleen in het heden dat je bidt, maar ook in de toekomst, die nog komen moet en die in het teken staat van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, van een stad van vrede, waarin God met de mensen woont. Maar misschien zie je dat anders en vind je deze gedachte te filosofisch of zelfs te kinderlijk. Kun je dit dan toch bidden of anderen dit horen bidden? Wat zou jij dan zelf voor fundamenteels zeggen over de loop der tijden, waarvan je deel uitmaakt zolang je leeft?

Regel 3

God houdt onze hoop in kinderen levend

Doe jij dat dan niet: zelf de hoop levend houden? En doe je dat uit roeping om een facet van Gods liefde te representeren? Beleef je dat als een gave? Het kan ook zijn dat de kinderen zelf die hoop bij jou levend houden. En God? Hoop kan ergens, ook in wanhoop, zich opeens als een diep besef manifesteren en blijkt dan goed voor je uit te werken, alsof het besef niet uit jezelf of uit een kind afkomstig is, maar van buiten af komt, uit de hemel, de diepe, werkzame verborgenheid en bron van ultieme liefde en hoopvolle betrouwbaarheid – in tijd en eeuwigheid.

Regel 2

‘… onze kinderen’

Wiens kinderen vallen onder ‘onze’? De jouwe? Die van de school waar je werkt? De kinderen van alle kerkgangers? Alle kinderen te midden van wie we leven? Kun je voor kinderen ook een of meer namen invullen? Probeer in elk geval te vermijden dat je gebed al te egocentrisch is en enkel aan het eigen gezinnetje denkt. Het ruime woordje ‘onze’ behoedt je daarvoor.

Regel 2

‘wij danken U voor onze kinderen’ 

Danken is een denkactie. Soms heb je moeite met kinderen en wil je ze wel achter het behang plakken, als je dat hebt tenminste. Op een ander moment besef je de aanstekelijke levenslust van kinderen en hun wijsheden.
En wat als je geen kinderen hebt (kunnen krijgen)? Hoe zien je dank en wens er dan uit, als je deze bede bewust bidt?

Regel 5

‘dat zij hun weg zullen vinden’

Leven is een weg gaan. Die weg slingert, kent ups en downs. Soms ben je op een dwaalweg en moet je omkeren. Het leven als een pelgrimstocht zegt iets meer dan zomaar een route gaan. Er ligt dan een doel in het verschiet, oorsprong en begeleiding. Ook is er een besef van afzien en zelfonderzoek, tegenwind en moed houden: wil ik dit zo wel? Een weg gaan betekent op eigen benen staan, soms ook weg van ouders en opvoeders. Ze hoeven niet per se de weg van hun ouders en opvoeders te imiteren, maar ze zoeken een weg die recht doet aan hun eigenheid. Dus als je dit bidt voor kinderen, besef je dat je hen moet loslaten en dat je erop hoopt dat er een goede weg voor hen is of komt. Maar welke weg dat zal zijn, weet je niet. Leven ziet er in het echt voor hen niet uit zoals jij je dat voorstelt. Deze bede toont al enige afstand, op hoop van zegen.

Regel 6-8

‘… in deze haastige wereld
en goede keuzes maken
in het vele dat op hen afkomt’

Haastig en jachtig: dus niet zonder gevaar is het verkeer, letterlijk op de wegen, maar ook meer figuurlijk. Jachtigheid duidt op snelheid, snel denken, bliksemsnel handelen, gauw beslissen, anders ben je te laat, mis je de boot. Kies maar, anders ontgaat je een geweldige kans. O, er is zoveel om te kiezen met als gevolg dat áls je kiest je ook een heleboel niet kiest en moet laten voor wat het is. Onzekerheid troef, missers te over. We leven in een keuze-autonomie, die ons voorhoudt dat we zo graag kiezen en dat we dat liever hebben dan de flow van het leven aanvaarden. Als opvoeders en ouders moet je maar vertrouwen dat het goed komt met de liefde, en de school, en de vrienden, en dat er genoeg pit en eigenheid in het kind zit, zodat het niet met alle winden meewaait.

Aan welke keuze denk jij als jij je voor één kind dat je kent een goede keuze voor ogen stelt? Wat wil je dan precies bidden als je voordat je het gebed van Bettine Siertsema bidt, met stilte begint? En ook een stilte ergens na een zin inlast? Spreek je God aan, spreekt God jou aan? Is God mijn schepper of ben ik degene die God schept? Deze dubbelheid blijft het gebed kenmerken. Je doet een gooi. Brengt het ongewisse van de toekomst, en in het bijzonder de toekomst van ‘onze kinderen’ en van kinderen ver weg in erbarmelijke omstandigheden, je ertoe op God je hoop te stellen? Wellicht werkt de verbeeldingskracht zo.

Maar misschien zing en bid je al zo lang. En blijkt die gewoonte vaak goed voor geloof, hoop en liefde, vooral als je je vragen aanscherpt. En dan is er ook nog het mooie verhaal van Jezus, die in een debat over de vraag wie onder de leerlingen het belangrijkste is, naast een kind gaat zitten en zegt: ‘Wie dit kind in mijn naam ontvangt, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot’ (Lucas 9,47-48). 

Regel 9

‘dat zij de waarde wegen van wat zij meekrijgen’

De verhoring van dit gebed kan lang uitblijven, vooral als je meent dat opvoeding en ouderschap binnenkort toch voorgoed zichtbare vruchten moeten dragen. Hoop je wellicht dat je kinderen en leerlingen de waarde die ze van wie dan ook meekrijgen, kunnen wegen en dat ze het gewicht ervan spoedig en misschien wel te voortijdig aan je zullen meedelen? Is dat een goede, realistische waarneming van je hoop? Kun je daar wat aan doen? Of moet je maar afwachten tot ze een signaaltje geven?

Regel 10:

‘en daarin de grondtoon van de liefde ervaren’

Bovendien moeten ze in die ‘waarde’ (met alle stoffelijke zaken als speelgoed, fietsen, een kamer, kleren, een laptop, een reis en wat al niet, naast kwaliteiten, kundigheden, begeleiding, eten, verzorging) een ondertoon kunnen onderkennen en benoemen, namelijk ‘de grondtoon van de liefde’ van hun ouders en opvoeders, die pogen en probeerden het belang van kinderen en leerlingen te zoeken en zochten alsof het hun eigen belang was. Sterker nog, het gaat niet alleen om opmerken, ze moeten een en ander volgens het gebed hebben ervaren.

Dit gebed zou een goed uitgangspunt kunnen zijn voor een gesprek over liefde, waarde, goede keuzes, de levensweg, de pure goedheid en hoop, en de rol van God. Je zult merken dat het gaat over de verworteling (in een muzikale term ‘de grondtoon’), over het rijpen en vrucht dragen. Er is het dynamische levensbeeld van een pelgrimage, een weg, waarbij ook de weg van kwaad onder ogen wordt gezien (Psalm 1,1). En er is ook sprake van vastigheid, als een boom geplant aan stromend water (Psalm 1,3).

3. Over bidden

a) In het algemeen zeggen gebeden iets over God tegen God (‘toekomst scheppen’, 'hoop levend houden’) en gaan ze uit van een weg van God naar ons mensen.
b) Op grond daarvan is er in het gebed ook altijd een richting vanuit de bidder naar God toe en worden verschillende aspecten van het leven geuit: danken, vragen, een beschrijving geven, klagen, een aanklacht uiten, een verwachting uitspreken.
Meestal gaat het om een of twee van de volgende gebedsvormen, maar soms zijn het er ook meer. Deze vormen zijn:
-      gebed als klacht (‘ik heb pijn, God’);
-      gebed als aanklacht (‘God, waarom doet U me deze pijn aan?’);
-      gebed als wens (‘ik heb een vraag: leid mij uit het onheil weg naar uw heil, geef vrede’);
-      gebed als dank (‘dank voor het eten op mijn bord en mensen die voor mij zorgen en voor wie ik zorg’);
-      gebed als aanbidding (‘God, wat goed: niet om het een of ander, maar goed dat U bent die U bent’).
Veelal is er in het gesprek met God ook wel een beschrijving van een situatie (‘deze haastige wereld’), waarin iets van onheil gebeurt en iets heilzaams zou moeten gebeuren. Als je zelf bidt, is het goed om tussen deze gebedsvormen te onderscheiden en ze niet door elkaar te gebruiken.
c) Het is ook altijd zo dat een gebed vraagt om de bereidheid als bidder in beweging te komen en iets te doen. Je kunt niet om veilig verkeer bidden als je je zelf niet aan de maximumsnelheid houdt. Bidden heeft morele implicaties en vergt integriteit en gewetensonderzoek.

Het gebed van Bettine Siertsma spreekt over God tot God (a), is een dankgebed en een vraaggebed (b). Het vergt van de bidder bewust opvoeden en begeleiden, liefde voor kinderen en leerlingen, ontvankelijkheid van de bidder voor hoop via de kinderen, en ook de kunst van het loslaten en vertrouwen (c).

Wijs in dit opzicht is Psalm 78. Daar staat in het begin dat voorouders de wet als aanwijzingen van God moesten overdragen aan hun kinderen, zodat deze kinderen niet zouden worden als hun voorouders, een onwillig en opstandig geslacht, onstandvastig van hart en geest. Uit deze psalm spreekt het verlangen van ouders en opvoeders: voed zo op en onderwijs dusdanig dat de kinderen en leerlingen het beter doen dan jij (Psalm 78,8).

Auteur: Evert Jonker