Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

blz 568 - De moerbeitoppen ruisten


Nicolaas Beets

Tekst

De oude Beets

De poëzie van Nicolaas Beets (1814-1903) had en heeft vrienden en vijanden. Maar vriend én vijand zijn het al vele jaren lang over één gedicht eens: ‘De moerbeitoppen ruischten’ is volmaakt of bijna volmaakt en kon vanuit de negentiende eeuw mee naar de twintigste en eenentwintigste. Beets schreef het toen hij al oud was. Het is opgenomen in zijn laatste dichtbundel Dennenaalden (1900), waarin gedichten uit de jaren 1892 tot 1900 staan. Hij heeft bij dit gedicht geen jaartal gezet, zoals bij vele andere, maar het staat ergens in het midden van deze bundel, dus hij zal de tachtig al wel gepasseerd zijn toen hij in zijn Utrechtse huis (nu: Boothstraat 6) aan die moerbeibomen dacht en dit gedicht schreef.

We gaan het eerst aandachtig lezen.

              De moerbeitoppen ruisten

1           ‘De moerbeitoppen ruisten;’
2                   God ging voorbij;
3           Neen, niet voorbij, hij toefde;
4           Hij wist wat ik behoefde,
5                   En sprak tot mij;

6           Sprak tot mij in de stille,
7                   De stille nacht;
8           Gedachten, die mij kwelden,
9           Vervolgden en ontstelden,
10                Verdreef hij zacht.

11        Hij liet zijn vrede dalen
12                Op ziel en zin;
13        ’k Voelde in zijn vaderarmen
14        Mij koestren en beschermen,
15                En sluimerde in.

16        De morgen, die mij wekte
17                Begroette ik blij.
18        Ik had zo zacht geslapen,
19        En Gij, mijn Schild en Wapen,
20                Waart nog nabij.

Angst en verlossing

Beets begint met ruisende moerbeibomen, maar dat is niet het begin van de ervaring in het gedicht. Pas in regel 8 en 9 merken we dat er iets aan de hand is met de dichter. Met de dichter? Is de ‘ik’ in poëzie dezelfde als de dichter? Zeker niet altijd, maar in dit zo persoonlijk klinkende gedicht heb ik er geen bezwaar tegen hen te laten samenvallen. De dichter kan niet slapen, hij is gedeprimeerd, in zijn hoofd tollen gedachten rond die hem verschrikken, kwellen, achtervolgen. De stilte van de nachtelijke slaapkamer is bij uitstek geschikt om angst binnen te laten sluipen.

Maar de stilte is ook de sfeer waarin Gods stem hoorbaar kan worden. Opeens is daar een mystieke ervaring, een geruis: God is aanwezig. Veel uitleggers van dit gedicht hebben erop gewezen dat Beets predikant was, theoloog, en dat die stem van God in zijn leven dus voor de hand lag. Maar menig theoloog kan op afstand van God leven en menig eenvoudig christen kan zich in vertrouwen aan God overgeven. In dit gedicht gaat het samen: Beets kende als predikant zijn Bijbel, maar hij was hier vooral een eenvoudige gelovige, geplaagd door angst, verlost van angst.

De moerbeibomen van David

Hij moet bij dat ruisen gedacht hebben aan een zin die in zijn geheugen zat, een citaat uit een boek. De eerste regel staat immers tussen citaattekens. Het is een aanhaling uit de Bijbel, maar wel in eigen woorden omgezet. Hij had er ongetwijfeld meer dan eens over gepreekt. Het gaat over koning David die aangevallen wordt door het leger van de Filistijnen (2 Samuël 5, 22-25 en 1 Kronieken 14,14-17). David moet in opdracht van God wachten met de tegenaanval, totdat ‘gij hoort het geruisch van een gang in de toppen der moerbeziënbomen.’ Ik citeer dit uit de zeventiende-eeuwse Statenbijbel, de vertaling die in de tijd van Beets gebruikt werd. (In de NBG-vertaling van 1951 zijn de moerbeziënbomen veranderd in ‘balsemstruiken’, in de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 staat er weer ‘moerbeibomen’, maar dit is niet van belang voor de uitleg van het gedicht.) Beets moet, als kenner van de Bijbel, ook wel gedacht hebben aan 1 Koningen 19,12. God verschijnt daar aan Elia niet in storm, aardbeving of vuur, maar in het ‘suizen van een zachte stilte’.

Ik weet niet hoe Beets zich het ruisen in de moerbeibomen voorgesteld heeft. In het Bijbelverhaal is het niet een heel zacht geritsel, maar ‘een gang’, het gaan van de voetstappen van God als aansporing om de vijand aan te vallen. Waarschijnlijk heeft het in de ervaring van Beets, toen hij zijn gedicht schreef, zachtjes geklonken. Hij gebruikt immers de woorden ‘zacht’ (r. 10) en ‘vrede’ (r. 11). Ik denk daarom dat hij het geruis uit het Bijbelverhaal in zijn gedicht wat temperde.

Er is nog een verschil. In het Bijbelverhaal gaat het geruis van Gods voetstappen voor David uit en hij moet erachteraan om de vijand aan te vallen. In het gedicht laat Beets de gedeprimeerde en slapeloze mens niet in actie komen, maar in stilte overspoeld raken door Gods vrede. Beets heeft kennelijk de Bijbeltekst in zijn gedicht aangepast aan zijn eigen sfeer en behoefte, een dichterlijke vrijheid die we hem graag gunnen.

Herhalingen

God gaat dus niet voorbij om voorop te gaan, zoals bij David. De dichter corrigeert snel zichzelf in regel 3, en daardoor wordt het gevoel van Gods aanwezigheid des te sterker. God ‘toefde’, hij ‘onderbrak zijn voortgang’ (om met het Groot Woordenboek van Van Dale te spreken). Waarom bleef God in zijn nabijheid? Omdat ‘Hij wist wat ik behoefde’. Hier spreekt een gelovig hart dat zich zonder grote woorden in eenvoud richt op de Heer, die zich richt op het hart van zijn schepsel.

De herhalingen in de regels 5, 6 en 7 versterken de communicatie tussen God en mens: ‘En sprak tot mij; / Sprak tot mij in de stille / De stille nacht’. Gerrit Komrij schreef hierover dat negentiende-eeuwse dichters graag herhalingen gebruiken als overbodige stoplap, maar dat het hier bij Beets bepaald geen stoplap is: ‘Hier hebben de herhalingen een functie. In plaats van te verzwakken dragen ze bij tot de ontroering van de zo teer, zo vederlicht tot stand komende, ademloze ontmoeting van de dichter met God.’ (Komrij 1991, blz. 237)

Vrede in ziel en zin

Het wordt een intens gesprek, met het gevolg dat de boze kwelduivels uit de gedachten verdreven worden. Het zijn de geestelijke Filistijnen die verdwijnen. Hier raakt het gedicht weer even aan het Bijbelverhaal met het Filistijnse leger.

Het zachte ruisen van Gods nabijheid zorgt ervoor dat er vrede komt in ‘ziel en zin’ (r. 12). De kwellende oprispingen van de ziel maken plaats voor vredige impulsen. Ook de zintuigen (‘de zin’) komen tot rust, vooral het gehoor, dat nu immers gevuld raakt met het ruisen van Gods aanwezigheid. De volwassen dichter voelt zich bij God als een kind bij zijn beschermende vader, die hem tegen zich aan drukt, koestert (r. 13, 14). In die rust en overgave komt, na de afmatting van de ziel, de slaap (r. 15).

In de volgende regel is het alweer ochtend. Er zit naar het gevoel van de dichter geen tijd tussen het inslapen en de morgenstond. De slaap is immers niet verstoord door angstdromen over kwelgeesten. Blij staat hij op, want zacht was de slaap, onder goddelijke bescherming.

Psalm 35

In de laatste regels citeert Beets opnieuw iets uit de Bijbel, maar nu zonder citaattekens, uit Psalm 35. Dezelfde David als die van het moerbeien-verhaal wendt zich in eenzelfde situatie tot God. Hij wordt sterk bedreigd door vijanden en vraagt de Heer in Psalm 35,1-2 (Statenvertaling): ‘strijd met mijn bestrijders, grijp het schild en de rondas.’ Een rondas is een rond schild, dus in de psalm wordt twee keer hetzelfde ding genoemd met een verschillende naam, zoals zo vaak in de psalmen met hun vele Hebreeuwse parallellismen. Beets heeft er echter ‘Schild en Wapen’ van gemaakt. Omdat hij nu eenmaal moest rijmen op ‘geslapen’? Misschien, maar het kan ook zijn dat hij de vertaling in de Luther-bijbel kende: Ergreife den Schild und Waffen und mache dich auf, mir zu helfen!

In dit gedicht gaat God niet ‘voorbij’, zoals regel 2 even veronderstelt. Hij blijft ‘nabij’, zegt de laatste regel. De menselijke ‘ziel en zin’ zijn tot rust gekomen.

De vorm

Niet alleen de woorden van het gedicht hebben het kenmerk van de ware eenvoud, ook de vorm is rustig, regelmatig, strak. De twintig regels zijn verdeeld in vier strofen en binnen elke strofe zijn er twee rijmklanken aan het einde van de regels. Opvallend is dat de eerste regel van iedere strofe geen eindrijm heeft.

Het rijm lijkt even te haperen in de derde strofe, waar ‘vaderarmen’ rijmt op ‘beschermen’. Maar in de tijd van Beets trof men ook nog wel de schrijfwijze ‘bescharmen’ aan. De beide woorden rijmden in de negentiende eeuw dus eigenlijk wel op elkaar, zeker bij het voorlezen. Beets schreef het woord meteen al in de eerste druk van de bundel met een e.

Elke strofe heeft twee korte regels en drie langere. De korte hebben een inspringing (die in het Liedboek weggelaten is). Dat was niet alleen een negentiende-eeuwse gewoonte, het heeft hier ook functie. Het toch al rustige ritme van het gedicht komt in elke korte regel tot nog meer rust. Vooral bij het hardop voorlezen wordt de stem bijgestuurd door de inspringingen. 

De moerbeiboom

Er is ooit een getekende plattegrond van het huis en de tuin van Beets opgedoken, waarin een moerbeiboom is ingetekend. Maar dat kan best gebeurd zijn naar aanleiding van dit gedicht. We weten dus niet of Beets moerbeibomen heeft gezien. Ze horen thuis in Iran en Armenië, maar ze komen en kwamen zeker ook voor in Nederland. Los daarvan: hij had ook genoeg aan het geruis van de moerbeitoppen in het Bijbelverhaal.

Moerbeiboom en -vrucht

Vincent van Gogh, Moerbeiboom, ±1889
(Norton Simon Museum, Pasadena)

Parel

Wie vandaag de laatste bundel van Beets, Dennenaalden, doorbladert, komt om in een overmaat aan sentiment, redeneerzucht, rijmende stichtelijkheid en lofdichten op jubilerende predikanten en dierbare doden. Slechts hier en daar steekt een frisse dennennaald boven de verbruinde uit. Maar dan opeens, ingeklemd tussen een redenerend vers over Romeinen 5 en een vermanend epigram, staat daar het frisse en oorspronkelijke gedicht ‘De moerbeitoppen ruischten’. Dát eenvoudige en tegelijk zo diepe gedicht overleefde. Dit gebeurde mede dank zij enkele critici van Beets die niet zijn geloof met hem deelden en niet zijn poëzie waardeerden, maar wel dit ene gedicht koesterden. Zo vond Jan Greshoff (1888-1971) dat de dichter Beets weinig voorstelde, maar ‘hij heeft tenminste één gedicht geschreven, dat tot de innigste en liefelijkste van onze taal behoort.’ (Greshoff 1948, blz. 181). Gerrit Komrij (1944-2012) schreef  dat het verzameld dichtwerk van Beets ‘nagenoeg geheel bestaat uit misgeboorten, hoogdravend geronk en niemendalletjes’, maar dat er in dit ‘dichterlijke moeras’ ‘een onmiskenbare parel’ verscholen ligt, ‘een van begin tot eind smetteloos vers’: ‘De moerbeitoppen ruisten’. ‘Ik kan er niet één woord in ontdekken dat er eigenlijk niet had moeten staan – zelfs het Schild en Wapen uit de voorlaatste regel passen bij de totale overgave van een tot kind betoverde man’ (Komrij 1991, blz. 233, 239).

Liederen

Beets schreef ook liederen. Enkele ervan worden nog altijd gezongen, mede dank zij het Liedboek voor de kerken. Daarin waren opgenomen: ‘Daar is uit ’s werelds duistre wolken’ (gezang 26), ‘Wie heeft op aard’ de prediking gehoord’ (gezang 179) en zijn vertaling ‘Ach, blijf met uw genade, Heer Jezus, ons nabij’ (gezang 423). In het Liedboek komen ze niet meer voor. Wel kreeg het eerstgenoemde lied een herdichting van André Troost (Liedboek 482). Intussen kan ook ‘De moerbeitoppen ruisten’ functioneren als lied. Willem Vogel (1920-2010) schreef bij dit gedicht een melodie.

Auteur: Hans Werkman

Literatuur

Nicolaas Beets,  Dennenaalden. Laatste dichtbundel 1892-1900, A.W. Sijthoff, Leiden 1900.
Nicolaas Beets, Nog eens winterloof en Dennenaalden, A.W. Sijthoff, Leiden 1904, klik hier [geraadpleegd 29-01-2017]
Piet Buddingh’ over Staring en Beets, klik hier [geraadpleegd 29-01-2017]
Kees Diekstra, ‘De moerbeitoppen ruisten’, klik hier [geraadpleegd 29-01-2017]
Jan Greshoff, Legkaart (Verzameld werk dl. 4). P.N. van Kampen & Zoon en Em. Querido’s Uitgeversmij, Amsterdam 1948, blz. 178-182.
Gerrit Komrij, Nederlandse poëzie van de 19de  tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 1979, 13e druk 2004, blz. 226-237.
Gerrit Komrij, ‘De moerbeitoppen’, in: Met het bloed dat drukinkt heet, Arbeiderspers, Amsterdam 1991, blz. 232-239.
Anton Korteweg en Wilt Idema, ‘Nicolaas Beets’, in: Vinger Gods, wat zijt gij groot, Arbeiderspers, Amsterdam 1979, blz. 6-77.
Over de moerbeiboom: klik hier [geraadpleegd 29-01-2017]
W.H. Staverman, ‘Het probleem Beets’, in: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 46, 1953, klik hier [geraadpleegd 29-01-2017]
Paul Vanderghote, ‘De moerbeitoppen ruisten’, klik hier [geraadpleegd 29-01-2017]
Coen Wessel, ‘Waarom ruisten de moerbeitoppen?’, klik hier [geraadpleegd 29-01-2017]