Carols


Auteur: Jan Smelik

Carols in het Liedboek

443


De engel Gabriel komt aangesneld (vertaling)
Oorspronkelijke carol: The Angel Gabriel from heaven came
Melodienaam: Gabriel’s Message (vertaling)

479


Een lied weerklinkt in deze nacht (vertaling)
Oorspronkelijke carol: On Christmas night all Christians sing
Melodienaam: Sussex Carol (vertaling)

496


Een ster ging op uit Israël (nieuwe tekst)
Oorspronkelijke carol: O little town of Bethlehem
Melodienaam: Forest Green

498


Bethlehem, o uitverkoren (nieuwe tekst)
Oorspronkelijke carol: Once in royal David’s city
Melodienaam: Irby

503


Wij staan aan een kribbe (nieuwe tekst)
Oorspronkelijke carol: Away in a manger
Melodienaam: Cradle Song

505


In de nacht gekomen (nieuwe tekst)
Oorspronkelijke carol: In the bleak midwinter
Melodienaam: Cranham

506


Wij trekken in een lange stoet (nieuwe tekst)
Oorspronkelijke carol: God rest ye merry, gentlemen
Melodienaam: God Rest You Merry

507


Het is al nacht in Bethlehem (nieuwe tekst)
Oorspronkelijke carol: It came upon the midnight clear
Melodienaam: Noel

583


Maria keek toe, men hing Jezus zo hoog (vertaling)
Oorspronkelijke carol: While Mary was watching
Melodienaam: Normandy

Daarnaast bevat het Liedboek een aantal liederen die niet recent als ‘carol’ bekend geraakt is in Nederland, maar die in Angelsaksische landen wel tot de carols gerekend worden, zoals:

471


In dulci jubilo (vertaling)
Oorspronkelijke carol: In dulci jubilo
Melodienaam: In Dulci Jubilo

477


Komt allen tezamen, jubelend van vreugde (vertaling)
Oorspronkelijke carol: Adeste fidelis
Melodienaam: Adeste Fidelis

481


Hoor, de engelen zingen de eer (vertaling)
Oorspronkelijke carol: Hark the harald angels sing
Melodienaam: Mendelssohn

620


Hoor aan, gij die Gods kinderen zijt (vertaling)
Oorspronkelijke carol: O filii et Filiae
Melodienaam: O Filii et Filiae

Middeleeuwen

De term ‘carol’ houdt oorspronkelijk vermoedelijk verband met het latijnse woord choraula: een dans onder begeleiding van een fluit. In de middeleeuwen betrof het populaire balladeachtige liederen die door een solist gezongen werden, waarbij de luisteraars (al dan niet dansend) participeerden met een refrein (burden), waarmee de carol opende. In de kerk werden carols, sinds de vijftiende eeuw dikwijls polyfoon bewerkt, aanvankelijk door de professionele musici uitgevoerd.
In de zestiende eeuw ontstond de ‘carol’ in de huidige betekenis van het woord: een lied dat het midden houdt tussen een hymn en een volkslied. Het betreft een doorgaans strofisch lied met een beschouwende of voor een (christelijk of seizoens-)feest bestemde tekst, waarvan het karakter verhalend, fantasierijk en eenvoudig is. Carols zijn nadrukkelijk bedoeld om door het volk gezongen te worden. In de liederen wordt doorgaans – direct en indirect – minder aan de Bijbel gerefereerd dan in hymns. Verreweg de meeste carols handelen over advent en kerst; een aanzienlijk kleiner aantal is bestemd voor de paastijd en nog weer een kleiner aantal voor Pinksteren en/of voor een andere gelegenheid.

Negentiende eeuw

De eerste moderne uitgaven met carols verschenen aan het begin van de negentiende eeuw. Davies Gilbert publiceerde toen Some Ancient Christmas Carols (1822), terwijl William Sandys in 1833 de bundel Christmas Carols New and Old uitgaf. De titel van deze carolverzameling geeft aan dat men in de negentiende eeuw ook (weer) nieuwe carols ging maken. Uit de negentiende eeuw dateren bijvoorbeeld het fameuze ‘Hark! the herald angels sing’ (vergelijk Liedboek 481) en ‘Once, in royal David’s city’ (vergelijk Liedboek 498). Ook in de twintigste eeuw ontstonden nieuwe carols, waaronder het ‘In the bleak mid-winter’ (vergelijk Liedboek 505).
De groeiende aandacht in de negentiende eeuw voor de carol ontstond onder meer in het kielzog van de Oxford Movement met haar aandacht voor de middeleeuwse, rooms-katholieke liturgie, kerkmuziek en spiritualiteit. Daarbij was het wel vanzelfsprekend dat de ongepolijste middeleeuwse carolteksten en -melodieën naar negentiende-eeuwse Engelse smaak gestileerd moesten worden.
De toenemende populariteit van de carol kan ook afgelezen worden uit de literatuur. Charles Dickens noemde een van zijn fameuze kerstverhalen A Christmas Carol (1843), waarin de schrijver een jongen aan de voordeur van Ebenezer Scrooge de carol ‘God rest ye merry’ laat zingen, waarschijnlijk omdat in de slotstrofe ervan de kernboodschap van het verhaal vertolkt wordt: ‘And with true love and brotherhood, / Each other now embrace’. Mogelijk kwam Dickens op dit idee door de groeiende geliefdheid van carols.

Carols uit andere landen

In de tweede helft van de negentiende eeuw gingen Engelsen ook carols uit andere landen verzamelen. Aanzet hiertoe gaf John Mason Neale (1818-1866) die in 1852 in het bezit kwam van de bundel Piae Cantiones, oorspronkelijk uitgegeven in 1582 te Greifswald, dat destijds bij Zweden hoorde. Bij de melodieën uit deze bundel maakte hij vertalingen van Latijnse teksten of schreef hij geheel nieuwe liedteksten. In 1853/1854 gaf Neale samen met Thomas Helmore (1811-1890) de bundel Carols for Christmas-tide uit. Er werd ook een middeleeuws lied uit de Nederlanden als ‘carol’ geïmporteerd: Neale maakte namelijk een Engelse bewerking van ‘Heer Jezus heeft een hofken’ (‘Our Master hath a garden’). Tegenwoordig is deze carol bekend in de vertaling van George R. Woodward (1848-1934): ‘King Jesus hath a garden’.
Een belangrijke impuls aan de carol gaven Henry Remsden Bramley (1833-1917) en John Stainer (1840-1901) in de jaren zeventig, toen zij twee edities uitgaven van Christmas Carols, New and Old. Daarin werd voor het eerst een veelkleurige anthologie van carols geboden uit diverse perioden en streken. De bundel heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de populariteit van het carol singing in de laatste decennia van de negentiende eeuw.
In die tijd werden de carols opgenomen in speciale daartoe in het leven geroepen diensten voor de kerstperiode. Een voorbeeld daarvan zijn de diensten die F.W. Benson, bischop van de Truro Cathedral, in 1880 ontwikkelde waarin schriftlezingen en carols gecombineerd werden. Zijn idee werd elders verder uitgewerkt tot de vorm die het in 1918 kreeg in King’s College Cambridge door toedoen van de deken van het college, Eric-Millner White: ‘A Festival (Service) of (Nine) Lessons and Carols’. Dit Festival is tot op de dag vandaag de meest bekende (para)liturgische dienst waarin carols een vaste plaats hebben. Dergelijke Festivals of Lessons and Carols worden de afgelopen decennia ook in Nederland steeds vaker georganiseerd.

Het verzamelen van buitenlandse carols werd eind negentiende, begin twintigste eeuw voortgezet door de musicoloog Richard Runciman Terry (1865-1938) en organist-dirigent Charles Edgar Pettman (1866-1943). Zij verzorgden onder andere een reeks bundeltjes, elk met zo’n acht in het Engels vertaalde carols. De serie werd in 1922 verzameld uitgegeven in het Universal Carol Book. Deze bundel groeide uit tot de editie met 217 carols die Erik Routley (1917-1982) in 1961 verzorgde.
Een belangrijke uitgave met 197 carols verscheen in 1928: The Oxford Book of Carols, onder redactie van Percy Dearmer (1867-1936), Ralph Vaughan Williams (1872-1958) en Martin Shaw (1875-1958). Dit boek zou meer dan dertig oplagen beleven. In 1992 verscheen een grondig herziene editie: The New Oxford Book of Carols van Hugh Keyte & Andrew Parrott.

Kerkelijke ijking

Ondanks hun grote populariteit vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw, werden carols aanvankelijk niet in officieel-kerkelijke liedbundels opgenomen. Befaamde anglicaanse bundels als English Hymnal (1906 en latere edities) en de twintigste-eeuwse edities van Hymns Ancient and Modern, bevatten geen carols, een enkele uitzondering daargelaten. Blijkbaar sloot de opname van dergelijke volksachtige liederen niet aan bij de liturgische en kerkmuzikale idealen van de liedboekredacties en/of kerkelijke overheid.
Dit betekende niet dat de carols op esthetische gronden werden afgekeurd. Heel duidelijk blijkt dat bij Vaughan Williams, die niet alleen muziekredacteur was van belangrijke kerkliedbundels (English Hymnal uit 1904 en Songs of Praise uit 1926), maar ook The Oxford Book of Carols redigeerde en bovendien carols in zijn composities gebruikte, zoals in de ‘Fantasia on Christmas Carols’ uit 1912.
Pas na de Tweede Wereldoorlog krijgen carols in kerkliedbundels een plek, te beginnen met de bundel Congregational Praise van de Congregational Church of England and Wales, waarin 23 carols stonden. Sindsdien werd het steeds gebruikelijker om carols op te nemen, al dan niet als afzonderlijke afdeling binnen de bundel.
In 1986 verscheen The New English Hymnal, waarin carols tussen de andere liederen werden opgenomen, en dus niet als aparte categorie behandeld werden. Hetzelfde geldt voor de derde editie van The Church Hymnary uit 1973, het liedboek van de Church of Scotland, de Presbyterian Church of Ireland en de Presbyterian Church of Wales.
Door in het Liedboek – Zingen en bidden in huis en kerk een aantal populaire carols op te nemen, wordt in Nederland dus aangesloten bij het angelsaksisch gebruik uit de afgelopen decennia. De redactie van het Liedboek maakte een lijst van carol-melodieën die zij graag in de bundel zou willen opnemen. Vervolgens is per melodie gekeken of er een bestaande vertaling van de bijbehorende caroltekst voor opname in aanmerking kwam, of dat er een nieuwe tekst op de melodie geschreven moest worden. Zes carols werden voorzien van een geheel nieuwe tekst, een praktijk die in Engeland al sinds de negentiende eeuw bestaat.

Literatuur
- Erik Routley, The English Carol (London 1958).
- Erik Routley, University Carol Book. A Collection of Carols from Many Lands, for All Seasons (London 1961).
- Percy Dearmer, Ralph Vaughan Williams, Martin Shaw, The Oxford Book of Carols (Londen-New York-Toronto 1964).
- William E. Studwell, Christmas Carols. A Reference Guide (New York & London 1985).
- Hugh Keyte & Andrew Parrott (red.), The New Oxford Book of Carols (Oxford-New York 1992/1994).