Zoek een persoon

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} personen getoond

Geen personen gevonden

Evert Louis Smelik


foto uit 1971

geboren: 8 september 1900 te ‘s-Gravenhage
overleden:  22 februari 1985 te Geldrop (NB)

Bijdragen in het Liedboek

90a         O God, die droeg ons voorgeslacht (v)
347         Here Jezus, wij zijn nu (v)
348         Heer van uw kerk (t)
361         Er heeft een stem gesproken (t)
364         Hoor Gij ons aan (t)
435         Hef op uw hoofden, poorten wijd (v)
626         Ik zoek mijn Heer, het graf is leeg (t)
755         Toch overwint eens de genade (v)

Leven en werk

Evert Smelik werd geboren in een gereformeerde onderwijzersgezin. Hij bezocht in zijn geboorteplaats ’s-Gravenhage het Christelijk Gymnasium, waarna hij van 1919 tot 1924 theologie studeerde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Na een korte tijd hulpprediker in Bloemendaal geweest te zijn, werd hij eind 1925 predikant te Tienhoven. In dezelfde tijd trouwde hij met Geertje Jaape, met wie hij vier dochters zou krijgen.

In september 1926 werd Smelik door de classis Breukelen geschorst en afgezet omdat hij zich achter de Amsterdamse predikant J.G. Geelkerken schaarde, die in conflict met de Gereformeerde Kerken in Nederland was geraakt over de vraag of de slang in het paradijs werkelijk gesproken heeft. Met het merendeel van zijn  gemeente sloot Smelik zich aan bij de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband. Dit kerkverband zou hij tot mei 1946, toen het opging in de Nederlandse Hervormde Kerk, als predikant dienen in Rotterdam (vanaf 1928), Hilversum (vanaf 1937) en Amsterdam (vanaf 1939).

In de periode 1927 tot 1933 werkte Smelik samen met Hendrik Hasper, G.W. van Deth en C. Vermaat aan een liedboek: Gezangen nevens de psalmen in gebruik bij de Gereformeerde kerken in Nederland (in hersteld verband). Deze bundel verscheen in 1933 en kenmerkte zich door een voor die tijd ongekende brede internationale en interconfessionele oriëntatie. Van Smelik werden drie oorspronkelijke liedteksten en zo’n twintig vertalingen opgenomen. Eerder al waren liederen van hem gepubliceerd in de bundel Laudamus (1932) van S.M. van Woensel Kooy.

In de jaren dertig volgde Smelik opnieuw een studie theologie, nu in Leiden. In 1939 voltooide hij deze studie met het doctoraal examen en vier jaar later promoveerde hij aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam op de dissertatie Vergelden en vergeven: een theologische studie naar aanleiding van Friedrich Nietzsche’s denkbeelden over schuld en straf. Aan deze universiteit werd hij in 1949 kerkelijk hoogleraar met als leeropdrachten christelijke ethiek, bijbelse theologie, praktische theologie en kerkrecht. In 1967 ging hij met emeritaat.

Naast zijn werk als predikant en hoogleraar heeft Smelik een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de gezangenbundel uit het Liedboek voor de kerken. De hervormde synode benoemde hem in 1952 tot voorzitter van de gezangencommissie, ook omdat hij ervaring had met het samenstelling van een kerkelijke liedbundel. Mede door de invloed van Smelik werd het aanvankelijke plan om de Hervormde Bundel van 1938 te restaureren verlaten, en werd er gewerkt aan een nieuwe bundel. Smelik wilde een liedboek, samengesteld door deskundigen, dat gekenmerkt werd door schoonheid en stijl; hij was wars van het vrome cliché en kitsch. Ook wenste hij een bundel waarin de traditie zou weerklinken.

Het overlijden van zijn echtgenote in 1954 greep diep in op Smeliks leven en was een reden dat hij zich niet honderd procent kon geven aan het werk van de gezangencommissie. Deze periode eindigde toen Smelik in december 1960 trouwde met Margaretha Sneller.

In de jaren zestig verliep de samenwerking met de Gereformeerde Kerken in Nederland om te komen tot een gezamenlijke bundel aanvankelijk stroef, mede door de verstoorde verhoudingen tussen voorzitter Smelik en het kerkverband dat hem in 1926 had afgezet.

Toen in augustus 1970 bleek dat er in de conceptbundel van 731 liederen gesnoeid moest worden, en dat er bovendien ten behoeve van andere deelnemende kerkverbanden nogal eens – naar Smeliks visie – water bij de wijn gedaan moest worden, droeg hij het voorzitterschap van de gezangencommissie over aan A.W. Lazonder.

Evert Smelik leidde daarna tot aan zijn overlijden een teruggetrokken leven, waarin hij vooral componeerde. Onder meer zette hij gedichten van Martinus Nijhoff, Rainer Maria Rilke op muziek.

In totaal werden vanaf 1932 tot 1973 44 liederen van Smelik gepubliceerd, waarvan 16 oorspronkelijke en 28 vertaalde. Bij de vertaalde liederen valt zijn voorliefde op voor de liederen van Johann Christoph Blumhardt (1805-1880) en diens zoon Christoph (1842-1919). Eschatologische thema’s hebben een belangrijke plaats in Smeliks liedoeuvre.

Auteur: Jan Smelik

Literatuur (selectie)

M.J. Aalders, ‘Smelik, Evert Louis’, in: Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, deel 5. Kampen 2001, 474-476.
H.J.Ph.G. Kaajan, 'Smelik, Evert Louis (1900-1985)', in: Biografisch Woordenboek van Nederland. Online te lezen [12-11-2013]
J.W. Schulte Nordholt, ‘Evert Louis Smelik’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1985-1986. Leiden 1987, 122-130. (Ook te raadplegen via www.dbnl.org)
Bernard Smilde, Hasper en het kerklied. Leeuwarden 1986, 89-91.


Publicaties

Selectie

De wegen der kerk. De Brieven aan Timotheus, Titus en Filemon. Nijkerk 1940.
Vergelden en vergeven : een theologisch-ethische studie naar aanleiding van Friedrich Nietzsche's denkbeelden over schuld en straf. ’s-Gravenhage 1943
Kindergebeden. Baarn 1943.     
De weg van het woord. Het evangelie naar Johannes. Nijkerk 1948.
Ongevraagde postille. ’s-Gravenhage 1954.
Ethiek in de verkondiging. Nijkerk 1961.
Vrije postille. ’s-Gravenhage 1962