Zoek een persoon

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} personen getoond

Geen personen gevonden

Johann Stobaüs


geboren: 6 juli 1580 in Graudenz (tegenwoordig: Grudziądz, Polen)
overleden: 11 september 1646 in Königsberg in Preußen (tegenwoordig: Kaliningrad, Rusland)

Bijdrage in het Liedboek

176         Om Sions wil zwijg ik niet stil (m)

Leven en werk

Johann Stobäus is telg uit een muzikantengeslacht. Op vijftienjarige leeftijd vertrok hij naar Königsberg in Preußen, waar hij leerling werd op de Schola Parochialis en introk bij Valenton Raschius, de rector van deze school. Enkele jaren later nam hij les van Johann Eccard (1552-1611), die van 1580 tot 1608 aan de hofkapel van de hertog-keurvorst te Königsberg verbonden was.  Er ontstond een hechte vriendschap tussen leraar en leerling.

In 1601 werd Stobäus lid van de hofkapel. Een jaar later volgde zijn benoeming tot cantor aan de Domkirche en Domschule in Königsberg. Deze functie bleef hij vervullen tot 1626, het jaar waarin hij Kapellmeister aan het hof van de keurvorst werd. Deze functie zou hij blijven vervullen tot zijn dood.

Van Stobäus zijn circa 400 composities overgeleverd, waarvan het merendeel  gelegenheidscomposities zijn. In 1624 publiceerde hij de bundel Cantiones Sacrae (Frankfurt ad Oder) en tien jaar later verscheen Geistliche Lieder Auff gewöhnliche Preußische Kirchen Melodeyen (Danzig 1634). Acht jaar later gaf Stobäus een bundel koorwerken uit, waarin hij niet alleen eigen werk opnam, maar ook dat zijn vriend en leraar Eccard: Erster Theil Der Preussischen Fest Lieder vom Advent an biß Ostern, mit 5, 6, 8. Stimmen (Elbing 1642). Een tweede deel volgde in 1644.

Stobäus’ faam reikte tot ver buiten de Pruisische grenzen. Typerend hiervoor is het feit dat niemand minder dan Jan Pieterszoon Sweelinck in 1617 bij gelegenheid van het huwelijk van zijn vriend Johannes Stobäus in 1617 een achtstemmige dubbelkorig werk (Canticum nuptiale) componeerde.

Auteur: Jan Smelik