Zoek een persoon

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} personen getoond

Geen personen gevonden

Johann Walter


geboren: 1496 te Kahla (Thüringen)
overleden: 25 maart (?) 1570 te Torgau

Bijdragen in het Liedboek

207         De trouw en goedheid van de Heer (m)
747         Eens komt de grote zomer (t)

Leven en werk

De grote betekenis van Johann Walter voor de Duitse kerkmuziek blijkt uit de eretitel die hij na zijn dood ontving: Urkantor der deutschen evangelischen Kirche.

Bij zijn geboorte luidde zijn achternaam ‘Blankenmöller’, maar die naam werd gewijzigd toen hij in zijn jeugd geadopteerd werd door een familielid met de achternaam ‘Walter’.

Johann Walter bezocht de Latijnse scholen in Kahla en Rochlitz. Met Pasen 1517 schreef hij zich in als student aan de universiteit van Leipzig, waar hij ‘in Philosopiae Magistrum’ promoveerde. In Leipzig kwam hij in aanraking met de lutherse reformatie, en hij sloot zich daarbij al spoedig aan.

Op initiatief van Kapellmeister Konrad Rupff trad Walter omstreeks 1521 als bassist in dienst van de keurvorstelijke hofkapel, die afwisselend in Altenburg of Torgau zetelde. Keurvorst Frederik III von Sachsen (Frederik de Wijze; 1463-1525) maakte verre reizen en nam altijd zijn hofmusici mee. Hierdoor leerde Walter de toentertijd toonaangevende musici kennen.

Via liedbladen die begin jaren twintig van de zestiende eeuw verspreid werden, leerde Walter de liederen van Martin Luther (1483-1546) kennen. Hij stelde een van de eerste reformatorische liedbundels samen: het Geystliche gesank Buchleyn. Het betrof een vijfstemmig koorboek dat met Pinksteren 1524 in Wittenberg verscheen. Luther schreef voor de bundel een voorrede, waarin hij het belang van het lied benadrukte om het evangelie zutreiben und inn schwanck zubringen. In deze gezangbundel treffen we diverse liederen aan die tot op heden bekend en geliefd zijn, zoals Aus tiefer Not  schrei ich zu dir (vergelijk Liedboek 130a), Gelobet seist du, Jesu Christ (Liedboek 471) en Christ lag in Todesbanden (Liedboek 618).

Samen met Konrad Rupff werd Walter de muzikale raadgever van Luther. Zij hielpen de reformator bij het samenstellen van zijn Deutsche Messe (1526). Walter verhaalde later dat hij met erg veel plezier vele uren met Luther doorgebracht heeft en dat de reformator geen genoeg kon krijgen van de ‘musica’.

Een jaar na de dood van Frederik de Wijze in 1525 werd de keurvorstelijke hofkapel wegbezuinigd, dit tot grote ergernis van Luther. De burgerij van Torgau richtte daarop een cantorij op, waarover Walter de leiding kreeg. Vanaf 1529 werkte Walter als cantor en docent aan de Latijnse school van Torgau. Vanuit deze functie richtte hij een stadscantorij op, niet alleen voor de diensten in de stadskerk, maar ook voor die aan het keurvorstelijke hof. Luther zag in Walters cantorijpraktijk veel van zijn kerkmuzikale idealen verwezenlijkt.

In 1548 aanvaarde Walter de functie van Hofkapellmeister aan het hof van keurvorst Moritz van Saksen. Toen daar de liturgische en kerkmuzikale praktijk naar het oordeel van de cantor te katholiek werd, vroeg Walter in 1554 ontslag en keerde hij als gepensioneerde terug naar Torgau, waar hij zich bleef inzetten voor de lutherse kerkmuziek. In theologische debatten die na de dood van Luther ontstonden, nam Walter steevast orthodoxe standpunten in.

Behalve aan de meerstemmige Latijnse en Duitse kerkmuziek heeft Walter ook als dichter en componist belangrijke bijdragen geleverd aan het kerklied. Hij schreef tekst en melodie van het in Duitsland beroemde lied Wach auf, wach auf, du deutsches Land (Evangelisches Gesangbuch 145). In Nederland zijn bekende liederen van hem All Morgen ist ganz frisch und neu (Liedboek 207) en Herzlich tut mich erfreuen die liebe Sommerzeit (Liedboek 747).

Auteur: Jan Smelik