Zoek een persoon

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} personen getoond

Geen personen gevonden

Nikolaus Herman


geboren: 1500, Altdorf bij Nürnberg
overleden: 15 mei 1561 in St.-Joachimsthal (nu: Jáchymov, Tsjechië)

Bijdragen in het Liedboek

208       Nu wordt het licht, de dag breekt aan (t)
240       Blijf bij ons, Jezus, onze Heer (t)
472       Hoor de herders, hoe ze Hem loven (t)
474       Loof God, gij christenen, maak Hem groot (t + m)
621       Heerlijk verschenen is de dag (t + m)
628       Nu moet gij allen vrolijk zijn (m)

Leven en werk

Over Nikolaus Hermans ouders, zijn jeugd en opleiding is niets bekend. Het is zelfs onbekend in welk jaar hij precies werd geboren. Omdat hij zichzelf in 1560 een alter Greis noemde, is lange tijd gedacht dat hij toen dus zeventig, tachtig jaar oud geweest moet zijn en dus rond 1480 geboren is. De tekst op een schilderij uit 1560 waarop Herman afgebeeld staat, vertelt dat hij toen zestig jaar oud was. Herman moet dus in 1500 geboren zijn.
Rond 1518 treffen we Herman aan in het mijnstadje Sankt-Joachimsthal, thans onderdeel van de Tsjechische stad Jáchymov, waar hij aanvankelijk werkzaam was als docentassistent aan de Latijnse School. Hij kwam daar in aanraking met de Reformatie en – nadat hij met Martin Luther gecorrespondeerd had – zette hij zich in om in Sankt-Joachimsthal het lutheranisme tot bloei te brengen. Zijn pamflet Eyn Mandat Jhesu Christi an alle seyne getrewen Christen, waarin hij zich als voorstander van de Reformatie ontpopte, beleefde tot begin van de zeventiende eeuw 27 herdrukken.
Behalve docent aan de Latijnse School werd Herman ook cantor van de lutherse gemeente. Hij raakte hecht bevriend met Johann Mathesius (1504-1565), die sinds 1532 rector van de Latijnse School was en die na een theologiestudie in Wittenberg in 1542 predikant (vanaf 1545: Pfarrer) werd van de lutherse kerk in Sankt-Joachimsthal. Menig preek van Mathesius was voor Herman aanleiding tot het schrijven van een lied.
Vanwege gezondheidsredenen – hij had een ernstige vorm van jicht in zijn voeten –  moest Herman in 1557 zijn werkzaamheden als docent en cantor-organist beëindigen. Hij beloofde het stadsbestuur echter dat hij zijn werk als dichter en componist van geestelijke liederen zou voortzetten: so wollt ich dennoch gern meine noch übrigen wenigen Tage, die ich noch zu leben haben möchte, an dieser löblichen Kirche und Gemeinde Dienst wenden und ihr die geringe Gabe, die mir Gott verliehen hat, mitteilen.
Deze belofte heeft hij ingelost. In totaal zijn er 176 liederen van Herman bewaard gebleven. Veel liederen zijn speciaal gemaakt om kinderen met bijbelverhalen vertrouwd te maken. De meeste van zijn liederen bestaan uit vier regels met elk vier beklemtoonde lettergrepen met gepaard rijm.
Op aandringen van Paul Eber (1511-1569), pastor en hoogleraar aan de Wittenbergse universiteit en tevens dichter van onder andere het bekende lied Wenn wir in höchsten Nöten sein verscheen in 1560 Hermans liedbundel Die Sontags Euangelia uber das gantze Jar in Gesenge verfasset, für die Kinder und Christlichen Haußveter. De bundel bevat 101 liederen bij de evangelielezingen voor de zondagen en feestdagen uit het kerkelijk jaar. Uit deze bundel komen drie liederen die in het Liedboek staan (Liedboek 208, 474 en 621). Dat het liedboek in een behoefte voorzag, blijkt uit het feit dat hij in de tweede helft van de zestiende eeuw zo’n twintig keer herdrukt werd, niet alleen in Wittenberg maar ook in onder meer Nürnberg en Görlitz.
In 1562 verscheen postuum de liedbundel Die Historien von der Sindflut, Joseph, Mose, Helia, Elisa und der Susanna, sampt etlichen Historien aus den Evangelisten. Naast andere, niet aan een bijbelgedeelte gebonden liederen bevatte de bundel 75 liederen over gedeelten uit het Oude Testament en de evangeliën die niet in het kerkelijk jaarrooster opgenomen waren.

Auteur: Jan Smelik