Zoek een persoon

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} personen getoond

Geen personen gevonden

Aurelius Augustinus


oudste afbeelding van Augustinus: mozaiek uit de zesde eeuw in de kapel Sancta Sanctorum in de Scala Santa, Rome  

geboren: 13 november 354 te Thagaste (nu Souk Ahras in het huidige Algerije)
overleden: 28 augustus 430 te Hippo Regius (Noord-Afrika in het huidige Algerije)

Bijdragen in het Liedboek

p 1158 Fluister het mij in, heilige Geest
p 1167 Neem nu, Geest, liefdevolle Trooster
p 1350 Maar wat heb ik lief als ik u liefheb
p 1351 Op de plaats waar ik was
p 1439 Laat heb ik u liefgekregen

Alle teksten worden gesproken in het artikel Teksten van of toegeschreven aan Aurelius Augustinus van Evert Jonker. Dit artikel is geplaatst bij de tekst op blz. 1351.

Leven en werk

Augustinus is 13 november 354 geboren in Thagaste (Noord-Afrika, een Romeinse kolonie, tegenwoordig Soukh-aras in Algerije). Zijn moeder, Monica, is christen, standvastig in haar geloof en hoop dat Augustinus zich ooit zal laten dopen, net als zijn vader, die de Romeinse cultuur is toegedaan, en die zich eerst aan het eind van zijn leven liet dopen. Augustinus studeert retorica in Carthago en is gedurende zo’n tien jaar aangesloten bij het gnostische christelijke manicheïsme. Deze beweging gaat uit van een absolute scheiding tussen het licht en het donker, tussen goed en kwaad en meent dat de God van het Oude Testament maar een duistere God is. Augustinus kijkt dan nog neer op de primitieve aard van het Oude Testament, dat volgens hem beneden de maat is in vergelijking met de Romeinse klassieken. Door Ambrosius (339-397) in de kerk van Milaan zal hij ontdekken dat er ook een diepere zin in weerbarstige bijbelteksten kan steken.    

Sinds de herfst van 384 woont hij in Milaan, waar hij in dienst van het keizerlijke hof onderwijs geeft in de retorica. Hij wendt zich aldaar tot de kerk, mede onder invloed van Ambrosius, welbespraakt prediker, lieddichter en bisschop, en door gesprekken met zijn moeder, die hem naar Milaan is gevolgd. Hij laat zich dopen in 387. Hij keert met zijn moeder terug naar Afrika. Onderweg sterft zij met wie hij vlak voor haar overlijden een diepgaand gesprek heeft (Confessiones, IX). Hij blijft nog een jaar in Rome en keert in 388 terug naar Thagaste. Begin 391 is hij op bezoek in Hippo (het huidige Annaba in Algerije). De kerkgangers merken hem op. Hij wordt tegen zijn zin gekozen en gewijd tot presbyter en gaat doopkandidaten onderwijzen, en hij preekt er. In 395 wordt hij tot bisschop gewijd, ook al wantrouwen velen hem vanwege zijn gedachten, die hij voor zijn bekering huldigde en wellicht ook vanwege zijn uitzonderlijke intelligentie. Hij leeft in een huisgemeenschap, waar matigheid en bescheidenheid de boventoon voeren, al is de ascese niet overdreven. Gedurende maaltijden zijn er goede gesprekken of worden goede boeken voorgelezen. Zo is hij de stichter van een kloosterorde. Hij vervult zijn ambt zo’n 35 jaar tot zijn dood (28 augustus 430). De Vandalen belegeren in zijn sterfjaar Hippo, en zullen de Romeinen verdrijven en de stad vernietigen in 431.

Als bisschop heeft Augustinus te maken met grote verschillen in opvattingen op het terrein van theologie, kerk en geloof. Hij is uitermate actief als preker, pastor, wijze, rechter, debater, theoloog en schrijver van vele werken zoals De stad Gods (De Civitate Dei). Tot op de dag van vandaag is zijn invloed groot op het filosoferen en theologiseren over thema’s als kwaad, herinnering, tijd, schepping, liefde en over de relatie tussen taal en werkelijkheid.

Zichzelf mishagend vertelt hij hoe hij als zestienjarige met een jeugdgroep peren steelt, niet omdat ze lekker zijn, maar uit kwaadwilligheid. Als hij naar Milaan wil vertrekken, wil zijn moeder mee. Op het moment dat ze aan boord willen gaan, zegt hij tegen zijn moeder, wijzend op een kapel bij de haven of ze nog niet even bidden moet voor ze de spannende zeereis begint. Dat doet Monica en Augustinus vertrekt ondertussen om zo zijn moeder af te schudden. Zij is kordaat en vertrekt met een volgende boot, hem achterna.

Ook kunnen we lezen dat hij op zijn achttiende vader is en tijden met een geliefde samenleeft. Als hij carrière wil maken, zet hij haar aan de kant, neemt zijn zoon mee en dingt naar de hand van een rijk meisje, dat nog te jong is. In afwachting van een huwelijk heeft hij nog een ander liefje. Hoe we ook denken over de moraal nu of wat we weten van de moraal van toen, de ambities en begeerten van Augustinus doen nu niet meteen recht aan mensen in zijn omgeving. Eenmaal bisschop strijdt hij voor zichzelf en voor anderen tegen de zonde van de hoogmoed en begeerte.

Dit alles wordt lovend tegen God gezegd. Voor God heeft hij onmatig veel woorden, originele woorden ook, in de overtreffende trap of in paradoxen geformuleerd. Hij wordt lyrisch en is qua taal niet ascetisch. Hier een voorbeeld, waaruit aan het slot meteen blijkt dat aan alle spreken over God een grens is, maar dat zwijgen toch ook niet past. Zo spreekt Augustinus God aan. God is God en geen mens. God is anders. Zo bewaart hij welbespraakt het geheimenis van Gods leven gevende pure positiviteit. Bekentenis en lofprijzing ineen:

Gij hoogste, voortreffelijkste, machtigste, almachtigste, barmhartigste en rechtvaardigste, verborgenste en aanwezigste, schoonste en sterkste, vast en ongrijpbaar, onveranderlijk en alles veranderend, nooit nieuw, nooit oud, alles vernieuwend en de hovaardigen oud makend zonder dat zij het weten, steeds handelend, steeds rustend, vergarend en niet ontberend, dragend en vervullend en beschermend, scheppend en voedend en voltooiend; gij zijt inhalig, terwijl u niets ontbreekt, gij hebt lief en lijdt geen heftige gloed, gij zijt naijverig en blijft onbekommerd, gij hebt spijt en voelt leed, gij wordt vertoornd en blijft rustig, gij wijzigt uw werken en wijzigt niet uw plan, gij neemt weer bezit van wat gij vindt en gij zijt het nooit kwijtgeraakt; nooit lijdt gij gebrek en gij vindt vreugde in het gewin, nooit zijt gij hebzuchtig en gij rekent rente; meer dan het verschuldigde wordt aan u betaald om u tot schuldenaar te maken; en wie heeft ook maar iets dat niet van u is? Gij betaalt schulden en zijt niemands schuldenaar, scheldt schulden kwijt en lijdt geen verlies. En wat hebben we nu nog gezegd, mijn God, mijn leven, mijn heilige heerlijkheid? Of wat wordt ooit door iemand gezegd wanneer hij over u iets zegt? En toch: wee degenen die over u zwijgen, want met al hun praten zijn ze stom! (Confessiones I, 4)

Auteur: Evert Jonker