Zoek een persoon

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} personen getoond

Geen personen gevonden

Nicolaas Beets


Beets als predikant

geboren: 13 september 1814 te Haarlem
overleden: 13 maart 1903 te Utrecht

Bijdrage in het Liedboek

p 568      De moerbeitoppen ruisten (t)

Leven en werk

Student en predikant

Nicolaas Beets werd in 1814 als zoon van een apotheker geboren in Haarlem. Hij studeerde theologie in Leiden (1833-1839). Samen met medestudenten – onder wie de schrijvers Johannes Kneppelhout (1814-1885, pseudoniem Klikspaan) en J.P. Hasebroek (1812-1896, pseudoniem Jonathan) – had hij daar een literaire club. In die tijd werd hij sterk beïnvloed door de Engelse romantische dichters, vooral door Byron (1788-1824). Het vroege werk van de student Beets, zoals het dichtstuk José (1834), is dan ook zwaar-romantisch van stijl. Later kreeg Beets daar spijt van en noemde hij die periode zijn ‘zwarte tijd’.

Beets werd Nederlands Hervormd predikant in Heemstede (1840-1854) en Utrecht (1854-1874). De laatste tien jaar van zijn loopbaan was hij hoogleraar in de kerkgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Hij woonde daar met zijn gezin in het huis dat nu het adres Boothstraat 6 heeft. Beets kreeg uit twee huwelijken vijftien kinderen, van wie zes jong stierven.

 Beets als student

Camera Obscura

Beets schreef verhalen, gedichten, liederen, boekbesprekingen, essays en natuurlijk preken. Zijn bekendste werk is de Camera Obscura, dat hij in 1839, nog net in zijn studententijd, publiceerde onder de schuilnaam Hildebrand. Aan latere drukken voegde hij nieuwe verhalen toe. De verhalen vormen samen een mild-ironisch maar treffend portret van de Hollandse burgerij in de negentiende eeuw. Het boek wordt nog altijd gelezen. Hildebrands verhaalfiguren, zoals Pieter Stastok en de heer Kegge, en uitdrukkingen als ‘hoe warm het was en hoe ver’ behoren tot het publieke Nederlandse cultuurbezit.

Stichtelijke gedichten

Toen Beets eenmaal predikant was, werd hij vooral de dichter van stichtelijke gedichten over vaderland, gezin en geloof. Een brede laag van het volk waardeerde dit. Maar deze poëzie kwam onder scherp vuur te liggen, toen de literatuur in Nederland omstreeks 1880 met Perk, Kloos, Verwey en Van Eeden (de Tachtigers) een nieuwe richting insloeg en vooral de individualistische schoonheidsbeleving centraal stelde. Frederik van Eeden (1860-1932) heeft de gedichten van de ‘dominee-dichters’ bespottelijk gemaakt in zijn bundel Grassprietjes (1885, onder de schuilnaam Cornelis Paradijs). Over Beets schreef hij:

O Beets, wat zijt gij groot!
Als God het niet verbood,
Dan zou ik u aanbidden…
Nu laat ik dat in ’t midden…

In het ‘Predikanten-lied’ van Paradijs voert Beets de dichters aan:

Maar van alles toch de baas
Is de groote Nicolaas! –
Wat heeft hij niet saâmgedicht!
Hoeveel harten niet gesticht!

Beets als dichter van geestelijke liederen

In allerlei protestantse liedbundels zijn van Beets een veertigtal liederen opgenomen. Hij was daarin een duidelijke vertegenwoordiger van het Réveil, de negentiende-eeuwse beweging die een doorleefd, rechtzinnig en praktisch bijbels geloof wilde stimuleren, ook door middel van het lied. Beets had goede banden met Réveilvrienden, onder wie de predikant O.G. Heldring (1804-1876), die vanuit de Réveilgedachte veel barmhartigheidswerk heeft opgestart. Beets was lange tijd voorzitter van de liefdadigheidsgestichten in Zetten, waarvan Heldring directeur was.

Van de lieddichters van het Réveil had Beets de meeste invloed, waarschijnlijk ook omdat hij zich minder strijdbaar en activistisch opstelde dan bijvoorbeeld Isaäc da Costa (1798-1860), die ook veel liederen schreef.

De grote belangstelling die het Réveil had voor de zending kan men terugzien in de liederen. Zo schreef Beets het veel gezongen lied

Roept uit aan alle stranden,
Verbreidt van oord tot oord,
Verkondigt allen landen
Het Evangeliewoord!

Beets heeft een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de zogeheten Vervolgbundel. De bundel Evangelische Gezangen (1807), officieel vastgesteld door en voor de Nederlandse Hervormde kerk, was door de Afgescheidenen veroordeeld als veel te vrijzinnig. De Vervolgbundel (1866), een aanvulling erop, werd echter samengesteld door een hervormde commissie die overwegend rechtzinnig was. Beets was haar secretaris en deed, samen met de dichter en hoogleraar-theologie Bernard ter Haar (1806-1880), het meeste selectiewerk. Ze kozen veel liederen van Réveildichters als Da Costa, Hasebroek en Beets. In hun concept liet de synode weliswaar liederen vervangen, maar men stuitte daarbij op de moeilijkheid dat er weinig liederen met een vrijzinnig karakter bestonden. De Vervolgbundel bleef het stempel dragen van Beets en andere Réveildichters. In het zojuist geciteerde zendingslied bleven dus regels gehandhaafd als: ‘De wereld moet zich scharen / Zich scharen om het kruis’, waarin Beets de klassieke verzoeningsleer handhaafde.

Réveildichters schreven ook ‘Bijbelliederen’. Zo dichtte Beets in 1846 vier ‘Bijbelliederen’, die hij ‘Psalmen’ noemde: ‘De Heer is God, een eenig Heer!’ (Jesaja 45, lofpsalm), ‘Daar is uit ’s werelds duistre wolken’ (Jesaja 9, kerstpsalm), ‘Wie heeft op aard de prediking gehoord’ (Jesaja 53, lijdenspsalm) en ‘Mijn goede Herder is de Heer’ (Psalm 23 en Johannes 10, herderspsalm). Ze werden alle vier in de Vervolgbundel opgenomen, evenals ‘Ach, blijf met uw genade, / Heer Jezus, ons nabij’, dat door Beets uit het Duits van Josua Stegmann was vertaald.

Beets schreef ook liederen over het goede dat God op aarde geeft, zoals ‘Had ik uw adem, nachtegalen’, dat tot diep in de twintigste eeuw op christelijke scholen gezongen werd op een melodie van H.J. van Lummel. Ook zijn niet expliciet christelijk lied ‘Het Maarts viooltje’ werd daar veelvuldig gezongen: ‘Waagt gij ’t uit te spruiten, / Bloem van zacht fluweel?’

Vergeten?

De huiselijke en religieuze gedichten van Beets zijn, op enkele na, vergeten, en niet ten onrechte. De taalwetenschapper Klaas Heeroma (1909-1972), die onder de naam Muus Jacobse dichter was en veel aan het Liedboek voor de kerken heeft bijgedragen, karakteriseerde de meeste gedichten van Beets als ‘gekroonde onbenulligheid’. Ook de literatuurcriticus Gerrit Komrij (1944-2012) wierp het dichtwerk van Beets ver van zich, op een gedicht na: ‘De moerbeitoppen ruisten’. In zijn ‘dikke Komrij’ was Komrij echter ruimhartiger. Hij gunde Beets in deze toonaangevende bloemlezing zelfs het maximale aantal van tien gedichten, maar het moet gezegd dat dit lichtvoetige gedichten uit diens jonge jaren zijn, en geen religieuze gedichten, behalve natuurlijk dat over de moerbeitoppen.

Anton Korteweg en Wilt Idema waren in 1978 in hun bloemlezing uit de predikant-dichters van de negentiende eeuw (Beets, Hasebroek, Ter Haar, Ten Kate en Laurillard) nog veel royaler. Zij kozen zesendertig gedichten van Beets, maar ook hier ontbreekt de religieuze poëzie, behalve opnieuw ‘De moerbeitoppen’, de enige echte poëtische evergreen van Beets.

De poëzie van Beets is dus niet helemaal dood. Speelse gedichten als ‘Jongensmijmering’ (‘Wel te duizend! wat is ’t heet! / ’k Word ook veel te warm gekleed. / ’t Moet wel koel zijn in die sloot! / Buurmans kersenboom is rood…’) en ‘De conducteur’ (‘De Conducteur zat op den bok / Van Amsterdam naar Leiden’) zijn het nog altijd waard in een romantische setting voorgedragen te worden. De nationalistische poëzie van Beets is terecht in ongenade gevallen (‘Dankt allen God en weest verblijd, / Omdat gij Nederlanders zijt!’).

Het Liedboek voor de kerken (1973) nam drie liederen van Beets op: ‘Daar is uit ’s werelds duistre wolken’ (gezang 26), ‘Wie heeft op aard de prediking gehoord’ (gezang 179) en ‘Ach, blijf met uw genade’ (gezang 423). In de opvolger daarvan, het Liedboek (2013) is Beets als lieddichter niet meer aanwezig, alleen nog als dichter met ‘De moerbeitoppen ruisten’.

Monument

Beets overleed, 88 jaar oud, in Utrecht. Zijn graf is in deze stad op de begraafplaats Soestbergen. Hij wilde niet dat zijn naam op zijn grafsteen werd vermeld. Alleen de tekst ‘God is mijn licht’ mocht erop.

In 1962 werd in het Haarlemse park de Haarlemmer Hout een Hildebrandmonument onthuld. Professor Jan Bronner had uit kalksteen negen beelden gemaakt: acht personages uit de Camera Obscura, opgesteld op een cirkelvormige muur met in het midden een fontein, en op een afstandje gadegeslagen door Hildebrand. Het kwetsbare kunstwerk werd meermalen het slachtoffer van vandalisme. Daarom werd het in 1983 verwijderd. De gerestaureerde beelden zijn nu als losse groep opgesteld in de beeldentuin van kasteel ’t Nijenhuis in Heino. Sinds 2014 staan bronzen replica’s van de beelden weer in de originele opstelling in de Haarlemmer Hout.

Hildebrandmonument in de Haarlemmer Hout, 2014

Auteur: Hans Werkman

Literatuur

Hans Werkman, bespreking van het gedicht ‘De moerbeitoppen ruisten’ op deze website: klik hier.
Over het graf van Nicolaas Beets: klik hier.
K.H. Heeroma, ‘Het probleem Beets’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1947-1949. Leiden 1950, blz. 59-82 (65). Ook op internet: klik hier.
Hildebrand, Camera Obscura, bezorgd door Willem van den Berg, Henk Eijssens, Joost Kloek en Peter van Zonneveld, twee delen. Amsterdam 1998.
Gerrit Komrij, Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten. Amsterdam 1979, 13e druk 2004, blz. 226-237.
Anton Korteweg, ‘Nicolaas Beets / Hildebrand’, in: Anton Korteweg en Murk Salverda (red.), ’t Is vol van schatten hier, deel 1. Amsterdam 1986, blz. 54-56.
Anton Korteweg en Wilt Idema, Vinger Gods, wat zijt gij groot. Een bloemlezing uit het werk van de dominee-dichters. Amsterdam 1978, blz. 6-77.
Cornelis Paradijs, Grassprietjes, toegelicht door Bernt Luger. Amsterdam 1984, blz. 51, 55-60.
J. Smelik, ‘De dooven moeten hooren, Nicolaas Beets en het lied’, in: De Reformatie, jrg 78 nr. 27 en 28 (2003).

Externe links

https://nl.wikipedia.org/wiki/Nicolaas_Beets
http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=beet005