Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

152 - Mijn hart verheugt zich zeer


De lofzang van Hanna

Jan Wit
Straatsburg 1539/Datheens Psalmen Davids 1566
Lofzang van Maria

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.  

Ook het lied van Hanna behoort, evenals dat van Mozes (Liedboek 151), tot de klassieke cantica. Het valt aanstonds op dat dit lied een sterke verwantschap vertoont met het Magnificat, de Lofzang van Maria in Lucas 1,46-55. Men lette er echter op dat de situationele context weliswaar enigszins verwant, maar toch ook zeer verschillend is. Hanna zingt haar lofzang wanneer zij haar zoon, reeds een kleuter, definitief aan de dienst des Heren afstaat. Maria zingt haar lied voor de geboorte van haar eerstgeboren zoon, waarvan zij dan echter reeds weet dat Hij geheel aan zijn hemelse Vader zal toebehoren. Hanna bezingt in zekere zin haar triomf op Peninna, maar in het perspectief van de heilsdaden des Heren. Maria bezingt de heilsdaden des Heren in het perspectief van de nu zeer aanstaande vervulling. Toch deed de grote verwantschap van beide teksten mij als melodie bij deze herdichting kiezen voor de melodie van Maria’s lofzang (zie Liedboek 157a).

Strofe 1 correspondeert met 1 Samuel 2,1; strofe 2 met vers 2; strofe 3 met vers 3; strofe 4 met vers 4; de strofen 5 en 6 met vers 5; de strofen 7 en 8 met vers 6, 7 en 8a, zij het in een iets gewijzigde volgorde; strofe 9 met vers 8b en 9; strofe 10 met vers 10.

Dit lied van vernedering en verhoging, van ondergang van de groten, de sterken en de trotsen, en verlossing van de armen en de kleinen kan natuurlijk niet zomaar zonder meer vergeleken worden met de maatschappijkritiek die momenteel zo en vogue is. Toch is het een onbegrijpelijke zaak dat de Christengemeente, die dit lied immers van oudsher gezongen heeft, eeuwenlang met een zo bête bewondering heeft opgezien naar macht, voornaamheid en succes. En nog onnatuurlijker is het dat zo vele theologen van de christenheid hun wetenschappelijk vernuft en hun autoriteit beschikbaar gesteld hebben om vorsten, adel en patriciaat, ja zelfs om de nouveaux riches aan een vroom alibi te helpen.

Wie dit lied oprecht zingt en erover mediteert kan onmogelijk in het meditatieve stadium blijven steken. Zijn houding tegenover de groten dezer aarde zal onontkoombaar kritischer en relativistischer worden. Intussen zij opgemerkt dat Hanna in haar lied weliswaar ernstig is, maar dat er toch in zekere mate een humoristisch aspect in haar tekst valt waar te nemen. Er mag in de kerk bij de grote daden Gods en bij de ontmaskering van de kleingeestigheid en de kleinzieligheid van het aardse machtsvertoon en van de wereldse pracht en praal gerust gelachen worden.

In de proefbundel 102 Gezangen is Hanna’s lofzang opgenomen geweest onder nummer 2, terwijl het ook in Ministeriale (Haarlem 1966, blz. 24-25) stond.

Auteur: Jan Wit


Melodie

Voor een toelichting bij de melodie: zie Liedboek 157a.


Media

Uitvoerenden: Capella Walburga Zutphen o.l.v. Paulien Roos; Klaas Stok, orgel (strofen 1 t/m 5; bron: KRO-NCRV)