Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

184 - De herder heeft zich niet vergist


De herder

Hanna Lam
Wim ter Burg

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit is een lied als een vertelling uit de kinderbijbel. Het is een van de liederen van het duo Hanna Lam en Wim ter Burg, verschenen in het eerste deel van Alles wordt nieuw (1966; nr. 21). In 1974 werd het ook opgenomen in Liedboek voor de kinderen (redactie J.L. Klink en Tera de Marez Oyens; uitgeverij Callenbach) en in 2016 in de bundel Weerklank (nr. 559).

Inhoud

Het lied gaat uit van de gelijkenis van het verloren schaap, zoals weergegeven in Lucas 15,1-7. In feite komt alleen de kern van het verhaal in beeld: één schaap van de honderd is verdwenen, de herder zoekt en vindt het en brengt het terug (15,4-6a). Het beeld van de herder is een vertrouwd Bijbels beeld. Het kan over God zelf gaan (Psalm 23, Jesaja 40,11), maar ook de leiders van het volk worden soms herders genoemd. Ze worden dan wel ontmaskerd als slechte herders; voor hen zal een goede herder in de plaats komen (Ezechiël 34). De evangeliën tonen Jezus als de goede herder. Johannes laat het Hem over zichzelf zeggen (Johannes 10,11.14), bij Matteüs en Lucas klinkt het tussen de regels door, bijvoorbeeld in de parabel van de goede herder (Matteüs 18,12-14; Lucas 15,1-7). In de gelijkenis van het verloren schaap gaat het om een speciaal aspect van het herderschap, namelijk de herder die op zoek gaat naar een schaap dat de weg is kwijtgeraakt.

De openingsregel trekt je gelijk in het verhaal: ‘De herder heeft zich niet vergist, / de schapen zijn geteld. / Maar één klein schaapje wordt vermist, / dat dwaalt nog op het veld’. De herder en het kleine schaapje – dat zijn de hoofdpersonen. Het schaapje is achtergebleven en verdwaald (strofe 1). Dat ligt aan het beestje zelf – het is eigenwijs en bleef niet bij de kudde (strofe 5), maar de herder laat het niet aan zijn lot over. Hij neemt zijn ‘stok en staf’ (strofe 2, regel 1), symbolen van de herder die zijn kudde tegen gevaren beschermt (Psalm 23,4) en gaat op zoek. Als hij het schaapje vindt, stelt hij het gerust, koestert het (strofe 3) en brengt het vanuit de gevaren van de woestijn naar de veiligheid van de kooi (strofe 4). En ook als het schaapje nogmaals de fout in gaat – misschien zelfs wel honderd keer, net zo vaak als er schapen in de kudde zijn – de herder zal het steeds opnieuw zoeken en vinden en in veiligheid brengen (strofe 5). Want de goede herder zorgt voor dat wat verloren is en ‘in de hemel zal meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben’ (Lucas 15,7). Ook dat is een belangrijk aspect van het Bijbelse beeld van de herder: onvoorwaardelijke zorg – ‘Ik geef mijn leven voor de schapen’ (Johannes 10,11), ‘Ik zal naar de verdwaalde dieren op zoek gaan’ (Ezechiël 34,16). Liefdevolle zorg: ‘Als een herder weidt hij zijn kudde: zijn arm brengt de lammeren bijeen, hij koestert ze en zorgzaam leidt hij de ooien’ (Jesaja 40,11).

Dit lied is overduidelijk een lied voor jonge kinderen. Maar het verkleinwoord schaapje (en nog sterker: klein schaapje) is meer dan voor kinderen aangepast taalgebruik, en de herder als de sterke, de betrouwbare en de zorgzame gaat veel verder dan de kindergedachte ‘mijn mama/papa kan alles’. Het brengt in de kinderliedtekst de diepere betekenis van de Bijbelse herder aan. Inclusief het Bijbelse inzicht dat schapen nu eenmaal de neiging hebben om aan het dwalen te slaan en dat ze daarom juist een herder nodig hebben (Jesaja 53,6a; 1 Petrus 2,25).  


Melodie

Wim ter Burg schreef bij de tekst een melodie als een wiegeliedje. Je zou ook kunnen zeggen: een herderswijsje. De toonsoort is G-groot, de maatsoort 6/8 (kenmerkend voor zogenaamde ‘herdersmuziek’ én geliefd bij wiegeliedjes) en de melodische lijn is als een zachte golfbeweging met een bescheiden omvang (d’-b’). Binnen deze omvang van een grote sext speelt de melodie zich grotendeels rond de eerste drie noten van de toonladder af: g’-a’-b’. Alleen de opmaat van regel 1 en de laatste maat van regel 3 vallen daarbuiten (zie de groene en rode lijn in het notenvoorbeeld). In feite is het een drietoonsliedje met tweemaal een uitstapje. Tekenend voor het vakmanschap van Wim ter Burg is dat hij met deze eenvoudige middelen een goede melodie maakt. Kijk bijvoorbeeld hoe hij speelt met de hoogste toon b’ (in het notenvoorbeeld met paars streepje aangegeven): in de regels 1 en 4 op een zwaar maatdeel en in de twee tussenregels op een licht maatdeel, terwijl tekst en melodie voor het overige de verdeling 1-2 en 3-4 kennen.


Liturgische bruikbaarheid

Het lied is allereerst een vertellied, passend bij geloofsonderwijs. Voor jonge kinderen kun je het ook als liedje-voor-het-slapengaan zingen. In kerkdiensten past het allereerst als Lucas 15,1-10 gelezen wordt (dertiende zondag van de zomer in het jaar C). Ook op andere momenten als het Bijbelse beeld van de herder ter sprake komt, bijvoorbeeld op de zondag van de Goede Herder (vierde zondag van Pasen in het A- en B-jaar) kan het een plek krijgen. Weliswaar vormt dan Johannes 10 het uitgangspunt, maar de bijbelse lijnen in dit lied mogen duidelijk zijn.

Auteur: Anje de Heer


Media

Uitvoerenden: Zangklassen Toonkunst Gorcum en leerlingen van de Chr. Kweekschool De Klokkenberg Nijmegen o.l.v. Wim ter Burg (historische opname)