Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

542 - God roept de mens op weg te gaan


Henk Jongerius
Este’s Psalter 1592
Tune: WINCHESTER OLD

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Het lied ‘God roept de mens op weg te gaan’ is voor het eerst in druk verschenen in Bijbels Liedboek, een uitgave uit 1971 van de Katholieke Bijbelstichting, in samenwerking met de Nationale Raad voor Liturgie (N.R.L.). Het is daar nummer 31 van de in totaal 46 liedteksten van Henk Jongerius die in dat bundeltje zijn opgenomen, nadat ze eerder – zoals het voorwoord vermeldt – elders hun bruikbaarheid bewezen hadden. Jongerius heeft zijn tekst geschreven op de oude melodie BURFORD uit Book of Psalmody 1718, samengesteld door John Chetham (1665-1746), die hij vond in The English Hymnal 1906 (nr. 447). In een editie uit 1855 wordt de naam Purcell aan de melodie verbonden. Aan deze combinatie van tekst en melodie zal hij vasthouden in de latere uitgaven die hij het licht doet zien: het bundeltje Door mensen verwoord (Hilversum 1985, nr. 4) en de verzamelbundel van al zijn teksten Voor wie gedenken (Utrecht 2016, blz. 384). Dat deze tekst van Jongerius buiten de Romana eveneens waardering oogst, bewijst opname in het Oud- Katholiek Gezangboek (1990, nr. 802). Ook in het Liedboek heeft hij zich een plaats verworven, met dien verstande dat daar van de oorspronkelijke zes strofen er maar vier zijn opgenomen en de liedboekredactie kennelijk ook de voorkeur heeft gegeven aan een andere Engelse melodie: WINCHESTER OLD uit Este’s Psalter 1592. Het Oud-Katholiek Gezangboek geeft ook deze melodie aan als alternatief. De keuze voor deze melodie is gemaakt omdat de redactie deze sterker vond dan de melodie BURFORD en omdat ze de melodie WINCHESTER OLD voor het Liedboek wilde bewaren. De melodie was bekend vanwege gezang 243 uit het Liedboek voor de kerken, maar dit lied werd niet opgenomen.

Inhoud

‘God roept de mens op weg te gaan’ – alleen deze openingszin al reikt twee heel fundamentele Bijbelse begrippen aan: ‘geroepen worden’ en ‘op weg worden gezet’. Verhalen te over, zowel in het Oude als Nieuwe Testament, waarin mensen worden uitgenodigd om – in letterlijke of overdrachtelijke zin – in beweging te komen, het oude achter zich te laten en het nieuwe tegemoet te gaan. Als prototype hiervan geldt natuurlijk aartsvader Abraham. Het is dan ook niet verwonderlijk dat al in de eerste strofe de kernzin uit diens roepingsverhaal (Genesis 12,1-9) letterlijk wordt geciteerd: ‘Verlaat wat gij bezit en ga / naar ’t land dat Ik u wijs’. Een ander oerverhaal, dat bij de thematiek van ‘onderweg zijn’, als vanzelf in beeld komt, is de exodus, de uittocht. Het is het verhaal van het volk van God, dat in een tocht van veertig jaar, ‘een mensenleven lang’, op weg gaat vanuit het slavenhuis naar een land van belofte (strofe 2).

De volgende twee strofen, de derde en vierde (zij ontbreken in het Liedboek!) luiden:

‘De mens leeft niet van brood alleen’
zo hebben wij geleerd
en ‘niet beproeven zult gij Hem
die het heelal regeert.’

Vereren moet gij slechts de Naam
des Heren: Hij die is
de wolk die voor u uit zal gaan,
licht in de duisternis.

Hierin kleurt Jongerius aan de hand van citaten een beeld van de God van Israël, die zijn volk uit Egypte heeft bevrijd en daarom exclusiviteit en volgzaamheid claimt (Deuteronomium 5,6-7). Hij is het ook die zijn volk eerst honger laat lijden en dan het manna te eten geeft om hun zo duidelijk te maken: ‘de mens leeft niet van brood alleen’ (Deuteronomium 8,3). En Hij is degene die zijn mensen niet alleen op weg zet, maar zelf met hen meetrekt, hun de weg wijst, overdag in een wolkkolom en ’s nachts in een lichtende vuurzuil (Exodus 13,21-22).
Het is zeker geen toeval dat in deze beide strofen precies de drie plaatsen uit Deutronomium (Deuteronomium 8,3; 6,16 en 6,13) klinken waarop Jezus teruggrijpt in het verhaal over zijn verzoeking in de woestijn. Daarmee is het lied in zijn oorspronkelijke vorm een lied voor met name de eerste zondag in de veertigdagentijd, waarop dat verhaal aan de orde is (Matteüs 4,1-11 en Lucas 4,1-13).
De redactie van het Liedboek besloot deze twee, meer specifieke strofen niet op te nemen, om daardoor het lied breder inzetbaar te doen zijn. Ook was ze ongelukkig met de regel ‘zo hebben wij geleerd’ als een te zwakke weergave van het in de evangelieperikoop tot driemaal toe voorkomende ‘er staat geschreven’ (Matteüs 4,4.7.10). Na de ‘anamnese’ van de vier eerste strofen loopt de liedtekst in strofe 5 (Liedboek strofe 3), bij wijze van epiclese, uit in een bede. Het is het gebed om moedig gaande te blijven op onze ‘woestijntocht’ en dat daarbij de Mensenzoon voor ons als een laaiend vuur en een nieuwe Mozes mag zijn (Exodus 24,17).

Zoals bij een hymne eindigt het lied met een doxologie, waarin God geëerd wordt als een ‘belofte’ voor mensen, al vanaf het allereerste begin. Het is opmerkelijk dat Jongerius in de meest recente versie (in Voor wie gedenken) juist deze laatste strofe heeft gewijzigd in:

Gezegend zijt Gij, Eeuwige
die ons het leven geeft:
stem die al voor de eerste mens
belofte bent geweest.

Liturgische bruikbaarheid

Het Liedboek neemt ‘God roept de mens op weg te gaan’ op als lied voor de veertigdagentijd. Uit het bovenstaande, met name wat is opgemerkt rond de derde en vierde middenstrofe, is duidelijk geworden dat het daarvoor ook door Jongerius is bedoeld. Juist omdat in het Liedboek deze specifieke middenstrofen ontbreken en het lied slechts vier wat algemenere strofen heeft, zal het ook buiten de veertigdagentijd vaak een goede keus zijn,, bijvoorbeeld bij vieringen waar vanuit de Schrift een appel op ons wordt gedaan om – letterlijk of figuurlijk – in beweging te komen. Kenmerkend dan ook dat in het register op blz. 1607 het lied vermeld staat onder de rubriek ‘Pelgrimage’.

Auteur: Gerard Kock


Melodie

De Engelse renaissancecomponist Christopher Tye (±1505-voor 1573) schreef in 1553 The Actes of the Apostles, muziek op een metrische vertaling van het Bijbelboek Handelingen, opgedragen aan de jonge prins Edward VI (1536-1553), zoon van Hendrik VIII. Deze vertaling is te vergelijken met de Engelse psalmvertalingen van die tijd in acht regels (8-6-8-6-8-6-8-6, double common metre genoemd). Het is de enige muziek van Tye die tijdens zijn leven is uitgegeven.
De melodie die nu bekend is met de naam WINCHESTER OLD is zo goed als zeker ontleend aan het tweede deel van de melodie van ‘The death of Steven dyd Saule comfort’, de toonzetting van Handelingen 8 van Christopher Tye uit The Actes of the Apostles. Daarbij gaat het om de laatste vier regels van de achtregelige strofe.
In onderstaande afbeelding begint dit gedeelte op de tweede regel bij de tweede noot bij de woorden ‘Scattred they were both far and nye…’
In modern notenschrift:
De voorlaatste noot moet een drukfout zijn. Op basis van de andere stemmen is dit geen d’ maar een e’.
Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen deze melodie en WINCHESTER OLD: de tweede, derde en vierde melodieregel zijn grotendeels identiek.

Als zelfstandige melodie verscheen deze voor het eerst in The whole Booke of Psalmes, with their wanted Tunes, as they are sung in the churches, composed into foure parts, Compiled by Sondry authors, verschenen in 1592, nu bekend als Este’s Psalter. De samensteller, Thomas Este (±1540-1608) bracht vierstemmige zettingen (met de melodie in de tenor) bijeen op teksten van de psalmvertaling van Thomas Sternhold (?-1549) en John Hopkins (1520/21-1570), algemeen bekend met de naam Old Version. De vierstemmige zetting plaatste hij in die editie bij de tekst van Psalm 84. Deze zetting is van George Kirkby (1565-1634).

Een bijzonderheid moet bij de uitgave van Thomas Este worden vermeld: voor het eerst gaf hij melodieën namen die niet ontleend waren aan de inhoud van de tekst (zoals ‘Magnificat’). Este introduceerde enkele namen en dat is het begin van een bijzondere traditie in het Engelse kerklied: melodieën worden niet genoemd naar de eerste regel van een lied, maar krijgen een eigen tune name. Tot in onze tijd is deze traditie in stand gebleven.
Thomas Ravenscroft (1589?-?) ging door met dit initiatief bij zijn editie van Este’s Psalter (The Whole Book of Psalms, 1621) en gaf veel melodieën geografische namen. Elke Engelse stad met een kathedraal kreeg een eigen melodie toegewezen. Zo kreeg deze melodie de naam WINCHESTER, later WINCHESTER OLD genoemd omdat er ook een melodie met de naam WINCHESTER NEW verscheen.
Ravenscroft plaatste de melodie WINCHESTER bij zes psalmen, waaronder Psalm 84. De melodie bevindt zich in de tenor, aangeduid met het ‘handje’. De koorstemmen zijn apart afgedrukt. De naam van de componist van de zetting is te lezen als ‘Thomas Ravenscroft Bachelor of Music’:
Sinds de eerste uitgave van Hymns Ancient & Modern (1861) is de melodie gekoppeld aan het kerstlied ‘While shepherds watched their flocks by night’ (onder andere The New English Hymnal, 1986, nr. 42 en Common Praise, 2000, nr. 76).
In het Liedboek voor de kerken (1973) kwam de melodie voor bij het pinksterlied ‘Toen eenmaal God terneder kwam’, de vertaling van het lied ‘When God of old came down from heaven’ (gezang 243).

Bovenstaande afbeelding geeft aan dat de melodie zoals deze nu in de praktijk wordt gebruikt gelijk is aan de notatie in Ravenscroft’s Psalter. De twee regelparen hebben een gelijk ritme, met uitzondering van het gepunteerde ritme in de eerste regel dat de melodie meteen een fraaie impuls geeft. Melodie en harmonisatie vertonen een heel natuurlijk verloop. De melodie in F-groot moduleert aan het einde van de tweede regel naar de dominanttoonsoort (C-groot). In de vierstemmige zetting volgens Ravenscroft’s Psalter eindigt de derde regel ook in C, in de zetting in de kooruitgave bij het Liedboek wijkt de derde regel uit naar A-groot, de medianttoonsoort (de toonsoort op de derde trap van de toonladder).

Auteur: Pieter Endedijk