Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

627 - Wij delen verdriet en zorgen


Wandelaars in de morgen

Jan Wit
Bernard Smilde

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Dit lied, dat in mijn bundel Ministeriale (1966, blz. 41) ‘Wandelaars in de morgen’ heet, is zeker geen berijming van de Johannesperikoop, maar een poëtische reflectie op het daar beschrevene. In de eerste strofe identificeert de gemeente zich met de twee discipelen Johannes en Petrus op hun tocht naar het graf van hun Heer. In het hele lied gaat het erom hoe wij als laatgeborenen kunnen deelnemen aan het wel en wee van de eerste getuigen. Men zou kunnen denken aan de door Søren Kierkegaard (1813-1855) zo uitvoerig overdachte Gleichzeitigkeit. Men zou ook het in dit lied bezongene kunnen betrekken op de omgang van de gemeente met de wolk van getuigen uit Hebreeën 12.

In de eerste drie strofen volgt het lied het vertelde tot het moment dat Johannes bij het zien van de achtergebleven doeken in het lege graf tot geloof komt. Hij gelooft echter wat hem vroeger door Jezus is aangezegd, zodat ook hier ondanks de visuele aanleiding het geloof uit het gehoor is. De laatste twee strofen vormen een gebed, dat tevens de toepassing op onze situatie inhoudt. Het wegnemen van de steen wordt vergeleken met het wegnemen van alles wat ons hart bezwaart en het geopende graf wordt vergeleken met de geopende Schriften uit het verhaal van de Emmaüsgangers.
Ritmisch is het lied opgebouwd uit heffingsverzen met vrije opmaat, al zijn ter wille van de zingbaarheid de in de verschillende strofen corresponderende regels gelijk van structuur.

Auteur: Jan Wit


Melodie

Deze melodie is ontstaan als gevolg van een drukfout. Het exemplaar van het melodieënboekje bij het eerste concept van het Liedboek voor de kerken dat schrijver dezes had gekregen bevatte enkele pagina’s wit, waarop per abuis geen melodieën waren afgedrukt. Dat was ook het geval bij dit lied van Jan Wit. De tekst hield hem toen zozeer bezig, dat deze melodie is ontstaan, een melodie die later dan ook als geschikt voor dit lied werd geaccepteerd.

Sfeer en structuur van deze melodie zijn geheel op de tekst afgestemd: de paastriomf in dit lied is niet uitdagend eigenmachtig, maar eerder stil, ingetogen en daardoor des te verrassender, zoals in de evangeliën, met andere woorden het is geen goedkope genade. De opstandingslijn is gemarkeerd in de overgang van regel 4 op 5, die tegelijk ook ritmisch eruit springt. Regel 1 en 2 vormen als het ware een situatieschildering ter inleiding. Het middendeel van het lied wordt gevormd door de regels 3 en 4 die parallel lopen, wat muzikaal is uitgebeeld door een sequens.
Om de regels 4 en 5 aan één stuk door te kunnen zingen is het nodig het tempo niet te langzaam te nemen.
Het lied leent zich goed voor wisselzang, bijvoorbeeld strofe 1 en 5 allen, strofe 2 en 4 vrouwen, strofe 3 mannen.

Auteur: Bernard Smilde


Media

Uitvoerenden: Vocaal Ensemble Cantare Huizen o.l.v. Richard de Vos; Hendrik Jan de Bie, orgel (bron: KRO-NCRV)