Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

868 - Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere


Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren

Joachim Neander
Jan Wit Jan Willem Schulte Nordholt
Stralsund 1665/Halle 1741

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

Lobe den Herren, den machtigen König der Ehren van Neander is één der meest verbreide kerkliederen ter wereld. In ons land was het al lang algemeen bekend in een vertaling van Jan Jacob Lodewijk ten Kate (1819-1889), die ook in de ‘Hervormde Bundel 1938’ voorkomt als gezang 136. Deze vertaling was wel zeer vrij en eigenwijs. Vooral de strofen 2, 3 en 4 zijn bij Neander geheel anders dan bij Ten Kate. Vandaar dat mijn vriend Schulte Nordholt en ik (Jan Wit) ons aan een nieuwe bewerking hebben gezet. Uitgelegd behoeft bij deze vertaling nauwelijks iets. Ik volsta met enkele toelichtingen.

Strofe 1: musiceren: bij Neander Psalter und Harfe, wacht auf.
Strofe 4, regel 1: bij Neander: Lobe den Herren, der deinen Stand sichtbar gesegnet. Bij Stand kan men het beste denken aan het algemeen zich in de wereld bevinden, maar natuurlijk klonk in Neanders tijd ook het andere begrip ‘stand’ door en het is tekenend dat dit lied is gedicht toen het burgerdom begon alle macht en invloed aan zich te trekken.
Strofe 5, regel 2: Neander was als gereformeerde een psalmzinger. Hij wist dus hoe in de psalmen de andere volken telkens worden opgeroepen om de Heer te prijzen tezamen met Israël. Hij ook was de toenmalige synode niet vijandig. Ongeveer tezelfdertijd schreef Eisenmenger zijn schandelijke boek Entdecktes Jodenthum. Zie over de vertaling van Ten Kate mijn artikel Verfraaien en vervromen, Over het vertalen van geestelijke liederen (Kerk en Theologie, 24ste jaargang, nr. 2, april 1973).

Auteur: Jan Wit


Melodie

Neander koos voor zijn lied de melodie van een wereldlijk lied, dat omstreeks 1640 moet zijn ontstaan en in die tijd buitengewoon populair was. De tekst waar deze melodie bij behoorde luidde: 

Seh’ ich nicht blinkende
flinkende
Sterne aufgehen.
Seh’ ich nicht lachende
wachende
Wächter da stehen?
Fällt nicht ein Licht
fallende?
Und sehe nicht
wanende
Herzen der Liebe?

in noten is dat:

Deze sierlijke en muzikale versbouw met glijdend binnenrijm hebben Neander noch andere kerkelijke dichters aangehouden en daarmee hebben ze het lied wel van zijn grootste (muzikale) charme beroofd. Daaruit is ook het geharrewar met de ritmiek ontstaan (zie diverse gezangboeken, o.a. dat van Freylinghausen). Ook de notatie in het Liedboek is, tengevolge van een rijm dat niet aan het oorspronkelijke gelijk is, onevenwichtig. Jammer voor dat ‘naar hartelust zingen en blij musiceren’, – er had méér uit kunnen komen!

Auteur: Willem Vogel

NB.: In het Liedboek is weer het ritme aangehouden zoals dat in alle gezangboeken in Europa voorkomt (red.).