Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

908 - Ik heb U lief, o mijn beminde


Een eerste kennismaking

De dichter Johann Scheffler (1624-1677) is vooral bekend geworden als Angelus Silesius en zijn gedichtencyclus Der cherubinische Wandersmann. Hij was oorspronkelijk luthers, kwam via doopsgezinde vrienden in contact met mystieke schrijvers en ging over naar de Rooms-Katholieke Kerk, waarin meer ruimte is voor mystieke vroomheid. In 1660 werd hij tot priester gewijd.
Het lied ‘Ich will dich lieben, meine Stärke’ is een fraai voorbeeld van bruidsmystiek. Centraal staat de liefdesrelatie van de ziel tot Jezus, maar dit is nauwelijks een Bijbels thema. Als er in de Bijbel wordt gesproken over Christus als bruidegom, dan is de partner de gemeente en niet het individu. Toch maakt het lied indruk door de warmte die uit de tekst spreekt. Daarin valt vooral de verwijzing naar de woorden van de kerkvader Augustinus op: ‘Te laat heb ik U lief gehad, Gij oude en toch zo nieuwe schoonheid, te laat heb ik U liefgehad.’ In strofe 3 is dat geworden tot: ‘Ach, dat ik U zo laat herkende, / Gij die de schoonheid zelve zijt...’
De melodie is ongeveer een eeuw jonger. Geen aria-achtige solomelodie, wat heel goed zou passen bij de tekst, maar een voor gemeentegezang geschikte koraalmelodie.

Auteur: Pieter Endedijk


Ich will dich lieben, meine Stärke

Johann Scheffler
Ad den Besten
Johann Balthasar König

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

Boven dit lied staat in de eerste uitgave van Schefflers Heilige Seelenlust (1657) geschreven: Sie (= Psyche) verspricht sich, ihn (= Jezus) bis in den Tod zu lieben. Het is stellig één van de schoonste voortbrengselen van de barokke bruidsmystiek der zeventiende eeuw, maar als zodanig ook een lied dat op de rand balanceert van het in de kerkelijke liturgie zingbare. Van de hier uitgezongen liefdesrelatie tussen Jezus en de ziel weet de bijbel immers niets, tenzij men het Hooglied als een aanwijzing in deze richting zou willen lezen, – wat in de loop der kerkgeschiedenis dan ook telkens is gebeurd. Weliswaar is er in het nieuwe testament van Christus als de bruidegom sprake, niet alleen in de Openbaring maar in zekere zin ook al in de evangeliën, maar de partner van Christus’ liefde is daar toch niet de individuele mensenziel, veeleer de gemeente. Men denke in dit verband vooral ook aan Efeziërs 5,22-24!

De eerste regel – in het Duits: Ich will dich lieben, meine Stärke – gaat stellig terug op Psalm 18,2. Behalve enkele andere toespelingen op bijbelplaatsen, zijn in het lied vooral reminiscenties aan vroegere christelijke schrijvers herkenbaar. In strofe 3 horen we Augustinus’ woorden: ‘Te laat heb ik U lief gehad, Gij oude en toch zo nieuwe schoonheid, te laat heb ik U liefgehad!’. In de laatste strofe sluit Scheffler zich aan bij Bernard van Clairvaux (1090-1153) en bij Meister Eckart (±1260-1328), die het beiden een kenmerk van het ware geloof achtten, dat de mens God dient zonder daarvoor loon te verwachten, omdat immers het geloof zelf al genoeg heerlijkheid betekent. Het is duidelijk, dat Johann Scheffler hiermee opponeerde tegen de orthodoxie, die de hemelse zaligheid centraal had gesteld. Dat zulk een opvatting in het geheel niet strookte met zijn eigen mystieke gezindheid, spreekt vanzelf.

Auteur: Ad den Besten


Melodie

De mystieke liederen van Johann Scheffler (Angelus Silesius), ontstaan in 1657, na zijn overgang tot het katholicisme en gepubliceerd in de vier delen van zijn gedichtenbundel Heilige Seelenlust, werden aanvankelijk door de Breslauer componist Georg Joseph (±1620-±1668) mit ausbündig schönen Melodien geziert. Ook Martin Schneider te Liegnitz heeft veertig Schefflerteksten getoonzet als Arietten voor zangstem met soloinstrumenten.

De Lübecker organist Dietrich Buxtehude (±1637-1707) onderging van Silesius grote invloed, evenals trouwens zijn verre opvolger Hugo Distler (1908-1942), die onder andere in zijn Totentanz enkele Spruchdichtungen van Silesius uit Der Cherubinische Wandersmann toonzette.

De tekst van het onderhavige lied Ich will dich lieben, meine Stärke kreeg in het Gesangbuch van Joh. Anast. Freylinghausen (Halle 1704) de melodie mee van het bekende Schönster Herr Jesu uit 1677.

De huidige melodie werd eerst in 1738 aan de tekst verbonden, namelijk. door Johann Balthasar König in zijn Harmonischer Liederschatz, het omvangrijkste koraalboek van de achttiende eeuw. Eigenlijk pas daardoor werd het tot evangelisch koraal. Het is niet geheel zeker dat König zelf de vervaardiger is. In elk geval toont deze melodie de meesterhand: in de klassieke Barvorm gegoten, sluit zij zich voortreffelijk aan bij de uit de sfeer van de contrareformatie stammende tekst.

Auteur: Evert Westra


Media

Uitvoerenden: Matinencantorij o.l.v. Wim Kloppenburg; Peter Ouwerkerk, orgel (strofen 1, 3, 4, 7) (bron: KRO-NCRV)