Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

245 - ’k Wil U, o God, mijn dank betalen


Herman Adriaan Bruining
Halle 1704 (gewijzigd)
Die Tugend wird durchs Kreuz geübet

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

In de Evangelische Gezangen van 1806 komt een vijf strofen tellend gezang 180 voor onder het opschrift ‘Avondzang’. In de ‘Hervormde Bundel van 1938’ werd het gezang 280 in de rubriek ‘Morgen, middag, avond’. In het Liedboek voor de kerken werd het gezang 390. Overigens is het lied na 1806 in diverse gezangen- en liederenbundels opgenomen, zoals bijvoorbeeld in de bundel Christelijke Gezangen van de Evangelisch-Lutherse Kerk (1884) en in Doopsgezinde Liederen (1895). Van het oorspronkelijke lied zijn in het Liedboek de verzen 1, 2 en 5 opgenomen.

De groep avondliederen heeft in de geschiedenis van het kerklied een eigen plaats. Voortgekomen uit, en afgestemd op vooral de getijdendienst (vespers) en het huiselijk avondgebed is er een type lied ontstaan waarin in het bijzonder de tegenstelling licht-duisternis zich nadrukkelijk heeft ontwikkeld. Licht wil zeggen morgen, morgenster, zon, dag, engel, God, Christus, opstanding, eeuwig leven. Duisternis is avond, nacht, sterven, aanvechtingen, zonde, dood, satan, deze bedeling. Zo zijn vaak in de avondliederen de verschillende ‘lagen’ te onderkennen: de avond als einde van de dag, als einde van ons leven, als einde van deze ‘aioon’. Het is op een enkele plaats in Liedboek 245 herkenbaar.

Meer dan eens is bij dit lied verondersteld, dat het een bewerking is van een Duits gezang. A.W. Bronsveld heeft in dit verband gewezen op het lied ‘Für alle Güte sey gepreist’ van Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769) (Bronsveld 1817, blz. 448). Er zou echter inderdaad op andere Duitse liederen gewezen kunnen worden. Zo bijvoorbeeld op een door Emilie Juliana von Schwarzburg-Rudolstadt (1637-1706) voor de zaterdagavond gemaakt lied, waarvan ik de eerste twee coupletten vermeld:

Gott! mein Herz dir Dank zusendet,
dir ich Preis und Ehre sag,
dasz die Woche wohl geendet,
jeder Tag mit seiner Plag,
jede Arbeit, Sorg und Müh,
was mir abgewogen hie:
dafür an der Wochen Ende
rühm ich deine Vaterhände.

Diese haben mich getragen,
mich gekleidet und gespeis't,
Engelwach um mich geschlagen,
steten Schutz und Hülf geleist't,
alles Leid von mir gekehrt,
Seel'n- und Leibesgut beschert,
so dasz ihrer ich geniesze,
glücklich diese Woche schliesze.

Nu is het op zichzelf niet zo belangrijk om het lied te kunnen aanwijzen dat Bruining als voorbeeld en inspiratiebron heeft gediend. Dat het ook moeilijk uit te maken is hangt mede samen met de opvallend gelijke structuur en inhoud van de meeste Duitse protestantse avondliederen. Zij hebben zich namelijk vrijwel alle gericht naar de aanwijzingen die Luther in zijn Kleine Catechismus heeft gegeven voor de avondlijke huisdienst:

Des Abends, wenn du zu Bette gehest, sollst du dich segnen mit dem heiligen Kreuze und sagen: Des walt Gott Vater, Sohn, heiliger Geist! Amen.
Darauf kniend oder stehend den Glauben und Vaterunser. Willst du, so magst du dies Gebetlein dazu sprechen: ‘Ich danke dir, mein himmlischer Vater, durch Jesum Christ, deinen lieben Sohn, dasz du mich diesen Tag gnädiglich behütet hast. Und bitte dich, du wollest mir vergeben alle meine Sünde, wo ich Unrecht getan habe, und mich diese Nacht gnädiglich behüten. Denn ich befehle mich,mein Leib und Seele und alles in deine Hände. Dein heiliger Engel sei mit mir, dasz der böse Feind keine Macht an mir finde! Amen.’ Und alsdann flugs und fröhlich geschlafen.

De contouren van Luthers avondgebed zijn in Bruinings lied – zeker wanneer alle oorspronkelijke vijf strofen worden geraadpleegd inderdaad nog te herkennen.

Daarbij moet er ook nog rekening worden gehouden met het feit, dat bij het werk van de voorbereidingscommissie voor de bundel-1806 anderen dan Bruining aan de tekst hebben geschaafd. Bronsveld heeft bijvoorbeeld een duidelijk voorbeeld gegeven van de redigerende arbeid van ds. Abraham Rutgers (1751-1806).

Woordelijke verwijzingen naar de bijbeltekst zijn nauwelijks aan te geven.

Auteur: A.C. Honders

Literatuur:

A.W. Bronsveld, De evangelische gezangen. Utrecht 1917, blz. 42-45, 447-448.


Melodie

Vele melodieën uit Johann Anastasius Freylinghausens (1670-1739) dikwijls herdrukte Geistreiches Gesangbuch waren genoteerd in een driedelige maatsoort en hadden soms een dansachtig ritme. In andere streken van Duitsland, waar het tempo van het kerklied steeds langzamer werd en men het ritme ging verstrakken tot allemaal noten van gelijke waarde, had men dan ook veel kritiek op de piëtistische liederenbundels. Dit neemt niet weg, dat het boek van Freylinghausen ons toch een aantal waardevolle melodieën heeft geschonken. Eén daarvan is via de bundel Evangelische Gezangen (1806) in Nederland zeer populair geworden, zij het dan in een latere vorm, en wel bij het avondlied: ‘’k Wil U, o God, mijn dank betalen’.

Bij Freylinghausen staat deze melodie bij het lied ‘Die Tugend wird am Kreuz geübet’; in latere bundels vindt men haar nog bij vier andere teksten; bij de tekst: ‘Wie gross ist des Allmächt’gen Güte’ komt zij ook in rooms-katholieke bundels voor. De melodie blijft ook in de negentiende eeuw geliefd.

In de eerste druk noteert Freylinghausen haar in G-groot met twee kruisen, in de tweede en latere drukken met één kruis; de leidtoon aan het slot van de tweede regel is dan met een toevallige verhoging genoteerd. Door het wegnemen van de gepunteerde ritmen en het veranderen van enkele intervallen had deze melodie, zoals we haar sinds de 19de eeuw hier kenden, veel van haar oorspronkelijke frisheid verloren. Herstel naar de oorspronkelijke versie betekent hier zeker grote winst. Wel bleek het gewenst, enkele barokke versieringen van de eerste vorm te vereenvoudigen. Zo noteert Freylinghausen in de eerste druk regel 6 als volgt:

 

In de tweede druk van 1708 met dit slot:

De tweede regel eindigt daar als volgt:

De melodie is in gevarieerde Barvorm geschreven. Zij vraagt een vlot tempo, waarbij telkens twee regels als een eenheid gezongen kunnen worden.

In het Liedboek wordt behalve nr. 390 ook nr. 800 door deze zangwijs gedragen.

Auteur: Bernard Smilde