Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

412 - Wij loven U, o God, belijden U als Heer


Ahasverus van den Berg
Genève 1562
Psalm 89

Tekst

Te Deum

Het lied van Ahasverus van den Berg is een strofische bewerking van het oudkerkelijke Te Deum. Volgens een legende uit de achtste eeuw zouden de kerkvaders Ambrosius van Milaan (339-397) en Aurelius Augustinus (354-430) deze hymne gezamenlijk gemaakt hebben, en dat ter gelegenheid van de doop van laatstgenoemde tijdens Pasen van het jaar 387.

Tegenwoordig wordt aangenomen dat zij de auteurs niet zijn geweest, en dat de gebruikte aanduiding ‘Ambrosiaans lofgezang’ evenmin correct is. Men heeft ook wel Nicetas van Remesiana (±366-420) als auteur aangewezen. Het staat echter vast dat het Te Deum gedeelten bevat die ouder zijn en waarvan Nicetas van Remesiana hooguit de redactie gevoerd zou kunnen hebben. Kortom, over het auteurschap van het Te Deum bestaat veel onduidelijkheid.

Nederlandse vertalingen

De vroegst bekende Nederlandstalige strofische bewerking van het Te Deum treffen we aan in de Souterliedekens (Antwerpen 1540): ‘Den lof sanck Augustini ende Ambrosij Te Deum laudamus te’. Het zeventien strofen tellende lied werd gezongen op de melodie van Christe qui lux es et dies, de hymne waarvan de melodie van ‘O Christus die de zonne zijt’ (Liedboek 239) afgeleid is. De Latijnse tekst stond in de kantlijn weergegeven.

Er verschenen sindsdien meer Nederlandse Te Deum-bewerkingen. De lutheranen gebruikten vertalingen, onder meer van Willem van Haecht (1579) en Johannes Ligarius (1625), van Martin Luthers bewerking van het Te Deum: Herr Gott, dich loben wir.

De gereformeerde Pieter de Bisschop (??-1598), bekend om zijn fanatieke bestrijding van doopsgezinden, publiceerde een strofische berijming in zijn Sommighe Daghelijcsche Ghebeden (Rotterdam 1595). Deze Te Deum-berijming diende gezongen te worden op de Geneefse melodie van Psalm 89. Dat gold ook voor de Te Deum-berijming van François Halma (1653-1722) in diens ’t Gereformeert Gezangboek, over de voornaamste gevallen en waarheden van ’t Christendom (Leeuwarden 1712).

Bewerking Van den Berg

Ah. van den Berg was dus niet de eerste die een Nederlandse bewerking van het Te Deum schreef. Hij was zelfs niet de eerste die er een strofische bewerking van maakte op de melodie van de Geneefse Psalm 89.

De tekst werd voor het eerst gepubliceerd in het ‘Bijvoegsel’ bij Van den Bergs Proeven van geestelijke oden en liederen, Vierde Deel (Utrecht 1805, pag. 125-126). Dit ‘Bijvoegsel’ bevatte drie liederen die Van den Berg tussen februari en oktober 1805 maakte en die hem ‘ook tot huislijk gebruik geschikt voorkomen’ (Voorrede, pag. XVI).

De Te Deum-bewerking raakte bekend en populair. We komen het lied niet alleen in hervormde liedbundels tegen, maar ook in lutherse, vrijzinnige en gereformeerde. Toen de Gereformeerden in 1933 een eerste voorzichtige uitbreiding van hun gezangenbundel doorvoerden, behoorde het Te Deum van Ahasverus van den Berg tot de liederen die daarin werden opgenomen (Eenige Gezangen, gezang 23).

Inhoud

De oorspronkelijke tekst van het Te Deum valt in drie gedeelten uiteen. Het eerste deel bevat een aanbidding van God waarbij niet alleen ‘wij’ maar de hele hemel en aarde betrokken zijn. Het deel loopt uit op het citeren van het ‘Sanctus’ (Jesaja 6,3). Deel 2 van het Te Deum handelt over Christus, die beleden wordt als koning, verlosser en rechter. Daarbij worden bewoordingen gebruikt die sterk doen denken aan de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. In het derde deel wordt om ontferming en bewaring gebeden, waarbij vooral woorden uit psalmen (onder andere 31,7; 33,22; 123,3; 145,2) gebruikt worden.

De eerste strofe van Van den Bergs lied bewerkt het volgende gedeelte van het Te Deum (vertaling uit: Getijdenboek. Gebeden voor elke dag; Brussel-Zeist 1990, blz. 667-668):

U God, loven wij, U Heer, prijzen wij.
U, eeuwige Vader, eert heel de aarde.
Tot U roepen alle engelen, tot U de hemelen en alle machten.
Tot U roepen Cherubijnen en Serafijnen die zonder ophouden zingen:
Heilig, heilig, heilig de Heer, de God der hemelse machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

De tweede strofe van Van den Bergs lied is een bewerking van het volgende Te Deum-gedeelte:

U looft het roemvol koor der apostelen,
U het lofwaardig getal der profeten,
U looft de blanke stoet der martelaren.
U prijst de heilige Kerk over heel de aarde:
U, Vader, onmetelijk in majesteit;

Ahasverus van den Berg legt in zijn berijming de nadruk op de eenheid van de kerk in hemel en op aarde.De woorden ‘onmetelijk in majesteit’ uit het Te Deum breidt Van den Berg uit met ‘oneindig in vermogen’, ‘onpeilbaar in verstand’ en ‘onmeetbaar in meêdogen’.

Strofe 3 van Van den Bergs bewerking borduurt in de eerste regel verder op de laatste regel van het vorige gedeelte (‘U, Vader, onmetelijk in majesteit’), en is verder een uitwerking van de volgende regels uit het Te Deum:

U, eniggeboren Zoon, waarachtig en hoog verheven;
U, heilige Geest, de Vertrooster.

Meer dan in de andere coupletten heeft Van den Berg in strofe 3 elementen ingebracht die niet in het Te Deum stonden. Dat geldt bijvoorbeeld voor regel 3, waarin hij verwijst naar Johannes 14,16 (‘Ik zal den Vader bidden, en Hij zal  een anderen Trooster geven’, Statenvertaling), en regel 4 die een referentie bevat aan Johannes 16,13: ‘…de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden’ (Statenvertaling).  

In het vierde couplet weet Van den Berg weer dicht bij de oorspronkelijke Te Deum-tekst te blijven. In dit couplet verwoordt hij het volgende gedeelte:

Gij, Christus, Koning der glorie,
Gij zijt de enige Zoon van de Vader.
Gij, die om de mens verlossing te brengen
geen vrees hebt gehad voor de schoot van de Maagd.
Gij die de prikkel van de dood hebt overwonnen
en voor de gelovigen het hemels rijk hebt geopend.

De vijfde strofe bewerkt het volgende gedeelte uit het onberijmde Te Deum:

Gij zit aan Gods rechterhand in de glorie van de Vader.
Gij zult als rechter komen, zoals wij geloven.
U dan smeken wij: kom uw dienaars te hulp,
die Gij door uw kostbaar bloed hebt gered;
Laat ons geteld worden onder uw heiligen in de eeuwige heerlijkheid.

Deze laatste strofe van Van den Bergs lied vertolkt het laatste gedeelte van het Te Deum:

Red, Heer, red uw volk en zegen uw erfdeel,
hoed hen, en draag hen voor immer.
U willen wij prijzen iedere dag,
uw naam verheerlijken voor altijd.
Wees genadig, Heer, spaar ons deze dag voor de zonde.
Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons.
Laat uw barmhartigheid neerdalen over ons,
zoals ons vertrouwen uitgaat naar U.
Op U, Heer, is onze hoop gevestigd;
beschaam ons niet in eeuwigheid.

Huidige versie

De versie van het Te Deum-lied van Van den Berg die in het Liedboek voor de kerken (gezang 399) stond en die in het Liedboek ongewijzigd is overgenomen, wijkt op een paar plaatsen af van de oorspronkelijke liedtekst. In de eerste strofe sprak Van den Berg serafs en engelen aan:

Zingt Serafs, Englen zingt! Heft magten aan en tronen!
Onafgebroken rijz’ uw lied op hoge tonen!

In de Liedboek-versie worden deze hemelbewoners niet meer aangesproken, wat in de oorspronkelijke tekst van het Te Deum ook niet gebeurt; er wordt daar geconstateerd dat deze hemelfiguren de lofprijzing zingen.

Ook de wijzigingen die in het Liedboek voor de kerken in het tweede gedeelte van strofe 4 werden aangebracht, zijn in het Liedboek gehandhaafd. De oorspronkelijke tekst luidde:

Gij werdt, den mensch tot heil, uit eene maagd geboren;
Gij hebt aan ’t kruis voor ons den dood zijn magt ontnomen,
Zoo baandet G’ ons den weg om weêr tot God te komen.

In strofe 5 luidde de laatste twee regels:

Blijf ons, uw erfenis, door uwe magt bewaren,
Wil, met uw heilgen, ons voor uwen troon vergâren.

Strofevorm

Uiteraard heeft het lied dezelfde strofevorm als die van Psalm 89 uit het Geneefse psalter. Binnen dit psalter heeft deze psalm opmerkelijk lange versregels: 12-12-13-13-13-13 lettergrepen in de jambische versvoet. Het rijmschema is A-A-b-b-c-c (gepaard rijm).


Melodie

Ontstaan en verspreiding

De melodie van Psalm 89 werd voor het eerst gepubliceerd in de volledige versie van het psalter: Les Pseaumes mis en rime francoise Par Clement Marot & Theodore de Beze (Genève 1562). De nieuwe berijmingen in deze uitgave waren uiteraard voorzien van een melodie: bij een aantal berijmingen werd gekozen voor een reeds bestaande psalmmelodie, zo’n veertig andere nieuwe berijmingen werden voorzien van een nieuwe melodie.

Deze nieuwe melodieën werden gecomponeerd door een zekere ‘Maître Pierre’. Daarmee wordt naar alle waarschijnlijkheid Pierre Davantès (±1525-1561) bedoeld, die vanaf maart 1559 als musicus werkzaam was in Genève. De melodie van Psalm 89 was gemaakt bij de berijming die Théodore de Bèze (1519-1605) van de psalm gemaakt had: Du seigneur les bontés sans fin je chanteray. De melodie stond als volgt afgedrukt in de bundel:

 Het is tegenwoordig niet goed meer voor te stellen, maar tot en met de achttiende eeuw was de melodie noch de psalm erg geliefd. De populariteit groeide in de negentiende en twintigste eeuw echter aanzienlijk. Vooral het Te Deum-lied van Ahasverus van den Berg droeg hieraan bij, hoewel ook een aantal coupletten uit de psalmberijming zelf zeer graag werd gezongen. Zodoende behoort de melodie sinds de negentiende eeuw tot de vijf meest populaire psalmmelodieën.

Analyse

In een muziekcultuur die al eeuwen beheerst wordt door majeur- en mineurtoonsoorten, lijkt de psalmmelodie op het eerste gezicht in G groot te staan. In feite evenwel staat de wijs in de hypo-lydische modus, waarbij (met een kruis als voortekening) de g’ finalis is en de b’ de dominant. Dit maakt meteen duidelijk waarom de b’ zo’n belangrijke rol speelt in de melodie en niet de d die immers de dominant van G-groot is.

De eerste regel, die in de tweede herhaald wordt, bevat vrijwel alle elementen die de melodie karakteriseren:

1. Allereerst kan de omvang van een octaaf (d’-d”) genoemd worden, die in alle melodieregels – met uitzondering van de laatste – (vrijwel) geheel benut wordt. De eerste melodieregel opent in een laag toonbereik dat loopt van d’ tot b’, in solmisatietermen: het hexachordum naturale. De tweede helft van de melodieregel 1 beweegt zich in het hogere toonbereik g’-d”, ook wel het hexachordum molle genoemd:

Wanneer we nu naar de andere melodieregels kijken, zien we dat ze alle – met uitzondering van de laatste – dit hoge en lage toongebied aan elkaar verbinden. Bijvoorbeeld: de eerste helft van regel 3, die een omspeling van de dominanttoon b’ omvat, opent in het hoge gebied en daalt in de tweede helft af naar het lage. Regel 4 laat de omgekeerde beweging zien van hexachordum naturale naar hexachordum molle, eindigend op de dominanttoon.

2. Een andere element uit de eerste regel is het kwartinterval, al dan niet opgevuld, dat in de hele melodie een centrale rol speelt. De opening van de regels 1, 2 en 4 laten een deels opgevulde kwart zien, evenals het einde van de regels 2, 3, 5 en 6, waar we de karakteristieke hypolydische wending fa-mi-re-do aantreffen. Het kwartinterval als sprong komen we ook in alle regels tegen, met uitzondering van de laatste. De vierde regel bevat zelfs vier kwartsprongen, wat deze regel de meest robuuste maakt van de hele melodie.

Samen met de hierboven genoemde grote omvang waarin alle melodieregels zich bewegen zorgt de centrale positie van het kwartinterval ervoor dat de melodie een plechtig en vreugdevol karakter heeft.

3. Een laatste aspect van de eerste regel dat we in de overige regels ook tegenkomen, betreft de ritmische structuur. Met uitzondering van de laatste regel hebben alle regels hetzelfde ritmische patroon (met een variant aan het einde van de regel 1 en 2):

Hierboven heb ik al een paar keer en passant genoemd dat de laatste regel zich van de voorgaande vijf onderscheidt. Ook ritmisch gaat deze regel zijn eigen weg, vooral in de eerste helft met een ritme dat vanaf de tweede noot tot zesde noot tegen de tactus ingaat. Het slot van de regel herneemt het ritme dat in de voorgaande drie regels gebezigd werd.


Liturgische bruikbaarheid

De geschiedenis door heeft het Te Deum vooral gefunctioneerd in de getijden. De vroegst bekende bron over het liturgisch gebruik van deze lofzang dateert uit het begin van de zesde eeuw. De hymne had toen een plek in het morgenofficie van de zondag, als canticum in de lauden. Latere bronnen melden dat het Te Deum ook aan einde van de metten op zon- en feestdagen gezongen werd. Nog weer van latere datum is het gebruik de hymne te zingen bij processies en plechtige diensten, zoals wijdingen van bisschoppen en koningen.

In de bundel CL Geestelyke Gezangen, Welke in de Gereformeerde Kerken van Cleve, Gulik, Berg en Marksland gezongen worden van A. Velingius stond boven de twee Te Deum-liederen bij welke gelegenheden ze gezongen konden worden:


In het Liedboek zijn Te Deum-bewerkingen (411 tot en met 413) geplaatst in de rubriek ‘De eerste dag’ tussen de subrubrieken ‘Maaltijd van de Heer’ en ‘Afsluiting’. Daarmee wordt de mogelijkheid aangereikt de hymne als slotzang op feestdagen aan te heffen.

Auteur: Jan Smelik