Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

473 - Er is een roos ontloken


Een eerste kennismaking

Het zestiende-eeuwse lied Es ist ein Ros entsprungen is in Duitsland altijd populair geweest. De tekst spreekt over de roos als beeld voor Maria. De roos is vermoedelijk een verwijzing naar Jesaja 11,1-2. De oorspronkelijke tekst van dit Marialied bevat meer volksvroomheid dan bijbelse verwijzingen, en daarom was een vertaling bestemd voor het Liedboek voor de kerken niet zo zinvol. Jan Wit schreef, geïnspireerd door het Duitse voorbeeld, een nieuw lied, gebaseerd op de motieven in het oorspronkelijke lied: de roos in de winter (strofe 1) als beeld voor Maria (strofe 2), maar rood als bloed (strofe 3).
De dichter heeft enkele fraaie poëtische stijlkenmerken gebruikt: de rijmloze zesde regel van elke strofe laat klankrijm zien (‘bloeien’, ‘groette’, ‘bezoeken’) en in de laatste regel van elke strofe herkent men beeldrijm (‘in ’t midden van de nacht’, ‘in ’t midden van de tijd’, ‘in ’t midden van de dood’).
De populariteit van dit lied, in het bijzonder in de Duitstalige landen, heeft een ware schat aan kerkmuziek opgeleverd.
Hoewel het lied in het Liedboek een plaats heeft gekregen in de rubriek ‘Kersttijd’, kan het, vanwege de verwijzing naar de Jesajaprofetie, ook heel goed in de advent worden gezongen.

Auteur: Pieter Endedijk


Jan Wit
Keulen 1599

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor deze website.

Es ist ein Ros entsprungen is hoogst waarschijnlijk reeds gedurende de zestiende eeuw in de bisdommen Trier, Speier en Mainz mondeling verbreid geweest. De oudste gedrukte tekst komt voor in het Speierisches Gesangbuch van 1600. Daarna wordt het snel in andere katholieke gezangboeken overgenomen.
Het lied heeft oorspronkelijk 23 strofen. In andere gezangboeken komen kortere versies voor, maar er bestaan zelfs ook langere. In al deze teksten wordt de roos op Maria betrokken. Strofe 2,1-4:

Das Röselein das ich meine,
davon Isaias sagt,
ist Maria die reine,
die uns das Blümlein hat bracht.

Michael Praetorius die in de uitgave Musae Sioniae VI (1609, nr. 53), het lied tot de eerste twee strofen beperkt, verhelpt de aanstoot voor protestanten door te schrijven (strofe 2,3-4):

hat uns gebracht alleine
Mary die reine Magd.

De hele middeleeuwen door wordt Maria in de geestelijke poëzie als roos aangesproken. De zinspeling op Jesaja (vermoedelijk is bedoeld Jesaja 11,1-2) heeft later, en vooral protestanten, ertoe gebracht in plaats van Ros en Röslein, Reis en Reislein te schrijven en te zingen.

Uiteraard was het voor ons de vraag wat wij precies met dit Marialied aan moesten. Het is echter in verschillende gekuiste vormen zozeer geliefd geworden, dat het niet aanging het weg te laten. Ik heb toen getracht naar de motieven en op de melodie van het oude lied iets nieuws te maken. De overgenomen motieven zijn: strofe 1, een roos ontloken in de winter, voorzegging door de profeten, het geslacht van David, in het midden van de nacht; strofe 2, de maagd Maria en de engel Gabriël; strofe 3, Jesaja en de vooraankondiging van het lijden. De rijmloze regels (Waisen), namelijk de zesde regel van iedere strofe, zijn in deze versie door assonantie met elkaar verbonden: strofe 1: ‘bloeien’, strofe 2: ‘groette’, strofe 3: ‘bezoeken’. De slotregels zijn door beeldrijm met elkaar verbonden: in het midden van de nacht, in het midden van de tijd, in het midden van de dood.
Het is verheugend dat deze vorm van het lied nu weer van ons Liedboek uit de weg terug naar onze katholieke medechristenen gevonden heeft.

Auteur: Jan Wit


Melodie

De vroegste weergave van de melodie is gevonden in een handschrift uit 1588. Aangenomen wordt dat het lied uit Trier of omgeving stamt. Er wordt vanuit gegaan dat eerdere versies van de melodie van voor de zestiende eeuw dateren. Het lied verscheen met de ons bekende melodie voor het eerst in druk in Alte Catholische Geistliche Kirchen-geseng, ook genoemd Das Speyerer Gesangbuch von 1599, in dat jaar in Keulen uitgegeven.

‘Es ist ein Ros entsprungen’ in Alte Catholische Geistliche Kirchen-geseng

Hoe bijzonder is het dat een zo wonderschone melodie met zulke eenvoudige middelen is opgebouwd. Het basismotief van de melodie sol-la-sol-mi (c”-d”-c”-a’) komt overeen met menig kinderlied en komt drie keer voor (regel 1, 3 en 6), maar wie zal de melodie associëren met die kleuterdeun? Opvallende intervallen kent de melodie niet; naast enkele tertssprongen bestaat de melodie alleen uit secundeschreden. Het tweede melodische motief dat de melodie draagt, is niet meer dan een dalende viertoonsmelodie fa-mi-re-do (bes’-a’-g’-f, zie regel 2, 4 en 7). Regel 5 is gebouwd op de dalende tertsintervallen zoals die aan het einde van de regel 1, 3 en 6 voorkomt.
De toonsoort is F-hypolydisch. De melodie speelt zich grotendeels af in het hexachord molle, regel 5 wijkt uit naar het hexachord naturale. De genoemde basismotieven zijn karakteristiek voor lydisch.
De vorm lijkt saai door de vele herhalingen: A-B-A-B-C-A-B, maar de melodie verveelt nooit. Het is de Bar-vorm in de meest pure vorm: de twee identieke openingsregelparen worden na een afwijkende melodieregel aan het slot herhaald.

De vierstemmige koorzetting van Michael Praetorius (1571-1621) uit zijn Musae Sioniae VI (1609) mag als bijna obligaat gelden. De eenvoud van de melodie weet Praetorius in deze zetting te evenaren. Uiteraard is deze zetting in de kooruitgave bij het Liedboek opgenomen. Combinatie van melodie en zetting zal wel gezorgd hebben voor de grote populariteit van het lied.

Schoonheid is niet in woorden te beschrijven. Misschien dat Willem Vogel in zijn toelichting bij deze melodie de kern raakt: ‘De melodie is als een stil brandende kaars; ze vraagt om een meditatieve houding en voert tot stille aandacht en aanbidding’ (Een Compendium, k. 367). Zo geldt voor deze melodie zeker dat eenvoud kenmerk van het ware is.

Auteur: Pieter Endedijk


Media

Uitvoerenden: Projectkoor OAZE o.l.v. Wim Ruessink; Janieke Mollenhorst, orgel (bron: KRO-NCRV)