Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

626 - Ik zoek mijn Heer, met graf is leeg


Evert Louis Smelik
Jaap Geraedts

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

In dit lied wordt de zingende gelovige gesteld op de plaats en in de stemming van Maria, die Christus niet herkende, toen Hij na de opstanding aan haar verscheen. Zij was door droefenis verblind. De korte slotregels van iedere strofe zijn telkens een samenvatting van de situatie. Zij ontlenen hun ritme aan het woord van Jezus: raak mij niet aan! In de laatste strofe, waar het gedicht tot een vreugdevolle belijdenis wordt, is het afwerend woord tot een omvattend woord geworden.

Auteur: Evert Louis Smelik


Melodie

Dit lied kent geen wijde verspreiding; het komt ‘slechts’ voor in het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 81) en het Liedboek. De melodie ervan werd geschreven in februari 1966. De in de tekst geschilderde scène in het vroege ochtendlicht is aanvankelijk vol van verdriet en verwarring, maar ook van kalmte en intimiteit. Het is deze sfeer die Jaap Geraedts raak getroffen heeft in zijn melodie. Deze zoekt tastend haar weg langs kleine intervallen in de introverte frygische modus – of is het toch een nimmer ‘thuiskomend’ e-mineur?

De melodie bestaat geheel uit secunden en enkele tertsen. Repeterende noten komen niet voor en ook tussen de regels houdt de componist de stapsgewijs verlopende melodiek vol. In de derde regel wordt de terts geïntroduceerd, die datzelfde interval in de slotwending van de melodie voorbereidt.

De melodie is terug te voeren op slechts twee motieven. Zie daarvoor het notenvoorbeeld. Het gebruik van korte melodische motieven in de opbouw van een melodie is een compositietechniek die al gevonden wordt in de voormiddeleeuwse hymnen, maar bijvoorbeeld ook in de kerkliederen van Willem Vogel. Als resultaat ontstaat een doorgaans grote compactheid en een sterk innerlijk verband die de melodie karakter verlenen.

Ook de gebruikte ritmiek is zeer overzichtelijk; lang-kort-kort-lang is de ritmische bouwsteen. Dat metrum wordt in de derde regel doorbroken met de opmatige figuur na de kwartrust. Is dat Maria’s snik uit de eerste strofe? In de korte slotregel is een vertraging ingebouwd. Deze geeft de slotregel extra nadruk en gewicht. Die regel eindigt in vijf van de acht strofen dan ook met een uitroepteken.

De wijs van Geraedts vraagt om een kalme beweging van zo’n 54 halve noten per minuut. De wijze van uitvoeren wordt door de componist als volgt omschreven: ‘Teneinde de eigen bekoring van deze melodie recht te doen wedervaren, is het zaak bij het zingen een dóórlopende, vloeiende beweging na te streven’ (geciteerd door Wim Kloppenburg in: Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken, Amsterdam 1977, k. 280).

Auteur: Christiaan Winter