Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

933 - Gij ziet ons vechten met de macht


Een eerste kennismaking

Een lied bij het evangelie over Jezus’ gang op het meer (Marcus 6,45-52). Het werd in 1982 voor een doopdienst geschreven door Jan Peter Schouten (*1949), toen juist dit Bijbelgedeelte aan de orde was. Met dit lied zingt de gemeente niet over dit verhaal, maar zij zijn zelf de discipelen: ‘Gij ziet ons vechten met de macht / van dood en chaos, angst en nacht’ (strofe 1). Vanuit dat perspectief verwoordt de dichter in de derde strofe een nieuw perspectief, waar je als lezer van het verhaal nauwelijks besef van hebt: als de storm is gaan liggen, zie je over de golven het land aan de overzij.
Oorspronkelijk was de tekst geschreven op de melodie van een ander dooplied: ‘Het water van de grote vloed’ (Liedboek 350), dat op zich ook weer een contrafact is van de oude pinksterhymne ‘Komm, Gott, Schöpfer, Heiliger Geist’ (in vertaling Liedboek 670). Daarom wordt in het lied van Jan Peter Schouten om de geestkracht gebeden (strofe 3). Wim Ruessink (*1965) schreef voor het vierde deel van Zingend Geloven (1991) een nieuwe melodie, die voor het Liedboek weer enigszins werd aangepast. Een melodie die hoorbaar de golven laat klinken, vooral in de laatste regel.

Auteur: Pieter Endedijk


Jan Peter Schouten
Wim Ruessink

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 4’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.  

Jan Peter Schouten schreef in een toelichtende brief over dit lied: ‘Dit lied heb ik geschreven voor een doopdienst op 1 augustus 1982 in de St. Martinuskerk te Halsteren. Wij lazen in die tijd het evangelie van Marcus en wij waren voor deze zondag toe aan het verhaal van Jezus’ gang over het meer (Marcus 6,45-52). Het lied is een typisch schriftgezang: het volgt de evangelieperikoop op de voet. Het is echter geschreven vanuit de positie van de leerlingen, worstelend in hun boot op het water. Zo wordt het een gebed om Gods aandacht en bijstand in de dreiging van duistere machten. De eerste schriftlezing in de dienst was het slot van het zondvloedverhaal (Genesis 9,8-17); hierdoor werd de interpretatie van het water als de vernietigende doodsmacht, de chaos van den beginne, nog versterkt.

Wat mij in het bijzonder boeide in het evangelieverhaal is het gaan liggen van de wind (Marcus 6,51). Wanneer de Heer bij de zijnen aangekomen is, zijn zij daarmee nog niet aan wal gekomen: er moet verder geroeid worden en het dreigende water omgeeft hen nog altijd. Maar als de stormwind is gaan liggen, kun je weer over het water heen kijken naar het doel. Dit element wordt in de derde strofe van het lied uitgewerkt. Ik las in die tijd veel in het werk van Ida Gerhardt en dat is dan ook wel te zien in de laatste regel (vergelijk ‘Het andere land’ in de bundel Het veerhuis).

De drie strofen hebben als rijmschema: A-A-B-B


Melodie

Jan Peter Schouten zegt over de melodie: ‘Het lied werd geschreven om gezongen te worden op de wijs van ‘Het water van de grote vloed’ (Liedboek 350). Het is natuurlijk niet voor niets, dat juist deze melodie zich opdrong bij dit thema, en dan nog wel in een doopdienst. Ook in Barnards dooplied is het water immers ‘de diepte van de dood’. Nu hoort de bewuste melodie oorspronkelijk bij het oudkerkelijke Pinksterlied Veni, Creator Spiritus. En dat bracht mij ertoe om in mijn lied expliciet om Gods geestkracht te bidden (derde strofe, tweede regel). Maar ik ben blij, dat het lied nu zelfs twee nieuwe melodieën heeft gekregen!’

Direct met de eerste regel van zijn melodie wekt Wim Ruessink de indruk een melodie te hebben geschreven van klassiek dorische gestalte – wel dorisch... niet klassiek: zie regel 2 en 4. Met hun grote omvang en gebroken septiemakkoord klinken deze regels beslist niet meer klassiek, maar nog steeds in de stijl van de kerktoonsoorten. Alle regels hebben met het gelijke metrum van acht lettergrepen een kwartenverloop, dat tot aan regel 4 steeds syllabisch is. In de slotregel bracht Ruessink twee melismen. Ondanks het A-A-B-B-rijm hebben de eerste en derde regel een sterke melodische verwantschap: regel 3 is een toon hogere transpositie, en verkreeg zo een meer frygische sfeer. Door ook de ondersecunde van de tonicanoot in deze zinnen mee te componeren is de sfeer zo sterk gekoppeld aan het respectievelijke dorische en frygische karakter. Regel 4 breidt in sfeer de derde regel uit en voert deze terug naar de dorische modus. Ook is er verwantschap tussen de tweede en vierde regel: na de beginnoot zijn ze gedurende vier noten gelijk, waarna het gebroken septiemakkoord c’-e’-g’-b’ uit regel 2 in een toon lagere versie als klein septiemakkoord d’-f’-a’-c” terugkeert in de slotregel. De omvang van de melodie is een octaaf.


Media

Video: Liedboek 933 door zangers van de Dorpskerk Eelde; Vincent van Laar, orgel