Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

965 - Heer, stuur zelf het schip der kerk


Herr, nun heb den Wagen selb

Huldrych Zwingli
Jan Wit
Straatsburg 1537/Zürich 1540

Tekst

Herkomst en verspreiding

Van de Zwitserse reformator Huldrych Zwingli zijn drie liederen overgeleverd: Hilf, Herr Gott, hilf in dieser Not; Hilf, Gott, das Wasser geht mir bis an die Seele (Der 69. Psalm) en Herr, nun heb den Wagen selb. Het laatstgenoemde lied draagt als bijnaam Das Kappelerlied, genoemd naar de eerste Kappeler oorlog uit 1529, het conflict tussen katholieke en protestantse kantons. Lange tijd werd aangenomen dat Zwingli dit lied speciaal in het kader van dit gewapende conflict had gemaakt. Zoals hieronder nog ter sprake komt, heeft het lied wel iets te maken met deze oorlog en draagt het de bijnaam niet geheel ten onrechte. Maar tegenwoordig vermoedt men dat het gezang in dezelfde periode is ontstaan als de andere twee Zwingli-liederen, namelijk rond 1525. Deze datering is niet zonder betekenis, want de liederen zouden dan geschreven zijn in een moeilijke periode uit de Zwitserse reformatie. Na een stormachtig en succesvol begin van de Zwingliaanse hervorming, kwam tussen 1523 en 1527 een tijd waarin Zwingli en de zijnen hevig weerstand moesten bieden tegen een radicale doperse beweging. ‘Alle vroegere strijd is kinderspel vergeleken met de huidige’, schreef Zwingli in 1525 aan Joachim von Watt (Vadianus).

De vroegste bronnen dateren uit de jaren dertig van de zestiende eeuw. Er is een handschrift uit Bazel (het zogeheten Liederbuch des Ludwig Iselin), dat uit de tweede helft van de jaren twintig dateert en daarna steeds werd aangevuld. Als een van die aanvullingen werd het Kappelerlied toegevoegd met daarboven de initialen ‘V.Z.’ en het jaartal 1529:

  

Aangenomen kan worden dat dit handschrift het lied rechtstreeks ontleende aan het origineel van Zwingli.

Het lied werd in elk geval opgenomen in Psalmen und geystliche Lieder, die man zu Straßburg, und auch die man inn anderen Kirchen pflegt zu singen, het eerste Duitstalige, protestantse liedboek uit Straatsburg dat in 1536/1537 verschenen moet zijn. Mogelijk kwam het lied al eerder voor in een gezangboek dat omstreeks 1533/1534 te Konstanz uitgegeven werd. In elk geval stond Zwingli’s lied in de tweede uitgave van deze bundel die een paar jaar later verscheen.

Het Kappelerlied is het enige gezang van Zwingli dat niet alleen in Zwitserland, maar ook in Duitsland bekend raakte. Een belangrijke aanzet tot een nog bredere verspreiding gaf Friedrich Spitta (1852-1924); hij maakte een Hoogduitse versie waarin hij het oorspronkelijke lied naar inhoud en vorm vrij goed wist te bewaren. Duitstalige gezangboeken uit de twintigste eeuw namen deze versie van Zwingli’s lied op. In het Evangelisches Kirchengesangbuch (1950) stond het Kappelerlied niet in de Stammausgabe, maar wel in een aantal Regionalteile.

In Nederland verscheen in het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 306) een vertaling van Jan Wit, die in het Liedboek werd overgenomen. Wits vertaling blijft dicht bij de Duitse tekst, dat wil zeggen: bij de door Friedrich Spitta in 1897 gemoderniseerde versie van Zwingli’s lied.

Ten tijde van Zwingli kende de kerk te Zürich geen gemeentezang en de Zwitserse reformator heeft zich daar niet voor ingezet. Het Kappelerlied is oorspronkelijk dan ook niet voor de kerkelijke liturgie gemaakt. Dat blijkt tevens uit de oorspronkelijke melodie, die niet voor gemeentezang geschikt was (zie hieronder), en uit de vernuftige strofevorm.

Strofevorm

De strofevorm, die Jan Wit in zijn vertaling heel knap heeft weten te bewaren, is voor een kerklied hoogst ongebruikelijk: coupletten van vijf versregels met 7-7-7-2-6 lettergrepen, waarbij de eerste vier regels trocheïsch en de laatste twee jambisch zijn.

Een ander aspect van de kunstrijke strofevorm is een soort acrostichon, waarbij niet de eerste letters, maar de eerste woorden van de drie strofen een zinsnede vormen, c.q. ‘Heer God, help’ (‘Herr Gott, hilf’).

Kunstzinnig en weinig gebruikelijk in het kerklied is ook de grote variëteit aan rijm. Behalve eindrijm met het schema A-B-B-C-C kent het lied ook kettingrijm en binnenrijm. Kettingrijm, waarbij het laatste woord van een regel rijmt op eerste woord van de volgende regel, treffen we aan in de regels 1 en 2. In het eerste couplet:

‘Heer, stuur zelf het schip der kerk.
Sterk is wind en tegenstroom’

Binnenrijm vinden we in de regels 2 en 3 waar de derde lettergreep van beide regels op elkaar rijmen. Bijvoorbeeld in de tweede strofe:

‘Weer met macht de wolf die snood
in de nacht uw schapen doodt.’

Tekst

Zwingli’s Kappelerlied wordt vaak vergeleken met Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort (‘Houd ons bijeen, God, rond uw woord’, Liedboek 721) van Martin Luther. Er is allereerst een inhoudelijke overeenkomst: in beide liederen wordt gebeden om bewaring en bescherming van de kerk. Het lied van Luther heeft een trinitarische indeling: strofe 1-Vader, strofe 2-Zoon, strofe 3-heilige Geest. Hoewel minder duidelijk is deze driedeling ook in Zwingli’s lied aanwezig

In strofe 1 wordt een beeld gebruikt dat voor Nederlanders erg bekend is: God moet ‘het schip der kerk’ sturen, een beeld dat ontleend is aan Marcus 4,35-41, waar verhaald wordt dat Jezus en de discipelen met hun boot in een storm verzeild raken, en de Heer de wind bestraffend toespreekt.

Nu gebruikte Zwingli in de oorspronkelijke tekst echter een metafoor die in het bergachtige Zwitserland meer tot de verbeelding zal hebben gesproken: hij stelt de kerk voor als een wagen die onbestuurbaar van een bergweg dreigt af te denderen. Deze beeldspraak heeft Wit ‘naar ’s lands gelegenheid verdietst’ (Compendium 1978, k. 714).

In de tweede strofe wordt gerefereerd aan Johannes 10, het bijbelgedeelte over de goede herder (Christus) die zijn kudde verzorgt en bewaart. De verwijzing naar deze gelijkenis is in het lied aangebracht door Spitta. De oorspronkelijke tekst van Zwingli bevatte een referentie aan Matteüs 25, waar gesproken wordt over de koning die de schapen van de bokken scheidt:

Gott, erhöch den Namen din
in der Straf der bösen Böck.
Dine Schaf widerum erweck,
die dich
liebhabend inniglich.

Spitta bewerkte dit couplet tot:

Gott, erhöh deins Namens Ehr;
wehr und straf der Bösen Grimm;
weck die Schaf mit deiner Stimm,
die dich
liebhaben inniglich.

De laatste strofe is een gebed om bewaring en eenheid. Het beschermen en verenigen van de gelovigen werd in de zestiende eeuw vooral gezien als het werk van de heilige Geest, die in de Bijbel als helper (bijvoorbeeld Johannes 14,16-24) en vernieuwer (bijvoorbeeld Titus 3,5) beschreven wordt.


Melodie

Herkomst

Zwingli dichtte niet alleen de tekst, maar componeerde ook de melodie van het lied. Sterker, hij schreef zelfs twee melodieën bij zijn liedtekst. In een handschrift uit Bazel (±1535) is Zwingli’s liedtekst met twee melodieën opgenomen. De eerste melodie, waarvan vermoed wordt dat het de oudste is, lijkt stilistisch op de Hofweise-melodieën die Zwingli bij zijn andere twee liederen componeerde. Karakteristiek voor dit melodietype is onder meer dat het gebruik maakt van een grotere ambitus dan volkliedmelodieën.

Naast deze oudste melodie bevat het Bazelse handschrift een tweede melodie:

 

 Dit is de melodie waarmee Zwingli’s lied bekend geworden is en die ook in het Liedboek staat. In tegenstelling tot de eerste melodie heeft zij een meer volksliedachtig karakter, zoals onder meer blijkt uit de beperkte omvang van een sext. Het is goed mogelijk dat Zwingli deze tweede melodie componeerde toen hij zijn liedtekst tijdens de eerste Kappeler oorlog (1529) op de lippen wilde leggen van de soldaten. Dit zou betekenen dat deze melodie een paar jaar later ontstaan zou zijn dan de eerste.

Analyse

De melodie van Zwingli’s lied speelt zich af in het toongebied e’-c”. Alle melodieregels hebben de ambitus van een kwart. Sprongen kent de melodie nauwelijks: in regel 1 komt een tertssprong voor, in de identieke regels 2 en 3 een kwartsprong.

De eerste drie regels zijn ritmisch aan elkaar verwant en bewegen zich in het ritme lang-kort. In regel 1 valt de ritmische accentverschuiving op: het driedelige ritme lang-kort wordt bij de vijfde noot omgedraaid in kort-lang. In de vijfde regel keert deze figuur weer terug. Deze slotregel is ook melodisch enigszins verwant aan de eerste regel

Zijn de eerste drie regels overwegend stijgend, de korte vierde regel laat een dalende beweging horen. Daarbij valt bovendien het dactylus-ritme op van het melisme dat in Nederland op de eerste lettergreep van de vierde regel gezongen wordt, maar in Duitsland en Zwitserland op de tweede lettergreep. Hetzelfde ritmische figuurtje treffen we aan in de slotregel, maar nu op de tweede lettergreep van de regel, conform de notatie in Duitstalige liedbundels.

Auteur: Jan Smelik