Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

982 - In de bloembol is de krokus


Een eerste kennismaking

De liedboekredactie vond in het Schotse liedboek Church Hymnary (2005) een lied van Natalie Allyn Wakely Sleeth (1930-1992). Zij schreef de tekst en de melodie van dit eenvoudige scheppingslied over de belofte die in het zaad schuilt. De bloembol wordt een krokus, de pit een boom, de pop een vlinder. In de tweede strofe wordt dit abstracter: stilte wordt een lied, duisternis wordt licht, verleden wordt toekomst, wat verborgen is wordt zichtbaar. De laatste strofe verwoordt deze veranderingen met betrekking tot ons leven: ons einde is een aanvang, onze twijfel wordt geloven, de dood wordt nieuw leven. Daarmee keren motieven uit het begin terug. Een lied dat zo ook over ons leven gaat.
De eenvoudige, volksliedachtige melodie past goed bij de tekst.

Auteur: Pieter Endedijk


In the bulb there is a flower

Natalie Allyn Wakely Sleeth
Andries Govaart
Natalie Allyn Wakely Sleeth
Tune: HYMN OF PROMISE

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit lied is de Nederlandse vertaling van het lied In the bulb there is a flower. De vertaling werd op verzoek van de Liedboekredactie gemaakt door Andries Govaart (*1954). Het Liedboek – Zingen en bidden in huis en kerk is vooralsnog de enige Nederlandstalige bundel waarin het lied is opgenomen. Het Engelse origineel werd in 1985 geschreven door Natalie Allyn Wakeley Sleeth (1930-1992). Zij tekende zowel voor de tekst als voor de melodie. Oorspronkelijk was dit een stuk voor koor (anthem), maar later is het door Sleeth bewerkt tot een gezang (hymn). Inmiddels is het lied opgenomen in een groot aantal Engelstalige bundels, waaronder Church Hymnary 4 (2005, nr. 727), Moravian Book of Worship (1995, nr. 797) en The United Methodist Hymnal (1989, nr. 707). Ook is er in 2001 een Koreaanse vertaling verschenen in het Koreaans-Engels presbyteriaans lied- en dienstboek Come Let us Worship (2001, nr. 392).

Inspiratie

Op het muurplakkaat ter nagedachtenis aan de dichter T.S. Eliot (1888-1965) staat: In my beginning is my end, in my end is my beginning. Dit zijn de eerste en de laatste regel uit zijn lange gedicht East Coker (tevens de plaats in Engeland waar de familie van Eliot vandaan kwam en waar zijn graf is). Deze regels, en de schijnbare tegenstelling hiertussen, hebben Sleeth geïnspireerd bij het schrijven van het lied.
Naast dit gedicht dienden ook eigen ervaringen van verlies en dood en de overgang van winter naar voorjaar als haar inspiratiebronnen (bron: klik hier).

Opbouw van het lied

In de eerste strofe komt de schepping in beeld. Beloftevolle beelden van een bol die een bloem wordt, een pop die een vlinder wordt. Deze beelden zijn de ondersteuning voor een stelling: God ziet naar de schepping om. Dat uit iets schijnbaar dors en kouds nieuw leven en bloesem komt, is een teken van het zorgen van de Ene. Dit gebeurt buiten ons blikveld: ondergronds.

De tweede strofe brengt andere beelden in. Hoe de stilte ook een lied kan zijn, of een lied kan worden. Hoe er na het donker toch een (niet: ‘de’) morgen komt, hoe de toekomst nog verborgen is. Nadat de eerste strofe de schepping centraal stelde, gaat het hier over de herschepping, over de belofte dat God alle dingen nieuw zal maken.

In de laatste strofe vinden we motieven uit het persoonlijk leven, tegelijkertijd paasmotieven. Na de schepping en de herschepping komt zo de voleinding in beeld, als alle strijd overwonnen zal zijn.

Hoewel het lied een strofisch lied is, heeft het toch een ‘refrein-achtig’ element, namelijk de steeds herhaalde voorlaatste regel. ‘Nog verborgen tot het uitkomt’ fungeert in elke strofe als een brug tussen de in de eerste zes regels geschetste situatie en de in de laatste regel samengevatte belijdenis over hoe God zich hiertoe verhoudt.

Gebruik

Vlak voor zijn overlijden in 1986 hoorde de man van Sleeth dit lied en op zijn verzoek is dit gezongen bij zijn uitvaart. In veel van de liedbundels waarin het Engelse lied is opgenomen, staat het gerubriceerd onder categorieën als ‘dood en het eeuwige leven’, ‘begrafenissen en gedachtenisvieringen’, ‘de getijden van het leven’ en ‘levensreis’. Behalve in deze meer op het menselijk leven gerichte rubrieken wordt het lied ook vaak gerangschikt onder de liederen voor Pasen, meer in het bijzonder de paaswake. Daarnaast wordt het lied uiteraard geschaard onder liederen die gaan over of raken aan thema’s als ‘hoop’, ‘belofte’, ‘vernieuwing’ en ‘lente/winter’.

In het Liedboek is het lied opgenomen in de rubriek ‘Samen leven’, onder de subrubriek ‘schepping’. Achterin het boek staat bij het register op liturgisch gebruik te lezen dat het ook past op de zondagen van de voleinding.

Dit alles geeft aan dat het lied op meerdere momenten inzetbaar is, en dat het mee kan kleuren met de gelegenheid. Als het bijvoorbeeld in de paaswake wordt gezongen, krijgt en legt het andere accenten dan wanneer het bij een uitvaart of aan een sterfbed wordt gebruikt, of gezongen wordt op Allerheiligen of Eeuwigheidszondag, wanneer de gedachtenis van overledenen centraal staat . Niet alleen in vieringen, maar ook in het pastoraat en in kleine groepen kan dit lied worden gebruikt rondom de thematiek van leven en dood, hoop en nieuw begin. 

Kinderlied?

Vanwege de toegankelijkheid van de beeldtaal kan het lied als een kinderlied worden opgevat. In een van de Engelstalige bundels wordt dit inderdaad zo aangegeven, en ook op de cd Met hart en ziel III wordt het onder de kinderliederen geschaard. Het is wel de vraag of hiermee niet de ruimte wordt afgesloten om te komen tot een dieper verstaan van de tekst. Anders gezegd: door dit lied op te vatten of uit te voeren als een kinderlied, wordt alle nadruk gelegd op de eerste betekenislaag, die van de natuur/schepping. De tweede laag, die van belofte en herschepping, kan daardoor buiten beeld raken. Dat zou een verarming van dit warme en beloftevolle lied betekenen. Hetzelfde gebeurt wanneer alleen strofe 1 gebruikt wordt, en de tweede en derde strofe worden genegeerd. Dit lied – zoals zoveel andere liederen – kan niet anders dan in zijn geheel worden gezongen. Dan wordt duidelijk dat het geenszins kinderspel is...!

Auteur: Nienke van Andel


Melodie

Niet alleen de tekst maar ook de melodie is van Natalie Allyn Wakely Sleeth. De naam van de melodie is HYMN OF PROMISE (ook wel alleen PROMISE), ontleend aan de gelijknamige titel die het lied kreeg. Het is een melodie in F-groot, in een driekwartsmaat. Het metrisch verloop is 8-7-8-7-8-7-8-7. In ritmisch opzicht zijn de regelparen 1-2, 3-4 en 5-6 steeds gelijk. Alleen de twee slotregels wijken af, en van die twee de laatste het meest. Achter deze eenvoud zit meer muzikale diepgang verborgen. Elke regel begint met een opmaat. In de eerste vier regels is dat steeds een sprong vanaf c’, de dominant. Na de bekende kwartsprong in regel 1 volgt dan de kwintsprong c’-g’ in regel 2, de tertssprong c’-e’ in regel 3 en weer de kwartsprong c’-f’ in regel 4 (zie de blauwe haken).
Na deze inzet valt in de elke regel de volgende ‘accent’-noot een terts hoger (de derde tel van de maat; in regel 4 is het de laatste noot van de regel). Zie de rood omcirkelde noten. Zo zijn het gebroken akkoorden (c’-f’-a’, c’-g’-bes’ en c’-e’-g’) die de basis van de melodie vormen, niet alleen hier, ook in de rest van de melodie. In regel 5 wordt de ‘afzet’ verschoven naar f’-bes’ (ook regel 6, zie de groene haak). Dat heeft een heel krachtig effect, ook al doordat de melodie nu boven de grondtoon blijft en stijgt tot boven de hoge dominant. Ook is hier een latente modulatie naar de parallelstoonsoort d-klein te signaleren; in haar zetting doet Sleeth dat daadwerkelijk en ook Wim Ruessink doet dat in zijn begeleiding (zie hieronder voor de vindplaats van de zetting van Sleeth). De regels 6 en 7 beginnen op de f’, maar ze zijn nu milder en melodischer. Dat komt allereerst door de secundeschreden in regel 6 en het begin van regel 7 (zie de gele boog). Secundeschreden komen vaker voor in de melodie, maar waar alle voorgaande regels beginnen met een markante en stijgende sprong, doen de twee slotregels dat niet. De dalende lijn met secundeschreden is overigens al in regel 6 ingezet: bes’-bes’-a’-g’-f’. Regel 7 stijgt via een gebroken drieklank (d’-f’-bes’-d”, paarse cirkel) opnieuw tot de hoogste toon (d”) en de slotregel is een eenvoudige bevestiging van F-groot.

Het lied lijkt qua ritme op het eerste gezicht om een levendige manier van zingen te vragen, maar ingetogenheid als uitgangspunt is beter. Er worden grootse en diepe dingen gezongen en dat vraagt om een meditatieve wijze van zingen. Denk bij het tempo aan maximaal MM 90 voor de kwart.

In de begeleidingsbundel bij het Liedboek staat een mooie zetting Wim Ruessink; via internet (klik hier) is ook de zetting van Sleeth zelf te vinden (geschikt voor piano).

Auteur: Anje de Heer