Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

159c - De glorie van de Eeuwige zal worden onthuld


De lofzang van Simeon

Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Inleiding

Simeons lofzang is in volgorde de vierde en laatste lofzang die in het evangelie van Lucas klinkt. De evangelist opent zijn eerste twee hoofdstukken met minstens vier lofzangen: drie uit de mond van mensen, een uit de mond der engelen. Maria opent de serie (Lucas 1,46-55), Zacharias vervolgt (1,68-79), de engelen zijn kort van stof (2,14) en Simeon eindigt de reeks (2,29-32). De aardse lofzangen (bekend onder hun Latijnse openingswoorden Magnificat, Benedictus en Nunc Dimittis) zijn onderdeel geworden van het dagelijks kerkelijk getijdengebed. De hemelse, de engelenzang (het Gloria), later tot een groter geheel uitgebreid, klinkt doorgaans in de wekelijkse zondagsviering.

De dagelijkse lofzangen klinken vanouds op de sleutelmomenten van de dag, en vormen daarmee – naast de psalmen – het hart van de drie dagelijkse getijden: bij zonsopgang in de vroege morgen de lofzang van Zacharias in de lauden, bij zonsondergang, tegen het vallen van de avond, het canticum van Maria in de vespers, en bij het slapen gaan de lofzang van Simeon in het laatste getijde dat de gebedsdag compleet maakt: de completen.

Sytze de Vries heeft van elk van de drie cantica uit het Lucasevangelie een vertaling casu quo tekstbewerking gemaakt. ‘De glorie van de Eeuwige zal worden onthuld’ werd eerder gepubliceerd in Amsterdamse Katernen 12 (1992) en in Zingend Geloven 8 (2000; nr. 9) .

De tekst

Refrein

Zoals bij de twee andere bewerkingen van lofzangen uit het Lucasevangelie door De Vries (zie Liedboek 157c, 157d en 158c, en tevens de twee cantica uit Filippenzen 2 en Kolossenzen 1 (Liedboek 160b en 161) domineert ook hier het refrein. Dit wordt markant neergezet: ‘De glorie van de Eeuwige zal worden onthuld en al wat ademt zal dit zien!’ Deze tekst is niet aan de lofzang zelf ontleend, maar aan Jesaja 40,5: ‘De luister van de Heer zal zich openbaren voor het oog van al wat leeft.’ ‘Daarom zijn juist deze woorden van de oudtestamentische profeet ook als antifoon gekozen, waarmee de gemeente (uit de volken) instemt.’ (Commentaar bij Zingend Geloven 8). Overigens komt het woord ‘onthullen’, ‘openbaren’ ook in de tekst van Lucas zelf voor, waar in 2,32 het Griekse werkwoord apokalypto gebruikt wordt. Met betrekking tot de zinsnede ‘al wat ademt’ klinkt misschien het – majesteitelijke! – slot van Psalm 150 door: ‘Alles wat adem heeft, loof de Heer!’ (vers 6).

Strofen

De evangelietekst is in drie korte strofen samengevat. In de eerste volgt De Vries Lucas op de voet, behalve dat het woordje ‘vrijuit’ wordt ingevoegd. Daarmee wordt invulling gegeven aan het ‘heengaan’ (NBV) of het gewone ‘gaan’ (NBG/Oussoren). Dit duidt wellicht op levenseinde of sterven, maar evenzeer op weggaan, bevrijd worden. De Vries: ‘De ontmoeting met de Messias van Israël laat ons die ruimte betreden. Door dit accent te benadrukken wordt deze lofzang eerder een lofzang van hen, die midden in het leven staan.’ (Commentaar Zingend Geloven 8). Strofe 2 volgt nauwgezet de evangelietekst van Lucas, waar in 2,30-31 staat: ‘Want met eigen ogen heb ik de redding gezien die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken’. In de derde strofe leidt de ‘onthulling van de glorie’ waar het refrein van zingt tot het ‘wegnemen van de sluier van alle naties’. Hier wordt in een mooie associatie verwezen naar wat staat geschreven bij Jesaja: ‘De Heer vernietigt de sluier waarmee alle volken omhuld zijn’ (25,7). De ogen van Simeon worden geopend om te zien hoe, te beginnen bij de volkeren, het licht doorbreekt, is doorgebroken. Wat veertig dagen na de geboorte van Jezus in de tempel van Israël gebeurt, heeft universele betekenis. En dit ‘licht’ is tegelijkertijd ‘tot glorie van Israël’. Door het gebruik van het woord ‘glorie’ dat in het refrein betrekking heeft op ‘de Eeuwige’ hier toe te passen op ‘Israël’ worden refrein en derde strofe nog sterker aan elkaar verbonden. Te meer blijkt dat de toevlucht tot Jesaja 40,5 voor de tekst van het refrein dus een sterke keuze is.

Auteur: Nico Vlaming


Melodie

In de serie ‘Lucaanse cantica voor koor (cantor) en gemeente’ – zie ook Liedboek 157c en 158c – is dit de laatste lofzang: het Nunc Dimittis, de lofzang van Simeon. In tegenstelling tot de lofzangen van Maria en Zacharias heeft dit canticum een refreintekst meegekregen die niet afkomstig is uit de lofzang zelf, maar uit de profetie van Jesaja (40,5a). In muzikaal opzicht is het belangrijkste verschil dat hier de voorzangverzen metrisch – en niet reciterend – worden gezongen. Dat houdt ongetwijfeld verband met de opmerking die Willem Vogel maakte boven de eerste uitgave van deze compositie (Amsterdamse Katernen, deel 12): ‘Dit canticum kan door koor en gemeente worden gezongen. Ontbreekt een cantorij, dan kan de gemeente de tekst [bedoeld wordt: van de voorzangverzen (CW)]  ook éénstemmig zingen. De koorzetting fungeert dan als begeleiding.’ In de gemeenteuitgave is met deze mogelijkheid verder geen rekening meer gehouden; bij de voorzangverzen is slechts de tekst afgedrukt. De muziek van de voorzangverzen vindt men in de kooruitgave en de begeleidingsbundel.

Het refrein is opgebouwd uit een klein aantal motieven – we zien dat vaker bij Willem Vogel – die in gemuteerde gedaante terugkeren. Zo wordt motief A eerst ritmisch gewijzigd in A’ en vervolgens melodisch in A”. Aan het slot wordt slechts de kop van het motief, de stijgende kwart, gebruikt. Motief B (dalende kleine terts, gevolgd door een dalende secunde) koppelt de motieven A aan elkaar.

Zowel refrein als voorzangverzen staan onmiskenbaar in de toonsoort G-groot met b’ en d” als respectievelijk belangrijke melodie- en reciteertonen.

Aangezien de voorzangverzen in tekst nogal verschillend van lengte zijn, heeft de componist extra buigingen toegevoegd in de verzen 2 en 3 om voldoende melodienoten te creëren. Daarbij heeft hij in het laatste vers het woord ‘licht’ uitgelicht door het tot twee keer toe te laten samenvallen met de d”.

De gebruikte samenklanken kunnen gerust ‘basaal’ genoemd worden. Opvallend is dat Vogel de fis in het dominantakkoord van D-groot bewaard heeft voor de voorlaatste samenklank in het refrein. In de andere gevallen gebruikt hij het mildere en modaal aandoende sept-none-akkoord (d-a-c-e), zoals bij het tweede ‘uw’ in het eerste voorzangvers. Het effect is dat het enig échte D-groot duidelijk als definitieve afsluiting fungeert.

In de originele versie van de lofzang (Amsterdamse Katernen, deel 12, blz. 46) was de halve noot halverwege het derde voorzangvers een kwartnoot. De in het Liedboek gepleegde ritmische aanpassing – overgenomen uit Zingend Geloven 8, nr. 9 – lijkt me uit oogpunt van ritmische logica alleszins verdedigbaar.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij o.l.v. Christiaan Winter; Willem Vogel, orgel