Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

403b - Gezegend zijt Gij, levende God


Tafelgebed
Huub Oosterhuis
Tom Löwenthal

Tekst

Ontstaan en verspreiding

De tekst van dit tafelgebed verscheen voor het eerst in de bundel van Huub Oosterhuis, In het voorbijgaan (Utrecht 1968, blz. 176-177). ‘Gezegend zijt Gij’ vormt daar het slot van het tafelgebed ‘Gij die de aarde aan ons geeft’ (nr. 9). Dit tafelgebed begint met een aantal intercessiegebeden (voorbeden), waarna een epiclese volgt en een anamnese (met woorden die verwijzen naar het Onze Vader). Deze anamnese loopt uit in de instellingswoorden. Direct daarna volgt dan de tekst ‘Gezegend zijt Gij…’. Deze tekst, maar dan zonder het eraan voorafgaan-de tafelgebed, treffen we verder aan in Aandachtig liedboek (Baarn, 1983, nr. 41) en in de sectie Tafelgebeden voor de viering van de eucharistie in Gezongen liedboek (Kampen-Kapellen 1993, blz. 172).

Bernard Huijbers componeerde de muziek bij deze tekst, die in 1969 als partituur verscheen bij Gooi en Sticht. Als gezongen tafelgebed komen we de tekst tegen in Liturgische gezangen voor de viering van de eucharistie (Hilversum 1979, nr. 133), met de genoemde melodie van Huijbers, daarna opnieuw in deel II van deze bundel, maar dan met een toonzetting van Tom Löwenthal (Hilversum 1985, nr. 34). Het is in deze laatste vorm dat we het verder vinden in de uitgave De dode zal horen: nu leven, Een liturgie voor de Paasnacht (Baarn 1987, blz. 20-21), in de Petrus en Paulusbundel (Hilversum 1987, nr. 219), in de tweede editie van Gezangen voor Liturgie (Baarn 1996, nr. 604) en in Verzameld Liedboek (Kampen-Antwerpen 2004, nr. 670).

Opbouw

‘Gezegend zijt Gij levende God’ is een tafelgebed van het beracha-type (voor een toelichting zie het overzichtsartikel over het tafelgebed). God wordt gezegend omwille van Jezus, ‘de zoon van de mensen’. Het is een korte, kernachtige tekst, die uit één lange zin van zesmaal twee regels bestaat.
Je zou kunnen zeggen dat er gezien de gebruikte werkwoordstijden inhoudelijk veel ‘beweging’ in zit: vanuit het verleden gaat het via het heden naar de toekomst. In die zin gaat het om een echte ‘anamnese’: Jezus werd vernederd, gebroken en verheven, Hij wordt gehoord en geleefd en Hij zal komen en ons een nieuwe naam geven – Hij is het die wij hier herkennen in het brood dat wij nu breken. Heel Gods heilsgeschiedenis is in zijn persoon geconcentreerd.

Toelichting bij de tekst

Regel 1-2:

     Gezegend zijt Gij levende God
     omwille van Hem de zoon van de mensen,

Opvallend is dat de naam Jezus, om wie het toch gaat in dit gebed, nergens wordt genoemd. Hij wordt slechts aangeduid en opgeroepen als ‘de zoon van de mensen’, van wie dan in de volgende regels allerlei specificaties worden gegeven. Overigens is ‘zoon van de mensen’ of ‘Mensenzoon’ in de synoptische evangeliën consequent de benaming waarmee Jezus zichzelf aanduidt (zie onder andere Marcus 2,28; 8,31.38; 9,31; 13,26; et cetera). Correspondeert dit misschien hier al met de ‘lage christologie’ die de teksten van Oosterhuis op den duur steeds meer is gaan kenmerken: Jezus is een bijzonder en voorbeeldig mens, een messiaanse gestalte, maar niet Zoon van God? In ieder geval lijkt de aanduiding ‘mensenzoon’ ontleend aan het visioen dat staat opgetekend in Daniël 7 (vers 13), is de titel in zekere zin ruimer dan de persoon van Jezus van Nazaret, en is deze als zelfaanduiding van Jezus in de synoptische evangeliën omkleed met een sfeer van geheimenis.

Regel 3-4:

     woord en gestalte van uw heerlijkheid,
     beeld en gelijkenis van uw trouw’

De tweede bepaling die Jezus krijgt, is: ‘woord en gestalte van uw heerlijkheid’. Met dergelijke woorden wordt de proloog van het Johannesevangelie opgeroepen. Jezus is het mens geworden Woord van God, in Hem openbaart zich Gods heerlijkheid (Johannes 1,1.14).

Hij is ook ‘beeld en gelijkenis van uw trouw’. ‘God schiep de mens als zijn evenbeeld’ (Genesis 1,26-27) en Jezus is daar de meest volmaakte verwezenlijking van. De woorden ‘beeld en gelijkenis’ doen overigens ook denken aan een ander lied van Oosterhuis: het lied van de Mensenzoon (Aandachtig liedboek, nr. 46; Liturgische gezangen II, nr. 10, Gezangen voor Liturgie, nr. 408; Verzameld Liedboek, blz. 457), dat inhoudelijk veel op ‘Gezegend zijt Gij’ lijkt en dat precies met deze woorden begint: ‘Beeld en gelijkenis van Hem die leeft, een mensenzoon…’.

Regel 5-6:

     die werd vernederd en gebroken,
     die werd verheven in uw licht’

In de volgende twee regels klinkt de vroegchristelijke hymne uit Filippenzen 2,6-11 door. Het gaat daar over Christus Jezus, ‘die de gestalte van God’ had, maar daar niet aan vasthield en ‘de gestalte van een slaaf’ aannam. Hij vernederde zichzelf, Hij werd gebroken op het kruis, maar door God werd Hij verheven in zijn licht.

Regel 7-8:

     die wordt gehoord, die wordt geleefd,
     die komen zal in deze wereld’

Hier treffen we een overgang aan van het verleden naar het heden en van het heden naar de toekomst. In plaats van terug te kijken staat de rond de tafel biddende gemeente stil bij het heden en kijkt vervolgens uit naar wat nog komen gaat. De zoon van de mensen ‘wordt gehoord’ – in de woorddienst is dat zojuist gebeurd. Daar heeft immers zijn evangelie geklonken. En Hij ‘wordt geleefd’ – dat is wat er straks na de viering gaat gebeuren: het treden in de voetsporen van de Mensenzoon door daden van naastenliefde.

‘Die komen zal in deze wereld’ is een aanduiding van toekomst, van de (weder)komst van de Mensenzoon aan het eind van de tijden. Tegelijk is deze komst al gaande, namelijk in de navolging van de Mensenzoon door te leven zoals Hij gezegd heeft. In ieder geval spreekt er hoop en vertrouwen uit: Hij is het die komen zal, en geen ander moeten we verwachten (vergelijk de vraag van Johannes de Doper naar de identiteit van de messias en het antwoord van Jezus in Matteüs 11,2-6).
Werd in het voorgaande over ‘de zoon van de mensen’ steeds in passieve zin gesproken (Hij ‘werd vernederd, gebroken, verheven’, Hij ‘wordt gehoord en geleefd’), nu is Hij de actieve persoon: Hij zal komen, in deze, onze wereld.

Regel 9-10:

     die ons een nieuwe naam zal geven,
     die onze weg is door de dood’

En deze activiteit gaat verder: de zoon van de mensen ‘zal ons een nieuwe naam geven’. Wanneer krijgen wij een nieuwe naam? Aartsvader Jakob krijgt een nieuwe naam als hij met ‘iemand’ geworsteld heeft. Voortaan zal hij Israël heten, omdat hij met God en mensen gestreden en gewonnen heeft (Genesis 32, 23-33). Van iets soortgelijks is sprake in Openbaring 2,17 waar degene die overwint van Godswege een nieuwe naam ontvangt, geschreven op een wit steentje, een naam die niemand kent dan degene die hem krijgt. Een nieuwe naam krijgt Simon Petrus als hij Jezus belijdt als de messias, de Zoon van de levende God (Matteüs 16,13-19). Een nieuwe naam krijgen wij als we Jezus belijden en navolgen. Misschien verwijst het krijgen van een nieuwe naam, aldus opgevat, ook naar de doop. Dan wordt immers onze naam verbonden met Gods eigen drie-ene Naam.

De doop is wellicht ook wat bedoeld wordt met ‘onze weg door de dood’, de weg waarop de Mensenzoon ons voorgaat en die voert naar eeuwig leven. Als wij met Jezus verbonden worden, zullen we met Hem begraven en tot nieuw leven opgewekt worden (vergelijk Romeinen 6,3-11).

Regel 11-12:

     die wij herkennen, die wij verkondigen
     hier in het breken van het brood’

In deze slotregels komt uiteindelijk alles samen: het is de zoon van de mensen die herkend wordt in de handeling van het breken van het brood. De gemeente is hier als de Emmaüsgangers met wie de verrezen Heer is opgetrokken en die aan tafel, als hun gastheer, wordt herkend als de Levende (Lucas 24,13-35). En zoals de Emmaüsgangers destijds na die vreugdevolle herkenning niet meer thuis konden blijven, maar teruggaan naar Jeruzalem en daar aan de elf en de anderen verkondigen dat de Heer werkelijk uit de dood is opgewekt, zo geldt dat ook hier voor de gemeente die met deze woorden de Maaltijd van de Heer viert en daarin en daardoor de Mensenzoon verkondigt. Verkondigen is volgens de apostel Paulus precies ook wat gebeurt als de gemeente de Maaltijd van de Heer viert. Nadat hij de instellingswoorden heeft ‘doorgegeven’ (1 Korintiërs 11,23-25), schrijft hij: ‘Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt’ (11,26).

Samenvattend: dit tafelgebed is een zegening van God, die onmiddellijk christologisch wordt ingevuld. Het verwoordt de gedachtenis van Jezus, de Mensenzoon, die het beeld van God zelf is, die vernederd en verheven werd en in onze wereld komen zal. In enkele korte en krachtige pennenstreken vormt dit gebed een heel compacte geloofsbelijdenis.

Liturgisch gebruik

In de oorspronkelijke setting maakte ‘Gezegend zijt Gij levende God’ deel uit van een groter geheel, een compleet tafelgebed inclusief instellingswoorden. In het Liedboek wordt de tekst, getuige de ondertitel, gepresenteerd als een zelfstandig tafelgebed.
Op zich kan deze tekst inderdaad als zodanig fungeren, bijvoorbeeld als men opteert voor een korte avondmaalsviering of bij een viering in kleine kring, maar er zijn ook liturgische praktijken denkbaar, waarin zo’n kort tafelgebed om een ruimere context vraagt. Het is dan goed voorstelbaar dat voorafgaand aan deze tekst of direct erop volgend de instellingswoorden klinken.
Of – nog ruimer – dat aan dit gebed een tafelgebed (als anaphora) voorafgaat, met een inleidende beurtspraak, dankzegging (prefatie), een epiclese en anamnese, die uitloopt op de instellingswoorden. Daarna wordt dan ‘Gezegend zijt Gij’ gezongen, gevolgd door het gebed des Heren, de vredeswens en de communie.

Auteur: Ko Joosse


Media

Uitvoerenden: koor van de Amsterdamse Studentenekklesia en/of koor voor Nieuwe religieuze muziek