Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

461 - Wij wachten op de koning


Sytze de Vries
Christiaan Winter

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 7’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor deze website.

Deze tekst ontstond vanuit een weerzin tegen de zoete adventsliedjes, die alleen maar aftellen naar de geboorte van een ‘kindje’. Vanouds gelden deze weken, in het verlengde van de laatste weken van het kerkelijk jaar, als een tijd waarin de eindverwachting, de zogenaamde eschatologie, sterk is. Christus wordt begroet én de invulling van deze ‘laatste dingen’; Christus, als de ‘koning die vrede brengt’, als de ‘Zonne der gerechtigheid’. Naar Hem werd en wórdt nu nog uitgezien. Zonder deze noties blijft het geboorteverhaal geromantiseerd en geïsoleerd.
Daarom worden de adventskaarsen vergeleken met de lampen van de meisjes uit de gelijkenis. De wíjze meisjes wel te verstaan, die olie genoeg hebben om de nacht te verduren (strofe 2 en 3). De vierde strofe knipoogt naar het verhaal van de ándere wijzen, die de ster volgden. Tegelijk geeft dat ook aan hoezeer nog altijd onze verwachting het komen van de vredekoning geldt. Hij heeft zich in Jezus aangediend (dat gedenken wij), maar hij zal nog voorgoed komen (dat verwachten wij).
Dit lied ontstond in de praktijk van de Amsterdamse Oude Kerk-gemeente, waar het jaarlijks door groot en klein tezamen wordt gezongen bij het aansteken van de adventskaarsen.


Melodie

‘Een heel klassiek, pretentieloos wijsje’ – zo karakteriseert Christiaan Winter zijn melodie, die hij schreef vanuit zijn functie als cantor van de Oude Kerkgemeente in Amsterdam. Maar een pretentieloos wijsje kan ook sterk zijn en het uithouden als deze steeds opnieuw, jaar in, jaar uit gedurende enkele zondagen gezongen wordt! De interne logica in de melodiestructuur draagt daaraan bij. Ook de onbevangenheid die de melodie oproept maakt deze sterk: een melodie geschikt voor kinderen, maar zeker geen kinderachtige melodie! Daarvoor heeft de melodische lijn voldoende profiel. En de volwassenen zingen natuurlijk mee, zo wordt hoorbaar dat kinderen en volwassenen tot één gemeente behoren.
De eerste en de derde regel zijn melodisch identiek met de dalende secundengang (d”-cis”-b’-a’) als hoofdmotief. De tweede regel is globaal de omkering daarvan: nu is de secundengang vanaf de d’ stijgend (d’-e’-fis’-g’[-a’]). De slotregel met hoofdzakelijk halve notenwaarden is niet meer dan een vanzelfsprekende afsluiting van de derde regel. De dalende kwart (a’-d’) waarmee regel 2 begint is een spiegeling van het openingsinterval van regel 1 en 3 (a’-d”).
In deze melodie in D-groot speelt de dominant (a’) de hoofdrol: elke regel begint met deze noot en halverwege komt de melodie op deze noot even tot rust.
De componist schreef drie begeleidingsvormen: een orgelzetting (zie de begeleidingsbundel), een zetting voor vierstemmig koor (zie de koorbundel) en een zetting voor de slotstrofe waarbij aan de melodie een descant is toegevoegd (idem). Zo krijgt die slotstrofe de stralende glans van de ster die is waargenomen (regel 2). Deze descantzetting is te horen in de opname op deze website.
In een rustig (wandel-)tempo komt deze melodie goed tot zijn recht (MM = 54 voor de halve noot).

Auteur: Pieter Endedijk


Media

Uitvoerenden: Kindercantorij van de Domkerk Utrecht o.l.v. Catrien Posthumus Meyjes; Willem Vogel, orgel