Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

489 - Komt ons in diepe nacht ter ore


Een eerste kennismaking

De oorspronkelijk titel van dit lied van Huub Oosterhuis luidt ‘Het lied van de verschijning des Heren’. Het feest van Epifanie (6 januari) is wellicht de eerst aangewezen dag om dit lied te zingen. Er wordt immers gesproken over ‘de morgenster is opgegaan’ (strofe 1, regel 2), het klassieke beeld voor de verschijning van de Heer, ontleend aan Matteüs 2. Epifanie is vanouds het geboortefeest, maar in de westerse kerk is dit in de eerste eeuwen verschoven naar 25 december. In de nachtdienst van het kerstfeest worden de bekende teksten gelezen uit Jesaja 9,1 (‘een mensenkind voor ons geboren’, strofe 1), Titus 2,11 (‘... Hij openbaarde / in Jezus zijn menslievendheid’, strofe 2) en Lucas 2,12 (‘Geen ander teken ons gegeven / geen licht in onze duisternis...’, strofe 2). Maar ook andere bijbelse noties herkennen we: de naam ‘God-zal-ons-redden’ (strofe 1) gaat terug op Jesaja 7,14 en Matteüs 1,23, en dat alle einden der aarde het heil aanschouwen (slot strofe 2) vinden we terug in Jesaja 52,10 en Psalm 98,3, respectievelijk de profetenlezing en antwoordpsalm op de kerstmorgen. Zo is dit lied niet alleen bestemd voor Epifanie, maar ook in de kersttijd zeer goed bruikbaar. De laatste strofe spreekt over een ander epifaniënthema: de bruiloft te Kana. De ‘bruidegom van licht en vuur’ ‘huwt de mensen aan elkander’ en zo gaat ‘zijn liefde van mond tot mond’, een duidelijke verwijzing naar de viering van de eucharistie.

Auteur: Pieter Endedijk


Huub Oosterhuis
Straatsburg 1545/Genève 1551
Psalm 118

Tekst

Algemeen

Een van de specifieke kenmerken van gedichten is dat ze niet altijd precies geschreven zijn volgens de regels van de grammatica. Dichters hebben ten aanzien van deze regels enigszins de vrije hand. We noemen dit ‘dichterlijke vrijheid’. In het lied ‘Komt ons in diepe nacht ter ore’ is in het begin van de eerste twee strofen sprake van een dergelijke vrijheid. In beide strofen vormen de eerste vier regels één zin die vooral bestaat uit een opsomming. De verschillende elementen of aspecten die genoemd worden zijn associatief achter elkaar geplaatst. Ze zijn niet verhalend of als een redenering met elkaar verbonden. Dat is doorgaans ook niet de intentie van poëzie.
Ook dit lied wil geen betoog zijn met een verhaallijn of met een redenering die door argumenten wordt onderbouwd en verantwoord. Het lied is vooral een aaneenschakeling van beelden die doorgaans compact geformuleerd zijn. Daardoor is de verbeeldingskracht sterker en is de tekst veelzeggender dan in vloeiend geformuleerd proza en eist het lied telkens op eigen wijze de aandacht op. Dat gebeurt in dit lied ook al doordat het in de aanhef een speciale constructie hanteert. Middels inversie, dat wil zeggen een omkering van de woordvolgorde, treedt er een zekere vervreemding of verwarring op. Op een meer verhalende manier zou het begin van de eerste strofe luiden: In diepe nacht is ons ter ore gekomen dat de morgenster is opgegaan en dat er een mensenkind geboren is met de naam ‘God zal ons redden’. Ook de tweede strofe begint onregelmatig omdat de werkwoordsvorm onvolledig is. Wanneer deze wordt aangevuld, staat er: Er is ons geen ander teken gegeven dan deze mens…

De rijke beeldtaal van dit lied verwijst naar de twee feesten uit de liturgische jaarcyclus die genoemd worden in de titel die het lied meekreeg in de eerste uitgaven. In 1964 verscheen het lied in het bundeltje 30 liederen voor een nederlandse liturgie (blz. 16-17) onder de titel ‘Het lied van de verschijning des Heren’, en in 1966 werd het opgenomen in het meest bekende en vele malen herdrukte boek van Oosterhuis Bid om vrede onder de titel ‘Een kerstlied’ (blz. 36). Het feest van de Openbaring des Heren of, naar het Grieks epifanie, het feest van de Verschijning des Heren wordt op 6 januari gevierd. Daarnaast kennen we in het Westen sinds het eind van de Vroege Kerk het feest van Kerstmis op 25 december. Op beide feesten gaat het om de verschijning van God op aarde in mensengestalte, en wel in de persoon van Jezus. In Hem maakt God zich aan ons bekend. Deze bekendmaking (verschijning) van God heeft in de liturgie twee belangrijke invullingen gekregen. Allereerst op 25 december in de viering van Jezus’ geboorte: God neemt op aarde de gestalte aan van een menselijke persoon. Vervolgens op 6 januari wanneer het verhaal van de drie koningen (Matteüs 2) de verschijning van God thematiseert; de verschijning van God in Jezus’ geboorte betreft de hele mensheid, gesymboliseerd in de koningen die ieder een deel van de wereld representeren.

Inhoud

Strofe 1

De eerste strofe bezingt vooral Gods openbaring vanuit het perspectief van Jezus’ geboorte. Het kind Jezus wordt in de nacht geboren; hij is het licht dat straalt in de nacht, de morgenster (2 Petrus 1,19; Openbaring 22,16). Hij is omwille van ons als mens geboren. De naam die Jezus na zijn geboorte moest krijgen, luidt Immanuel, ‘God met ons’ (Jesaja 7,14; Matteüs 1,23). Oosterhuis vertaalt deze naam op eigen wijze tot ‘God zal ons redden’. Hij vult als het ware in wat ‘God met ons’ betekent. De tweede helft roept ons op om ons open te stellen voor en ons over te geven aan deze menswording die hier verwoord wordt in de beeldtaal van Johannes: Jezus is het woord van God dat onze vleselijke gestalte heeft aangenomen en onder ons gewoond heeft (zie Johannes 1,14).

Strofe 2 

De tweede strofe bezingt de belofte die in Jezus aan ons gegeven is. Hij is het enige teken, het enige licht dat onze duisternis (vgl. Johannes 1,5), onze ellende zal verdrijven. Door zijn geboorte is Hij ons zo nabij dat Hij – weliswaar God zijnde – ook onze broeder is; Hij is dus onze meest nabije bloedverwant, dichterbij kan niet. In Jezus is God ons net zo vertrouwd als onze eigen broer dat is. In Jezus wordt duidelijk wat God met de mensen voorheeft en wat het uiteindelijke resultaat zal zijn: de aarde verandert zodat ieder mens heil en geluk ten deel zullen vallen. In Jezus is Gods goedheid en mensenliefde op aarde verschenen (Titus 3,4).

Strofe 3 

Deze weldadige belofte wordt in de derde strofe hernomen met het beeld van de zon (Psalm 19,5-7; Psalm 72 verbindt de motieven vrede en zon, zie Psalm 72,3.5.7.17). Na de morgenster in strofe 1 en het licht in strofe 2 is hier de zon het equivalent van Jezus. Hij is als het licht en het vuur van de zon, wat weldadige zegeningen zijn voor de mens. Hij is als een bruidegom en binnen hetzelfde woordveld van de bruiloft – de bruiloft te Kana is één van de thema’s die vanouds met de Kersttijd verbonden zijn - laat Oosterhuis hem ook mensen met elkaar verbinden (‘huwt hen met elkaar’). In Hem zal definitief de vrede aanbreken. Hij is de vredevorst (Jesaja 9,5), door Oosterhuis vertaald als ‘koning van de vrede’, die de liefde centraal heeft gesteld en heeft voorgeleefd en wiens liefde wordt doorverteld (‘van mond tot mond’). Als teken van zijn liefde en zijn medemenselijkheid tot het uiterste toe heeft Hij ons de eucharistie of het avondmaal nagelaten. Zo worden wij eraan herinnerd om in zijn voetsporen te leven. Dat is wat Jezus het nieuwe verbond noemt en waar we niet alleen met Kerstmis, maar telkens als we eucharistie/avondmaal vieren nadrukkelijk toe worden opgeroepen.

Auteur: Louis van Tongeren


Melodie

Ontstaan en verspreiding

De eerste publicatie van de melodie was in het kerkboek La Forme des prieres et chantz ecclesiastiques, dat in 1545 te Straatsburg werd uitgegeven. Deze bundel bevatte een aantal nieuwe psalmberijmingen van Clément Marot (1496-1544). De toenmalige cantor van de Geneefse gereformeerde kerk, Guillaume Franc (ca. 1505-1570), voorzag de nieuwe teksten van een melodie. Zo ook Marots berijming van Psalm 118.

Zes jaar later werden in de Geneefse bundel Pseaumes octantetrois de David, mis en rime françoise de nootwaarden gehalveerd. Ook werd de tweede regel toen gewijzigd, waarbij de melodieregel in de nieuwe versie afgesloten werd op de finalis, waar de oude versie eindigde op de leidtoon fis’:De wijziging werd doorgevoerd door Loys Bourgeois (±1510-±1560), die van 1545 tot 1553 cantor was in Genève. Hij veranderde meer in de psalmmelodieën en dat nam het stadsbestuur hem niet in dank af; de componist werd er zelfs om in het gevang gegooid. Desondanks werd de gewijzigde melodieregel niet in de oude vorm hersteld.

Toen in 1562 het volledige Geneefse psalter verscheen, bleek de melodie van Psalm 118 ook geplaatst te zijn bij de berijmingen van de Psalmen 66 en 98.

In tegenstelling tot wat men zou verwachten, is de melodie in het Nederlandstalige gebied niet via het psalter van Petrus Datheen geïntroduceerd. Eerder al nam Jan Utenhove (ca. 1516-1566) haar op in 25 Psalmen en andere ghesangen die men in de Duydtsche Ghemeynte te Londen / was ghebruyckende (Emden 1557) bij zijn berijming van Psalm 79. Opmerkelijk is dat Utenhove in zijn bundel – en ook in zijn latere bundels – de melodieversie uit 1545 gebruikt en niet die uit 1551 (met de gewijzigde tweede melodieregel).

Laatstgenoemde versie noteert Johan Fruytiers (??-±1580) wel in zijn Ecclesiasticus Oft de wijse sproken Jesu des soons Syrach (Antwerpen 1565) bij het lied ‘In Davidts tijt niet langh te voren’. Boven het lied plaatst hij bovendien als wijsaanduiding ‘op de vvijse, Rendés à Dieu loua’, de beginregel van Marots berijming van Psalm 118.

De melodie behoort de eeuwen door tot de populairste psalmmelodieën. Deze populariteit blijkt onder meer uit het feit dat zij in de zeventiende en achttiende eeuw voor zo’n 150 contrafactteksten gebruikt werd. Ook tijdens de negentiende en twintigste eeuw bleef de wijs erg geliefd. Het was zelfs de meest populaire psalmmelodie, die andere favoriete psalmmelodieën als die van Psalm 36 en 42 ver achter zich liet.

Analyse

Omdat de eerste regel in de derde regel herhaald wordt, zou men verwachten dat de melodie de Barvorm heeft, waarbij de regels 1 en 2 dus gelijk zijn aan de regels 3 en 4. Maar de vierde melodieregel is anders dan regel 2: we horen een daling van zes tonen (d” naar fis’) om vervolgens via de leidtoon fis’ af te sluiten op de grondtoon g’. De vierde regel wordt herhaald in de slotregel.

Alle regels openen met een halve noot gevolgd door een aantal kwartnoten, en eindigen met een tot drie halve noten. Alleen in de vijfde regel treffen we halverwege halve noten aan. De regels 1, 3 en 7 zijn ritmisch identiek, evenals de regels 2 en 6 en de regels 4 en 8.

De laatstgenoemde twee regels bewegen zich – evenals regel 5 – geheel in secundes. De overige vijf regels bevatten telkens een of twee tertssprongen en een kwartsprong (in solmisatienamen altijd een do-fa). Heel subtiel wordt daarbij gevarieerd met toonherhalingen van twee kwartnoten, die we in vrijwel alle regels tegenkomen met uitzondering van regel 5: de ene keer klinken deze toonherhalingen na de kwartsprong, dan weer na een tertssprong. In de regels 4 en 8 dienen ze om de afsluiting op de finalis g’ voor te bereiden.

De vijfde regel opent wel met een toonherhaling, maar bestaat daar uit een halve noot gevolgd door een kwartnoot (vergelijk ook het begin van regel 7).

Aan het begin van de regels 1 en 3 klinkt een dalende terts en vanaf de laagste toon (d’) volgt een kwartsprong omhoog waarbij de finalistoon g’ herhaald wordt. Ook regel 2 opent met een dalende terts met even later een opwaartse kwartsprong, maar de toonherhaling b’ volgt nu na de tertssprong:  Anders dan de regels 1/3 en 2 opent regel 6 met de kwartsprong, gevolgd door de toonherhaling op de g’, en klinkt verderop in de regel een tertssprong. In regel 7 is de volgorde weer tertssprong-kwartsprong (waarop tweemaal een c” volgt), maar klinken ze direct na elkaar in het midden van de regel: Kortom, de melodie wordt vooral bepaald door de subtiele plaatsing van de kwartsprong en een of twee tertssprongen, in combinatie met de kwartnoot-herhalingen. Deze elementen geven de melodieregels samenhang, maar door ze speels op diverse manieren en momenten toe te passen, blijft de melodie verrassen en boeien.

De melodie is gecomponeerd in de zesde toon, de hypo-lydische modus. Deze toonsoort treffen we geregeld aan bij ingetogen melodieën, zoals Psalm 25 en 140 (=melodie De Tien Geboden). Maar er zijn ook melodieën in deze modus die een meer opgeruimd karakter hebben. Dat komt dan met name doordat de melodie vaak in hoge ligging terecht komt (zogeheten hexachordum molle en durum). Evenals met bijvoorbeeld Psalm 101 is dat het geval met de melodie van Psalm 118.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Capella Augustini o.l.v. Rutger Mauritz; Geerten Liefting, orgel (bron: KRO-NCRV)