Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

505 - In de nacht gekomen


Carols
André Troost
Gustav Holst
Cranham

Tekst

In the Bleak Midwinter

Liefhebbers van Engelse hymns zullen het kerstlied In the Bleak Midwinter kennen. Het werd in 1906 gepubliceerd in The English Hymnal. Christina Rossetti (1830-1894) schreef de tekst vóór 1872 naar aanleiding van een gedichtenwedstrijd van het Amerikaanse, literaire tijdschrift Scribner’s Monthly.

Het gedicht tekent in het eerste couplet de barre winterse omstandigheden (vrieskou, ijs, sneeuw) waarin de geboorte van het Christuskind plaatsvond. In de volgende twee strofen wordt over de komst van Jezus naar de aarde gezongen. Zoals in veel oude kerstliederen gebeurt, bevat de laatste strofe een persoonlijke reflectie op de geboorte van Jezus:

What can I give him
poor as I am?
If I were a shepherd
I would bring a Lamb;
If I were a wiseman
I would do my part;
Yet what I can I give him –
Give my heart.

Het gedicht van Rossetti heeft een onregelmatig metrum; het was oorspronkelijk dan ook niet bedoeld om gezongen te worden als hymn met dus een vaste strofevorm. Dat de regels niet altijd evenveel lettergrepen bevatten, had uiteraard consequenties voor de melodie die Gustav Holst bij het gedicht componeerde. Wanneer een versregel lettergrepen meer of minder heeft dan dezelfde regel in andere coupletten, moet de melodie dat ‘opvangen’ door een extra nootje toe te voegen of door meerdere noten op één lettergreep te zingen.

De tekst van André Troost heeft overal een regelmatig metrum. Dit betekent dat in de Nederlandse liedversie geen melismen gezongen (hoeven te) worden. Ook in de laatste regel, waar het Engelse lied standaard in alle coupletten een melisme van drie tonen kent, heeft de tekst van Troost vijf lettergrepen voor de vijf noten van de melodieregel.

Nederlandse tekst

André Troost maakte geen vertaling van Rossetti’s lied, maar hij heeft een nieuwe, oorspronkelijke tekst geschreven. De enige overeenkomst is dat Troost zijn lied ook voor de viering van Kerst geschreven heeft. Hij zegt over zijn lied dat het geboren is uit liefde voor de kwetsbare, tere melodie van Gustav Holst, en dat de wijs de woorden wekte.

Het lied werd voor het eerst gepubliceerd in Troosts bundel Zingend gezegend (Zoetermeer 1995, nr. 121).

Inhoud

Wanneer we Liedboek 505 globaal bekijken, valt al meteen op dat voortdurend geroepen wordt om de komst van het kind. Negen keer begint een versregel met de aanroep ‘kom’, waaronder de refreinregels 5 en 6:

kom in onze dagen
kom in onze nacht

De roep ‘kom’ is opmerkelijk voor een kerstlied. De komst van de Heer in deze wereld is immers een thema dat vooral verbonden is met de laatste zondagen van het liturgisch jaar en nog meer met advent. Er zijn diverse adventsliederen waarin de roep ‘kom’ letterlijk of in andere bewoordingen klinkt. ‘Kom, tot ons de wereld wacht’ (Liedboek 433) van Martin Luther (1483-1546) en ‘Kom tot ons, scheur de hemelen, Heer’ (Liedboek 437) van Friedrich von Spee (1591-1635) zijn daarvan slechts twee bekende voorbeelden. Voor ons gevoel past het niet zo goed om bij de blijde viering van de geboorte van de Heiland te smeken om zijn komst.

Maar de geboorte van de Heer is in de geschiedenis een keerpunt en geen eindpunt. Kerst wordt gevierd in de tijd die nog niet voltooid is, en op een aarde die nog niet volmaakt is. De viering vindt plaats in de verwachting dat het kind aan het einde van de tijden de geschiedenis zal voltooien. Deze messiaanse toekomstverwachting draagt het kerstlied van Troost. Het gedenken van de geboorte van het kind gebeurt in een gebroken wereld, en die gebrokenheid is dan ook de aanleiding voor de roep om zijn komst. Of zoals Troost het verwoordt in de eerste strofe met een referentie aan Romeinen 8,22:

hoor de aarde klagen
– Heer, de wereld wacht.

Het Christuskind kwam in de wereld om licht te brengen in de nacht. Dat wordt ook in de eerste regels van de eerste twee coupletten onder woorden gebracht: het kind van hogerhand, van Godswege, is het

licht  in blinde ogen,
licht dat zingend brandt’

En in het tweede couplet:
kind dat met geduld
eeuwenoude dromen
eindelijk vervult

Het derde couplet verwoordt wat van het kind verwacht wordt:

kom, doorwaai de bomen,
zachte zuidenwind

Deze regels doen denken aan Hooglied (4,16):

Kom, zuidenwind!
Waai door mijn hof, laat zijn balsems geuren.

Voor ons, bewoner van het koude noorden van West-Europa, betekent ‘zuidenwind’ de aanvoer van zachte, warme lucht. Het is in dit lied metafoor voor het nieuwe leven dat uit de doodsheid van de winter moet ontspruiten. Het woord ‘wind’ is in het Hebreeuws roeach, dat tevens ‘adem’ en ‘geest’ betekent.

Oorspronkelijk luidden de laatste twee regels van couplet drie:

dat wij niet meer vragen
waar uw komst op wacht.

Op verzoek van de redactie zijn deze regels aangepast.

Het lied had in de bundel Zingend gezegend nog een vierde strofe:

In de nacht gekomen
kind, zo kwetsbaar klein,
wat ons wordt ontnomen,
licht, wil bij ons zijn –
kom in onze dagen
kom in onze nacht,
licht terneergeslagen
kind, uw liefde lacht!

Door het weglaten van deze strofe, die in vergelijking tot de andere coupletten clichématiger is, heeft het lied aan zeggingskracht gewonnen. In de huidige versie grijpt de laatste zin van couplet 3 terug op die van 1. Daardoor is de cirkel weer rond, maar heeft het lied inhoudelijk toch ook een open einde.

Het lied kan uitstekend dienst doen in de kerstnachtdienst.


Melodie

De populariteit van liederen is in veel gevallen niet in de laatste plaats te danken aan de melodie. Dat is ook het geval met het lied In the Bleak Midwinter. De melodie die Gustav Holst componeerde bij de tekst van Christina Rossetti, heeft een prachtig verstild karakter. De kundigheid van de componist blijkt uit het feit dat hij met weinig en eenvoudige bouwstenen, toch een sterke melodie met grote zeggingskracht geschreven heeft.

De eerste bouwsteen is het gepuncteerde ritme waarmee de melodie opent, en dat in de regels 1, 2, 3, 5 en 7 aan het begin van de regel gebruikt wordt, en in de regels 4 en 8 heel subtiel verschuift naar het einde van die regels.

Een tweede element is de kleine terts-afstand die de eerste en de identieke derde en zevende melodieregel structureert: eerst stijgend opgevuld door de achtste noot bes’ en vervolgens een neerwaartse sprong c”-a’. De kleine terts, het gepuncteerde ritme en het gegeven dat de melodie op de terts (a’) begint, geven de melodie een prachtig innige verstilling. Ook de overwegende beweging in secunden draagt hieraan bij.

De tweede regel is onlosmakelijk met de eerste verbonden en valt vooral op door de kwartsprong d’-g’ als afsluiting. Het kwartinterval komen we verderop in de melodie ook tegen in regel 5 (daar d”-a’) en bij de overgangen van regel 4 naar 5 (f’-bes’) en regel 6 naar 7 (e’-a’). Doordat Holst in de tweede melodieregel als laatste noot niet de tonicatoon f’ maar de secunde daarboven (g’) noteert, krijgt de afsluiting een open einde: de g’ voert naar de eerste noot van de derde regel. De vierde regel is verwant aan de tweede regel, maar sluit af op de tonica.

De vijfde regel plaatst de melodie even in een hogere ligging, maar in regel 6 daalt zij weer naar de leidtoon e’ onder de tonica (f’). Ook in deze regels gebruikt Holst heel subtiel het terts- en kwartinterval.

De twee slotregels zijn een herhaling van de regels 3 en 4.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Vocaal Theologen Ensemble o.l.v. Hanna Rijken; Sebastiaan ’t Hart, orgel

Video: In The Bleak Midwinter: Choir of Kings College, Cambridge