Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

559 - Gij die ver voor ons uit


Een eerste kennismaking

Eigenlijk moet bij dit lied ook een andere naam vermeld worden dan van de auteurs die nu in het Liedboek genoemd worden: Jürgen Henkys (1929-2015), een Duitse theoloog, die sinds het midden van de jaren zeventig veel liederen uit verschillende Europese talen (Nederlands, Engels, Noors, Zweeds) in het Duits vertaalde. Zo vestigde hij de aandacht op bijzondere liederen uit andere landen. Uit die tijd stamt ook een vertaling van Henkys van het Zweedse lied Du som gick före oss van Olov Hartman, dat via het Duits de aandacht kreeg van Ad den Besten. Hij maakte een Nederlandse vertaling.
Het is een tekst zonder rijm. Elke strofe van vier regels bevat in de eerste twee regels een aspect waarmee Christus zich aan de wereld toont: helper, schenker van vergeving, brooddeler. Het tweede deel van elke strofe is een gebed. De aanroep in de vierde strofe wordt een oproep aan ons: dat wíj vrede en brood bij mensen brengen.
De melodie van Johannes Petzold sluit goed aan bij de rijmloze tekst: de melodieregels lopen in elkaar over. De maatwisselingen moeten dan ook zorgvuldig worden toegepast, zonder spontane rusten na de eerste en tweede regel.
Zo is een geconcentreerd lied ontstaan, dat bij het zingen ook die concentratie vraagt en goede diensten kan bewijzen op meditatieve momenten.

Auteur: Pieter Endedijk


Du som gick före oss

Olov Hartman
Ad den Besten
Johannes Petzold

Tekst

Ontstaan en verspreiding

De Zweedse predikant, lieddichter en literator Olov Hartman (1906-1982) schreef zijn liedtekst ‘Du som gick före oss’ als vrije hertaling van de communiezang Agnus Dei op een reeds bestaande atonale melodie uit 1959 van zijn landgenoot Sven-Erik Bäck (1919-1994). Deze combinatie van tekst en melodie maakte deel uit van de in 1968 verschenen Uppbrottets Mässa, een poging tot een nieuwe tekstuele en muzikale vormgeving van de hoogmis.
Als afzonderlijk lied verscheen het voor het eerst onder nummer 652 in de bij gedeelten uitgegeven Psalmer och visor (Del 1:2, 1975) en naderhand in meer Scandinavische liedbundels: Herren Lever (1977, nr. 841); Den Danske Salmebog (1978, nr. 457b met een melodie van Asger Pedersen); Den svenska psalmboken (1986, nr.74) en Den finlandssvenska psalmboken (1986, nr. 430).

De Oostduitse predikant en hymnoloog Jürgen Henkys (1929-2015) speelde een sleutelrol in de verspreiding van het lied buiten het land van oorsprong. Henkys legde zich onder meer toe op vertalingen in het Duits van nieuwe liederen die hij buiten de landsgrenzen ontdekte (met name in Nederland en Scandinavië) en van belang achtte voor vernieuwing van de Europese kerkliedtraditie. Het bleef niet bij vertalen: Henkys bracht zijn ontdekkingen ook onder de aandacht via de congressen van de Internationale Arbeitsgemeinschaft für Hymnologie. Zo zorgde hij ervoor dat de deelnemers van het congres in 1975 in Groningen een exemplaar van het pas verschenen deeltje van Psalmer och visor ontvingen en op een los vel zijn vertaling van Olov Hartmans lied en een andere melodie daarbij van de eveneens Oostduitse kerkmusicus Johannes Petzold (zie voor melodieën van zijn hand in het Liedboek ook de nummers 103b, 445 en 855). Petzold schreef zijn melodie nadat hij al snel een poging had opgegeven zijn gemeente de twaalftoonsmelodie van Bäck aan te leren.

Zo kwam het lied onder de aandacht van Ad den Besten die in navolging van het voorbeeld van Henkys het lied in het Nederlands vertaalde. Zijn vertaling vond met de melodie van Petzold haar weg naar het eerste, aanvankelijk nog losbladige deeltje van de reeks Zingend Geloven (1981, nr.40) en vervolgens naar het Liedboek. De tekst in deze vertaling werd ook – als allerlaatste tekst – opgenomen in de verzamelbundel Poëzie om te zingen van Ad den Besten (1998, blz. 267).

De vertaling van Jürgen Henkys verscheen in zijn eigen verzameling Frühlicht erzählt von Dir. Neue geistliche Lieder aus Skandinavien (1990) en kreeg samen met de melodie van Bäck ook een plaats in het Evangelisch-reformiertes Gesangbuch (1998, nr. 830).
Fred Kaan vertaalde de tekst van Hartman al in 1972 in het Engels. In de meertalige bundel Colours of Grace (2006) zijn onder nummer 136 naast de originele tekst van Hartman de vertalingen van Henkys, Kaan en Den Besten te vinden, samen met de melodie en bijbehorende zetting van Bäck.

Vorm

De tekst van het lied beslaat vier strofen van elk vier regels met een lengte van respectievelijk zes, zes, zes en vijf lettergrepen. De strofen zijn geleed in tweemaal twee regels: een voorzin en een nazin. Het metrum is onregelmatig, de regels vertonen paarsgewijs enjambement en eindrijm ontbreekt volledig, zowel in de originele tekst van Hartman als in de vertalingen van Henkys en Den Besten. Kennelijk zag Kaan dat als gebrek, want hij voegde nadrukkelijk eindrijm toe: binnen de strofen tussen de eerste drie regels en paarsgewijs tussen de slotregels van de strofen.

De genoemde vormkenmerken sluiten naadloos aan bij de atonale opzet van de oorspronkelijke melodie. De literaire kracht boet op geen enkele manier in onder het ontbreken van eindrijm. De vertaling van Den Besten versterkt deze nog door het gebruik van alliteraties (strofe 1: ver, voor, vinden; 2: vergeving, vrede, voor; 4: ver, voor, wereld, vrede) en door de o-klanken in strofe 1, de e-klanken in strofe 2 en een combinatie van beide in strofe 4.

vertaling Jürgen Henkys: vertaling Fred Kaan: vertaling Ad den Besten:

Der du uns weit voraus
ins Reich der Ängste gingst,
lass dich im Dunkeln noch,
Herr, von uns finden.

You, Lord, who chose to share
and shoulder Man’s despair,
be where your people are
in fear and darkness.

Gij die ver voor ons uit
doordrong in ’t land der angst,
help ons in ’t donker, o
Heer, U te vinden.

Der du all unsre Schuld
in dein Verzeihen trugst,
Friede den Herzen sei,
Jesus, auf ewig.

Lord, you who went before,
counting our sins no more,
peace to our hearts restore:
be with us always.

Gij die al onze schuld
in uw vergeving draagt,
wees onze vrede, o
Jezus, voor eeuwig.

Der du mit Lebensbrot
turch die Geschichte ziehst,
tägliches Brot gib uns,
Christus, auch heute.

You, who with living bread
fill the earth far and wide,
each day this bread provide,
Christ, at our table.

Gij die met levensbrood
door tijd en ruimte gaat,
geef alle dagen, o
Christus, dit brood ons.

Der du uns weit voraus
in Elendswelten gehst,
sende mit Brot uns aus,
Herr, und mit Frieden.

You, Lord, who went ahead
into a world of dread,
send us with peace and bread
to all your people.

Gij die ver voor ons uit
in deze wereld zijt,
zend ons met vrede en brood,
Heer, tot de mensen.

Inhoud

De paarsgewijs gevormde regels van het lied hebben in elke strofe het karakter van een aanroep, gevolgd door een bede. De woorden hebben iets geheimzinnigs: ze geven hun betekenis niet zomaar prijs, maar nodigen uit tot mijmeren.

De aanroep is gericht tot Jezus, in de vier strofen aangesproken als Heer, Jezus, Christus en opnieuw Heer (zie steeds de slotregel). De aanroep geeft per strofe een andere typering van de aangesprokene: Hij drong door in het land van de angst (1), draagt in vergeving onze schuld (2), gaat met levensbrood door tijd en ruimte (3) en is in deze wereld aanwezig (4).

De beden sluiten aan bij deze typeringen. De zangers vragen in relatie tot het land van de angst in het donker hun weg naar Jezus te mogen vinden (1), in relatie tot de notie van vergeving om het duurzaam ervaren van vrede (2) en in relatie tot het levensbrood om daarmee van dag tot dag gevoed te worden (3).

De slotstrofe opent uitdrukkelijk nog weer nieuwe vergezichten. Het hernemen van de eerste strofe met de beginregel (‘Gij die ver voor ons uit’) en de aanspraak van Jezus als Heer realiseert een inclusie: de hoekstrofen vormen een lijst waarin het geheel van de liedtekst is gevat. Tegelijk kenmerkt de slotstrofe zich door een transformatie van de voorafgaande thema’s. Jezus is en blijft ver voor ons uit, maar is nu, het land van de angst (1) voorbij, op een nieuwe wijze in onze wereld present (4) met vrede (2) en brood (3).

Ook de aansluitende bede reikt nu verder dan de vervulling van een naar binnen gericht verlangen en vraagt om een actieve rol van de zangers: een roeping, een opdracht, een ambt waarin wij zelf betrokken raken in de missie waarop Jezus ons al ver vooruit is. De zending waarom nu gevraagd wordt, is gericht op de mensen, om in deze wereld ook hen te laten delen in de eerder genoemde gaven van vrede (2) en brood (3).

Zoals gezegd is de liedtekst geconcipieerd als hertaling van het klassieke Agnus: ‘Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt’ – in de gebruikelijke vorm tweemaal gevolgd door de bede ‘ontferm U over ons’ en de derde keer door de variant: ‘geef ons uw vrede’ (zie Liedboek 408). Deze achtergrond is het meest duidelijk terug te vinden strofe 2: ‘Gij die al onze schuld in uw vergeving draagt, wees onze vrede’. Maar het woord ‘wereld’ uit de klassieke formulering duikt pas op in de laatste strofe: ‘Gij die ver voor ons uit in deze wereld zijt’. Een aanwijzing dat de originele frase in het geheel van de liedtekst uitgesponnen en geduid wordt: ‘vergeving’ transformeert ‘schuld’ tot ‘vrede’ (strofe 2) en die realiteit doortrekt heel de wereld. Deze beweging ‘door tijd en ruimte’ (strofe 3) vraagt om navolging: ‘zend ons met vrede en brood, Heer, tot de mensen’. Communie als opmaat tot diaconale presentie.

Bijbelse achtergrond

De meest herkenbare verwijzing naar de Bijbel is te vinden in strofe 3: ‘geef alle dagen … dit brood (aan) ons’. Hier resoneert Johannes 6,34: ‘Geef ons altijd dit brood, Heer!’ Het is een zinsnede uit de befaamde broodrede (Johannes 6,22-59), waarin het brood uit de hemel verbonden is met het manna in de woestijn en staat voor meer dan brood alleen: de Thora, het spreken van God, gericht op recht en vrede. Anders gezegd: de oproep tot handelen conform de wil van de Vader, waarmee Jezus zich voedt (Johannes 4,34).

Dit min of meer herkenbare Bijbelcitaat doet vermoeden dat de wat geheimzinnige taal van het lied ook daar waar dat minder exact aanwijsbaar is, noties uit het even geheimzinnige evangelie naar Johannes reflecteert. Bij het dragen van onze schuld (strofe 2) valt te denken aan Johannes 1,29: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’. Bij de vrede voor eeuwig (2) aan Johannes 14,27: ‘Ik laat jullie mijn vrede na, mijn vrede geef ik jullie’. En bij het levensbrood (3) aan Johannes 6,35 en 6,48: ‘Ik ben het brood dat leven geeft’.

Het centrale motief van Jezus ‘ver voor ons uit’ (1 en 4) ten slotte is mogelijk gekleurd door de raadselachtige uitspraak van Jezus in Johannes 13,36: ‘Ik ga ergens naartoe waar jij nog niet kunt komen, later zul je mij volgen’. Dit lijkt een verwijzing naar het kruis, dat bij Johannes (3,14) dubbelzinnig tegelijk symbool staat voor de dood (het land van de angst – strofe 1) en de opstanding in een verheerlijkt lichaam (‘ver voor ons uit in deze wereld’ – strofe 4). In strofe 3 wordt deze vooralsnog onnavolgbare gang geduid als een gaan door ruimte en tijd.

Van de zending van de leerlingen (4) is bij Johannes sprake na de opstanding: ‘Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit’ (Johannes 20,21). In het verhaal van de broodvermenigvuldiging (Johannes 6,1-15), bij Johannes de opmaat tot de al genoemde broodrede (Johannes 6,22-59), mag niets van de overgebleven brokken verloren gaan (Johannes 6,12). Hier komen de mensen in deze wereld (4) in het vizier, van wie er ook niemand verloren mag gaan (Johannes 6,39). In de spijzigingsverhalen van de andere evangelisten krijgen de leerlingen uitdrukkelijk opdracht ‘met vrede en brood … tot de mensen’ (4) te gaan: ‘Geven jullie hun maar te eten’ (Matteüs 14,16; Marcus 6,37; Lucas 9,13; vergelijk Matteüs 14,19; 15,36; Marcus 6,41; 8,6; Lucas 9,16).


Melodie

De liedtekst is zoals gezegd oorspronkelijk geschreven op een atonale melodie die Sven-Erik Bäck in 1959 maakte voor een nooit voltooide passio. De twaalftoonsmuziek gebruikt in een willekeurige volgorde alle twaalf halve toonsafstanden binnen een octaaf. De melodie van Bäck versterkt het meditatieve karakter van de tekst en ook de poëtische vorm van de liedtekst zonder vast metrum en eindrijm harmonieert volledig met de melodie zonder hiërarchische verhouding tussen de tonen onderling. Van de zingende gemeente vraagt de melodie van Bäck oefening. Eenmaal ermee vertrouwd blijkt deze van een bijzondere schoonheid. De redactie van Liedboek was hierover evenwel niet eenstemmig en zo bleef de bundel verstoken van een voorbeeld van twaalftoonsmuziek.
Klik hier om een opname te beluisteren, gezongen door het Adolf Fredriks Bachkör o.l.v. Anders Öhrwall.

Hoewel het lied op de melodie van Sven-Erik Bäck eenstemmig gezongen kan worden, is de begeleiding die de componist schreef obligaat:
Klik hier om een fraaie vierstemmige uitvoering te horen door het S:t Jacobs Kammarkör o.l.v. Gary Graden en organist Anders Bondeman. De tegenstem die de organist speelt in de tweede en derde strofe is in de stijl van de twaalftoonsmuziek.

De melodie van Johannes Petzold heeft het meditatieve karakter met de oorspronkelijke melodie gemeen. Het kan ook bijna geen toeval zijn dat enkele motieven uit de melodie van Bäck daarin terugkeren (zie het muziekvoorbeeld hierboven en hieronder), maar nu binnen een tonaal kader: het interval van de kwart (A), een dalende reeks secunden (B) en een gebroken drieklank in neerwaartse richting (C). In de melodie van Petzold valt vooral de dalende kwart op (slot regel 2), gevolgd door drie stijgende kwarten in een vrijwel directe opeenvolging en een opklimmende reeks (regel 3 met de eerste noot van regel 4) die de melodie naar haar hoogste punt (c”) en de directe aanroepen in de tekst stuwt: Heer, Jezus, Christus, Heer.
Het onregelmatige metrum van de tekst wordt in de melodie van Petzold opgevangen door afwisseling tussen een tweedelig en een driedelig ritme (genoteerd met behulp van wisselend een 3/4- en een 5/4-maat). De uitvoering van dit wisselende ritme steekt nauw: toegeven aan de verleiding de slotnoten van de regels 1 en 2 met een kwart te verlengen zou leiden tot een egalitair ternair ritme dat de melodie onmiddellijk van haar spanning berooft. Bij het zingen vraagt ook het enjambement in de regels 3-4 aandacht, evenals de ongelijke plaatsing van de komma na de aanspraak aan het begin van de laatste regel van elke strofe.


Liturgische bruikbaarheid

In Psalmer och visor staan de liederen in een willekeurige volgorde, zonder verwijzing naar een specifieke rubriek. Het eerste deeltje Zingend Geloven, met de ondertitel ‘Tijd voor Pasen’, beoogde te voorzien in het tekort aan liederen voor de veertigdagentijd en de Stille Week in het Liedboek voor de kerken (1973). In deze uitgave wordt het lied toegewezen aan Witte Donderdag en Goede Vrijdag. Daarbij is ongetwijfeld gedacht aan het brood (3) in verband met de instelling van het avondmaal (Witte Donderdag) en het dragen van de schuld (2) in de weg van de dood aan het kruis (Goede Vrijdag).

Het Liedboek plaatst het lied in de rubriek ‘Veertigdagentijd’. De zeggingskracht van de tekst reikt inderdaad verder dan enkel Witte Donderdag en Goede Vrijdag. Het lied kan ook zinvol klinken als vervanging van het Agnus Dei dan wel in verband met de tafelviering of de lezing van een van de broodverhalen, met name in de veertigdagentijd (bijvoorbeeld de vierde zondag in de veertigdagentijd (Laetare) in jaar B met Johannes 6,4-15), de paastijd (derde zondag in het jaar A met Johannes 21,1-14) of de zomertijd (zevende zondag in het jaar A met Matteüs 14,13-21; vijfde en tiende zondag in het jaar B met respectievelijk Marcus 6,30-44 en 8,1-21). Scandinavische liedboeken plaatsen het lied in de rubriek ‘Eucharistie’ of ‘Roeping’.

Aurteur: Klaas Holwerda