Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

864 - Laat ons de Heer lofzingen


Lobt Gott getrost mit Singen

Böhmische Brüder 1544
Ad den Besten
15de eeuw/Nürnberg 1535/Johann Crüger 1647/Otto Riethmüller 1932
Entlaubet ist die Walde

Tekst

Herkomst en verspreiding

Liedboek 864 is afkomstig van de Boheemse volgelingen van Johannes Hus (1369-1415). Zij verenigden zich in 1467 in de ‘Unitas fratrum’. Het eerste belangrijke liedboek uit de kring van de Boheemse Broederschap verscheen in 1531: Ein New Gesengbuchlen (Jungbunzlau). De bundel, die geredigeerd was door Michael Weisse (±1488-1534), bevatte zowel middeleeuwse als reformatorische liederen en sloot bovendien nauw aan bij de Boheemse volksliedcultuur. Diverse liederen werden in 1545 opgenomen in het beroemde lutherse Babstsche Gesangbuch (Leipzig).
In 1544 verzorgde Johannes Horn (1490-1547), samen met twee onbekende medewerkers, een vernieuwde uitgave van Weisses bundel: Ein Gesangbuch der Brüder in Behemen und Meherrn (Nürnberg). Horn voegde 32 nieuwe liederen aan de verzameling toe, waaronder het lied ‘Lob Gott getrost mit Singen’, dat negen strofen omvatte. Een paar decennia later verscheen een hernieuwde en uitgebreide uitgave van dit liedboek: Kirchengeseng darinnen die Heubtartickel des Christlichen glaubens kurtz gefasset vnd ausgeleget sind (Ivančice 1566), samengesteld door Michael Thamm. In deze uitgave zijn veel liederen, waaronder ‘Lob Gott getrost mit Singen’, in de kantlijn voorzien van bijbelverwijzingen. In de editie uit 1639 van Thamms liedboek werd het gezang toegeschreven aan Johannes Horn, waarschijnlijk omdat hij de samensteller was van de bundel uit 1544 waarin het lied voor het eerst gepubliceerd werd. Horn zou inderdaad de auteur kunnen zijn, maar bij de samenstelling van zijn liedboek waren, zoals gezegd, twee medewerkers betrokken die het gezang ook gemaakt kunnen hebben.
Binnen de Boheemse Broedergemeente bleef het lied bekend, waarbij steeds alle negen coupletten in de broederschapsbundels uit de zestiende en zeventiende eeuw werden opgenomen. In 1753 werden vijf strofen van het gezang opgenomen in het Londoner Gesangbuch onder nummer 364.
Buiten de broederschap kreeg het lied in de twintigste eeuw bekendheid. De lutherse predikant en lieddichter Otto Riethmüller (1889-1938) nam het in 1932 op in zijn liedboek voor de jeugd: Ein neues Lied. In de jaren dertig en veertig raakte het lied geliefd in kringen van de Bekennende Kirche. Na de oorlog kwam het – zij het met een geredigeerde tekst – terecht in het Evangelisches Kirchengesangbuch (1950, nr. 205), en daarna in het Evangelisches Gesangbuch (1993, nr. 243. In het Evangelisches Kirchengesangbuch werden na strofe 3 vier coupletten geschrapt. Het vierde couplet werd samengesteld uit de eerste helft van couplet 8 en de tweede helft van couplet 9.
Via dit gezangboek kwam het lied in Nederland onder de aandacht. Ad den Besten vertaalde de Duitse versie; zijn vertaling werd opgenomen in het Liedboek voor de kerken (gezang 409) en zijn opvolger uit 2013. Den Bestens vertaling kwam ook terecht in het Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 809) en Gezangen voor Liturgie (1996, nr. 629). Ook voor de bevindelijk-gereformeerde bundel Weerklank uit 2016 werd het lied geselecteerd (nr. 450).

Inhoud

Het gezang was in Horns bundel opgenomen in de rubriek ‘Von der Christlichen Kirche’, en Thamm plaatste het in de rubriek ‘Von Verneuerung der Kirche’. In het Evangelisches Kirchengesangbuch staat het lied eveneens in de rubriek ‘Die Kirche’. Het onderbrengen in deze rubrieken is logisch, want het lied is één grote bemoediging voor de kerkgemeenschap, de ‘Christlich Schar’, zoals de kerk in het oorspronkelijke eerste couplet genoemd wordt. Wat er ook aan tegenslagen en bedreigingen mogen opdoemen, de Heer zal zich aan zijn beloften houden; Hij zal de kerk bewaren, beschermen en vernieuwen. In het Evangelisches Gesangbuch is het lied opgenomen in de rubriek ‘Sammlung und Sendung’.
In de Duitse liedtekst wordt de kerk in de tweede persoon aangesproken; ‘du’ heeft niet betrekking op de individuele gelovige(n). In de Nederlandse vertaling ligt dat minder duidelijk: daar kan met de tweede persoon (‘gij’ en ‘u’) evengoed het individu bedoeld worden dat aan voorwaarden voldoet: ‘al wie bij Hem hoort’ (strofe 1, regel 2) en ‘wie steunen op zijn woord’ (strofe 1, rege;l 4). Een ander verschil met de Duitse versie is dat Den Besten meteen in de eerste regel van het eerste couplet de eerste persoon meervoud (‘ons’) gebruikt, terwijl dat in de Duitse tekst pas in het slotcouplet gebeurt: ‘Gott solln wir fröhlich loben…’.

Strofe 1

De oorspronkelijke tekst geeft in de eerste regel van strofe 1 de focus van het lied weer: ‘Lob Gott getrost mit Singen’. Het loven van de Heer, waartoe oproepen wordt, kan gebeuren vanuit de troost, bemoediging die gegeven is. Wat men ook aan tegenslagen moet verdragen, men moet de moed niet verliezen omdat de Heer uit alle nood redt. De oproep om te loven omdat er troost is, kan een (indirecte) verwijzing zijn naar Jesaja 49,13: ‘Juich hemel! Jubel, aarde! Bergen, breek uit in gejuich! De Heer heeft zijn volk getroost, hij heeft zich over de armen ontfermd.’ In het derde couplet wordt namelijk naar hetzelfde bijbelhoofdstuk verwezen. In de bundel van Thamm wordt bij het eerste couplet in de kantlijn verwezen naar schriftgedeelten over vervolging en onderdrukking van de vroegchristelijke kerk: Lucas 21, Handelingen 14, 2 Timoteüs 3, 1 Petrus 5 en Openbaring 14.

Strofe 2

Het tweede couplet verwoordt waarom het zeker is dat de Heer redding zal bieden: Hij heeft u uitverkoren en met een eed gezworen dat Hij u zal bijstaan en bewaren (vergelijk Deuterpnomium 9,5; Jesaja 45,22-23 en Lucas 1,73-75).

Strofe 3

Het derde couplet verwijst naar Jesaja 49,15, waar de profeet tegen Sion zegt: ‘… kan een vrouw haar zuigeling vergeten of harteloos zijn tegen het kind dat zij droeg? Zelfs al zou zij het vergeten, ik vergeet jou nooit.’ Ook kan gedacht worden aan Jesaja 66,13: ‘Zoals een moeder haar zoon troost, zo zal ik jullie troosten.’ Evenals in het voorgaande couplet wordt hier opnieuw vermeld dat God gezworen heeft dat Hij u niet verlaat.

Strofe 4

Couplet 4 is in de Nederlandse versie een samenvoeging van de Duitse strofen 4 (regel 1-4) en 5 (regel 5-8). Hierdoor zijn de aspecten dat God de ‘christgläubige Schar’ ook van haar zonden bevrijdt uit het lied verdwenen, evenals de notie dat God zijn kerk vernieuwt. Wel heeft Den Besten in zijn vierde strofe de gedachte bewaard dat woord en sacramenten de gelovigen ondersteunen.

Strofe 5

Het laatste couplet grijpt terug op de oproep om de Heer te loven waarmee het lied opent. Anders dan in de eerste strofe wordt nu ook aandacht besteed aan de onderlinge verbondenheid: de Heer moge ons behoeden, elkander toegewijd. In de Duitse tekst is dit nog krachtiger verwoord: ‘Er wird uns auch erhalten / in Lieb und Einigkeit / und unser freundlich walten / hier und in Ewigkeit’. Het lied eindigt met een eschatologische dimensie: Gods zorg geldt voor het hier en nu én voor de eeuwigheid.

Vorm

Het lied bestaat uit acht regels van respectievelijk 7-6-7-6-7-6-6-8 lettergrepen en het rijmschema a-B-a-B-c-D-c-D. De tekstversie zoals deze in Duitsland sinds het Evangelisches Kirchengesangbuch gebruikt wordt, heeft in de slotregel geen acht maar zes lettergrepen. Dit heeft consequenties voor de melodie, zoals hieronder nog ter sprake zal komen.


Melodie

De melodie van het lied hoorde oorspronkelijk bij het wereldlijke liedje ‘Entlaubet ist der Walde’ dat uit de vijftiende eeuw stamt en tot ver in de zestiende eeuw veelvuldig in diverse varianten in liedboeken opgenomen werd. De oudst bekende bron waarin we de melodie tegenkomen, is het zogeheten Glogauer Liederbuch, een handschrift uit ±1480 met wereldlijke en geestelijke liederen en instrumentale muziek.
Rond 1535 verscheen een losse uitgave van het lied ‘Ein schön geystlich new Liede, zu singen So man zu morgens auffgestanden ist’. Het betrof het morgenlied ‘Ich dank dir, lieber Herre’ van Johann Kolross (±1487-1560), dat blijkens de wijsaanduiding gezongen moest worden op ‘Entlaubt ist uns der Walde’.
De melodie werd in Ein Gesangbuch der Brüder in Behemen und Meherrn (1544) bij het lied ‘Lob Gott getrost mit Singen’ geplaatst. Het betrof de volgende melodieversie (getransponeerd naar G in moderne nootwaarden):
In de befaamde bundel Praxis Pietatis Melica (1647) van Johann Crüger werd een sterk vereenvoudigde versie van de melodie (plus een basso continuo) geplaatst bij het morgenlied van Kolross (getransponeerd naar G en in moderne nootwaarden):
Otto Riethmüller nam de volgende versie op in zijn bundel uit 1932:
De slotregel is een mix van de versie 1544 (tweetonig melisme) en die van Crüger (gepunteerde ritme).
Deze melodieversie werd opgenomen in het Evangelisches Kirchengesangbuch uit 1950, en later ook in het Liedboek voor de kerken (1973) en zijn opvolger uit 2013. Een belangrijke afwijking is echter de slotregel, die bij Riethmüller acht lettergrepen telt, zoals in de oorspronkelijke versvorm. In liedboeken sinds 1950 telt deze regel echter zes lettergrepen. Daardoor kent de slotregel in Ein neues Lied twee melismen van respectievelijk drie en twee tonen. Sinds het Evangelisches Kirchengesangbuch is er sprake van één lang melisme van zes tonen.

Analyse

De melodie heeft de middeleeuwse Bar-vorm, waarbij de regels 1 en 2 dus herhaald worden in de regels 3 en 4 (‘Aufgesang’). De eerste vier regels zijn ritmisch identiek, waarbij vooral het gepunteerde ritme typerend is. Een overeenkomst tussen de regels is eveneens dat ze alle vier eindigen op de lage dominant d’.
De overgang van het ‘Aufgesang’ naar het ‘Abgesang’ (regels 5 t/m 8) vindt plaats met een oktaafsprong, waardoor de melodie meteen in een hogere ligging terecht komt. Hierdoor en doordat het gepunteerde ritme uit de eerste helft van de melodie verdwenen is, ontstaat een vrij grote tegenstelling met de eerste vier regels. Waar de eerste vier regels robuust en kordaat zijn, heeft de melodie vanaf regel 5 een meer vloeiend en verhalend karakter.
Regel 5 bevat een dalende beweging in secunden vanaf de hoge dominant en via een tweetonig melisme c”-b’ naar de a’. Regel 6 is een herhaling van de voorgaande regel met het verschil dat de twee melismenoten nu ontbreken.
De zevende regel contrasteert met de voorgaande twee doordat hij vanuit de lage dominant juist een stijgende beweging naar de hoge dominant maakt in hoofdzakelijk secunden, om via een kwartsprong toch weer op de a’ te eindigen.
De slotregel kenmerkt zich opnieuw door een dalende beweging en vooral door het zestonige melisme op de vierde lettergreep.


Liturgische bruikbaarheid

Zoals we gezien hebben was het lied in bundels van de Boheemse Broederschap ondergebracht in de rubriek ‘Kerk’. Het spreekt voor zich dat het lied gezongen kan worden in diensten rond het kerk zijn in deze wereld. Het Evangelisches Gesangbuch heeft het lied ondergebracht in de rubriek ‘Sammlung und Sendung’, en inderdaad kan het lied dienen als aanvangslied of juist als slotzang.
De redactie van het Liedboek heeft het lied geplaatst in de rubriek ‘Leven – bidden’ bij een aantal liederen waarin opgeroepen wordt God te loven. Het gezang kan fungeren als loflied op Gods trouw.
Het gemeenschapsaspect, dat – zoals we zagen – in dit lied aan bod komt, maakt dat het lied ook geschikt is voor gebruik bij het avondmaal.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Vocaal Ensemble Cantare Huizen o.l.v. Richard de Vos; Hendrik Jan de Bie, orgel (strofen 1, 3, 5) (bron: KRO-NCRV)