Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

894 - Wanneer ik zoek naar woorden


Een eerste kennismaking

De tekst werd geboren in de bossen rond Ermelo, waar de dichter André Troost (*1948) eens rondstruinde en naar stilte zocht. Toen welden deze woorden in hem op: het zoeken naar woorden brengt niets anders dan stilte. Maar is die stilte een ontmoeting met God? Uiteindelijk is Gods woord genoeg als ik naar woorden zoek.
De melodie van dit lied werd op verzoek van de dichter geschreven door de voormalige Utrechtse Domorganist Jan Jansen (*1946). Eigenlijk brengt hij in zijn melodie de acht tekstregels van elke strofe terug tot vier lange melodieregels. In die melodie wordt het zoeken tot klinken gebracht, bijvoorbeeld in de eerste regel, waarin de melodie om één noot blijft talmen: e’-f’-d’-e’. Het tweede deel van elke strofe reageert steeds op het eerste deel: ‘Wanneer… dan …’ In het tweede deel van de melodie verschijnen grotere sprongen, met als meest opvallende interval de overmatige kwart in de voorlaatste regel (‘mijn stilte…’).

Auteur: Pieter Endedijk


André Troost
Jan Jansen

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 4’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor deze website. 

De dichter van dit lied licht zelf zijn tekst als volgt toe: ‘In de bossen van de Veluwe is dit lied geboren. Gewekt in verlangen naar taal en teken van hogerhand. Natuurlijk (nu ja, natuurlijk...) weet ik ook wel dat je die taal en dat teken niet in de Veluwse bossen vinden kunt, maar toch hoop ik tussen de stammen iets te horen en in de stilte van ruisende bladeren iets gewaar te worden van de stem der eeuwigheid. Je hoopt het. Maar menigmaal wordt die hoop beschaamd. Sterker: de bossen zwijgen en de stilte van de oude eiken, beuken en dennen is net zo goed weldadig als angstaanjagend. En dan toch: een antwoord! Een anti-woord, een tegen-stem. Die van de Schrift, die van de verkondiging die vanuit Kanaän gekomen is naar dit andere kleine landje aan die andere zee. Vanuit Judea overgewaaid, overgeblazen naar de Vale Ouwe ((Veluwe) = woeste grond; Bat Ouwe (Betuwe) = goede grond): hier is uw God! Welke God? Die God die eens en voorgoed gesproken heeft in de stilte van Golgotha. Angstaanjagend en welsprekend tegelijkertijd. Veroordelend èn vrijsprekend. Het is volbracht!

Dit lied is een meditatieve tekst, een uiting van zoeken en tasten, van bidden om woorden die lijken op een gebed, een schreeuw van machteloosheid, een belijdenis van innerlijke weerstand, van protest tegen de stilte – maar tegelijkertijd en bovenal een loflied om die stem die onze stilte doorbreekt, de stem van de Ene, de stem van het woord dat gekruisigd werd en weer is opgestaan!

Het eindigt met een belijdenis. God vraagt van ons niet een veelheid van gebeden, niet een absolute capitulatie waarin elke tegenstem tot zwijgen wordt gebracht. Hij vraagt ten diepste niet eens naar mijn gezangen. Hij vraagt alleen mijn verlángen. Hopen op Hem – dat is genoeg’.

Rijmschema van de achtregelige strofe: a-B-a-B-c-D-c-D.


Melodie

André Troost zegt over zijn liedtekst: ‘Dit lied is een meditatieve tekst, een uiting van zoeken en tasten, van bidden om woorden die lijken op een gebed, een schreeuw van machteloosheid, een belijdenis van innerlijke weerstand, van protest tegen de stilte – maar tegelijkertijd en bovenal een loflied om die stem die onze stilte doorbreekt, de stem van de Ene, de stem van het woord dat gekruisigd werd en weer is opgestaan!’ (Commentaar bij Zingend Geloven 4)
Jan Jansen heeft deze ‘uiting van zoeken en tasten’ weergegeven in een even ingetogen melodie in e-frygisch. In deze modus speelt de kleine secunde mi-fa (hier e’-f’) een cruciale rol, vaak uitgebreid tot het motief mi-fa-re-mi (hier e’-f’-d’-e’). Dit motief vormt de melodie van de eerste regel. Twee melodieregels zijn steeds bijeen gedacht en zo bestaat de melodie uit vier regelparen waarbij elk regelpaar een duidelijke melodische eenheid vormt. Het eerste regelpaar is beperkt van omvang: na de eerste regel stijgt de melodie naar a’, de dominant van e-frygisch. Het tweede regelpaar begint in regel 3 met een herhaling van regel 1, maar nu een kwint hoger, waarna regel 4 een exacte omkering is van regel 2: de dalende intervallen zijn stijgend geworden.
In de eerste helft van de melodie heeft elke regel hetzelfde ritme. Dit geldt ook voor de regels in de tweede helft, maar nu is de halve noot naar voren geplaatst: van de vierde noot naar de tweede noot van de regel. De tweede melodiehelft begint met twee nagenoeg identieke regels, alleen is regel 6 een secunde lager dan regel 5. Regel 7 begint met het meest opvallende interval: een dalende overmatige kwart (b’-f’), ook wel de ‘diabolus in musica’ genoemd. In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt is dit interval voor de gemeente zeker niet onzingbaar! Het is de omkering van de kwart waarmee regel 5 begint. De daarbij behorende woorden zijn veelzeggend: ‘Uw adem’ in regel 5 (stijgende kwart) tegenover ‘mijn stilte’ in regel 7 (dalende kwart). De overmatige kwart aan het begin van regel 7 lost niet op naar de e’, maar er volgt nogmaals een dalende kwart, nu een reine (a’-e’). Die overmatige kwart komt eigenlijk ook in het tweede regelpaar voor, maar daar is deze opgevuld: b’-a’-g’-f’ en lost wel op naar de e’.
De laatste regel cirkelt evenals de eerste rond de grondtoon e’.
De zetting bij dit lied van de componist (zie de koor- en de begeleidingsuitgave bij het Liedboek) hebben dezelfde ingetogen sfeer als de melodie door de milde dissonanten.

Auteur: Pieter Endedijk


Media

Uitvoerenden: Ensemble Sonus Vita o.l.v. Anjo de Haan; Pieter Pilon, orgel (bron: KRO-NCRV)