Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

502 - Wij zingen door de tranen heen


Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 4’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Dit is een lied voor de kerstnacht. Indertijd vroeg de leiding van de volkskerstzang in de Amsterdamse Bijlmermeer de dichter om een nieuw kerstlied, dat aan de volgende voorwaarden moest voldoen:
- voor veel mensen is de ‘nacht’ realiteit bij uitstek geworden;
- de anonimiteit, de naamloosheid geldt voor velen;
- eenzaamheid en zinloosheid, werkloosheid maken het bestaan onzeker en beklemmend;
- ‘Godsverduistering’ heerst alom.
Het lied draagt duidelijk de sporen van zijn ‘opdrachtgevers’ en is allereerst een ‘gebed vanuit de nacht’.
De hoop op beter en het uitzicht op nieuwe mogelijkheden zijn alleen maar te zien in ‘één ster’ (strofe 1). Zoals Gods nabijheid alleen maar te zien is in ‘Dit kind, hier aan het licht gebracht’ (strofe 3).
Dat deze ster de morgenster, Christus, is, zal voor de goede verstaander duidelijk zijn. In Openbaring 22,16 heeft Johannes dit visionaire beeld voor ogen, ‘de stralende morgenster’. Daarom voert dit lied ‘over alle nacht / de hoogste boventoon’ (strofe 4) en vindt iedereen, die ‘zichzelf verloren waant / (...) hier een nieuw en lichtend spoor’. Dit ziende en zingende vinden we ‘bij God zelf gehoor!’ Ook al kan menig mensenkind alleen nog maar 'door de tranen heen' zingen (strofe 1 en 3).

NB.: Bij opname in het Liedboek vervielen de oorspronkelijke vierde en zesde strofe.


Melodie

Dit lied van het duo Sytze de Vries en Willem Vogel verscheen in 1990 in Amsterdamse Katernen 3 (blz. 23). Na opname in achtereenvolgens Zingend Geloven 4 (1991, nr. 3), Amsterdamse Katernen 12 (1993, blz. 10), Tegen het donker (2002, nr. 40), Zingt Jubilate (2006. nr. 128) en Jij, mijn adem (2009, nr. 117) kwam het in een ingekorte versie in het Liedboek terecht.

De twee melodieën die Willem Vogel maakte ten behoeve van de strofen en het refrein zijn allebei onmiskenbaar ‘Vogeliaans’ – ik kom daar later op terug – maar voldoende verschillend om vaart te houden in het lied. Dat wordt vooral bewerkstelligd door de afwisseling tussen het couplet in tweedelig ritme en het ternaire refrein.
In het bovenstaande notenvoorbeeld heb ik, om een en ander duidelijk te maken, de spatiëring tussen de noten aangepast. Zodoende is direct goed te zien dat de eerste en derde melodieregel (begin van de eerste en tweede notenbalk) met uitzondering van de eerste noot aan elkaar gelijk zijn. Melodieregel 2 en 4 zijn ook verwant. Waar de tweede regel de kwart als openingsinterval (d’-g’) herhaalt, lijkt regel 4 – door de secundenschrede aan de kop van die regel – uit te wijken naar de parallelle mineurtoonsoort (e-klein), maar dat is schijn. Regel 4 telt twee lettergrepen meer dan regel 2 en dat geeft de componist de gelegenheid toch weer in de hoofdtoonsoort uit te komen, op dominanttoon a’. De laatste regel van het couplet sluit na een korte omtrekkende beweging op grondtoon g’ af.

Een sleutelrol is weggelegd voor het korte motiefje a’-b’ (zie de haken in het notenvoorbeeld), dat steeds de afsluiting van een melodische regel inluidt, in de oneven regels heel nadrukkelijk (ook in de meerstemmigheid) naar de tonica, in de even regels naar de dominant. Met enige fantasie kan in de vijfde regel hetzelfde motief uit de regels 1 en 3 hier in de omkering gehoord worden.

Ritmisch is het begin van de tweede regel opvallend. Het gepuncteerde ritme werkt daar retorisch als een verheviging van hetzelfde motief aan de kop van de melodie. Dat het hoogtepunt van de wijs aan het einde van die zelfde tweede regel valt, is geen toeval. De tekst ‘vér boven onze macht’ (strofe 1 en 3) en ‘de hoogste boventoon’ (strofe 4) geven daartoe alle aanleiding.
Het refrein heb ik voor het overzicht zonder stokken en op één notenbalk genoteerd. Is in het couplet het kwartinterval vrij prominent aanwezig als grootste sprong, het refrein verloopt zeer glooiend via secundenschreden en kleine tertsen. In het notenvoorbeeld is goed te zien dat het melodisch heuvellandschap over de vier versregels heen loopt. De spiltoon waar alles om draait, is in het refrein de a’. Heel slim heeft Willem Vogel ervoor gekozen om níet op de grondtoon te beginnen; een doeltreffende manier om saaiheid te vermijden. De melodie cirkelt eerst rond de grondtoon (g’), daalt in de tweede regel af tot de krochten van de menselijke stem om halverwege weer terug te keren op de a’. De derde regel lijkt de omkering van de eerste en eindigt op een repeterende a’ om ten slotte te stijgen naar de topnoot d” halverwege de slotregel. Deze slotregel is dan weer de omkering van de tweede regel, zodat dat regelpaar niet alleen tekstueel, maar ook melodisch rijmt. De eerder genoemde repeterende a’ keert terug vlak voor de slotnoot. Daar wordt aldus de aan het einde van de voorlaatste regel gedane belofte ingelost. Heel eenvoudig en o zo fraai is de onderstreping van de tekstherhaling ‘met uw stralen; / met uw warmte’. Het motief met achtereenvolgens een stijgende kleine secunde en een stijgende grote secunde wordt eenvoudigweg een kwart hoger herhaald.

De begeleidingszetting uit het Liedboek is de zetting die de melodie van meet af aan heeft vergezeld. De begeleiding heeft een beweging in halve noten met ‘zachte’ samenklanken als kleine en grote septiemakkoorden en drieklanken in sextligging. In de begeleiding van het refrein is goed te herkennen in welke periode van zijn leven Vogel dit lied gemaakt heeft. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig van de vorige eeuw legde hij een voorkeur aan de dag voor het sept-none-akkoord op de vijfde trap. Minder technisch: in deze toonsoort het akkoord met in de linkerhand een d en in de rechterhand het a-mineur akkoord:
(Zie bijvoorbeeld ook de psalmen uit de eerste delen Voor de Kinderen van Korach en Amsterdamse Katernen 6, de volledige versie van Liedboek 305). De meerstemmige zetting in het koorboek is van ondergetekende. Grote sprongen in de begeleidende stemmen zijn in deze zetting zoveel mogelijk vermeden, zodat het vrolijke tempo waar dit lied om vraagt niet teveel onrust teweegbrengt. Met de metronoom op 60 kan de juiste sfeer eenvoudig getroffen worden. Let op: het refrein gaat door in hetzelfde tempo; dan gaan er drie kwartnoten in een slag.

Vinden we in de loop van de refreinmelodie misschien ook de initialen van de componist terug?

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Kathedraalkoor Brugge o.l.v. Ignace Thevelein; Jos Bielen, orgel (volledige oorspronkelijke versie van 6 strofen)