Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

688 - Heilige Geest, Gij zijt als de wind


Opwekking

Jaap Zijlstra
Willem Vogel

Tekst

Ontstaan

De tekst van dit lied was oorspronkelijk bedoeld als een gebedstekst voor een Bijbelse dagkalender. Willem Vogel zag er een liedtekst in en bewoog de dichter ertoe de aanspreektitel te veranderen in ‘Gij’. Het lied is eerder verschenen in Van harte brengen wij U lof (1997, nr. 25) van Jaap Zijlstra. Daar heeft het als titel ‘Opwekking’. Het verscheen ook in Tussentijds (2005, nr. 180).

Inhoud

In dit lied wordt de heilige Geest aangeroepen om als wind, vuur, dauw en licht bij ons binnen te komen en iets bij ons teweeg te brengen. Elke strofe begint met de aanroeping van de heilige Geest, gevolgd door de bede ‘kom dan’.

Strofe 1

Wind en Geest worden in het Hebreeuws en Grieks met hetzelfde woord aangeduid, resp. ‘ruach’ en ‘pneuma’. Ook Jezus brengt wind en Geest bij elkaar in Johannes 3,8. Iedereen die uit de Geest geboren is, is als de wind die waait waarheen hij wil. Deze combinatie treffen we eveneens aan in Handelingen 2,2 waar de uitstorting van de Geest gepaard gaat met het geluid ‘als van een hevige windvlaag’.
Wind is in deze strofe ook reinigend. Hij zuivert het hart. Het doet denken aan Psalm 51,12-13, waar gevraagd wordt om een zuiver/rein hart in combinatie met het gebed dat de heilige geest niet wordt weggenomen. In Nehemia 9,19-20 is het de goede geest van God die het volk inzicht verschaft

Strofe 2

De Geest als vuur roept de tocht van de Israëlieten door de woestijn in gedachten. Een vuurzuil als teken van Gods aanwezigheid ging hun ‘s nachts voor (Exodus 13,21-22). In Handelingen 2 wordt verteld dat vlammen zich als een soort vuurtongen op ieder van de aanwezigen neerzetten. Vuur zuivert/reinigt en het staat voor warmte en liefde. De heilige Geest wordt aangeroepen om ons te bezielen van liefde.

Strofe 3

Het beeld van de ‘dauw’ legt een link met Psalm 133,3 waar het liefdevol samenzijn van broeders wordt vergeleken met de weldaad van de dauw van de Hermon die neerdaalt op Sion. Ook valt te denken aan dauw als een bron van leven (Jesaja 26,19). Gevraagd wordt of de Geest als dauw op ons wil neerdalen, ons wil laven met zijn goedheid. ‘Vervul ons’ is een echo van Handelingen 2,4 waar verteld wordt dat ‘allen werden vervuld van de heilige Geest’.

Strofe 4

De heilige Geest als het licht brengt (iets van) de toekomst in het heden. Hij herschept en wekt nieuw leven. Allerlei Bijbelse uitspraken komen hier samen. Als kernuitspraak kan de passage dienen uit de Aäronitische zegen, Numeri 6,25: ‘... moge de Heer het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn’. De combinatie van licht en redding, heil, (nieuw) leven komen we op tal van plaatsen in Oude en Nieuwe Testament tegen, zie onder andere Psalm 27,1; Johannes 8,12; Efeziërs 5,8. God is de ‘Vader van de hemellichten’ (Jakobus 1,17). Zowel in Efeziërs 5,8 als in 1 Thessalonicenzen 5,5 worden we ‘kinderen van het licht’ genoemd. De laatste strofe is als een climax.

Liturgische bruikbaarheid

Dat het lied in de rubriek ‘Pinksteren’ is opgenomen, betekent zeker niet dat het gebruik ervan tot de pinksterdag beperkt zou zijn. Vanwege de aanroeping van de Geest is het lied breed inzetbaar, in het bijzonder in de paastijd en de tijd na Pinksteren. Mogelijk kan dit lied functioneren als een nieuwe vorm van epiclese.

Auteur: Jan Groenleer


Melodie

De melodie die Willem Vogel schreef voor Liedboek 688 ontstond tussen 1995 en 1997 en verscheen in het laatstgenoemde jaar in de liedbundel Van harte brengen wij U lof (1997), een bundel met dertig kerkliederen die Jaap Zijlstra in de loop der jaren had gedicht. Via Zingend Geloven 6 (1998, nr. 16) en Tussentijds (2005, nr. 180) kwam het lied in het Liedboek terecht.

De vorm van het lied – met respectievelijk vier, vijf, acht en drie lettergrepen per regel – is uniek. Dat vraagt, net als de in elke strofe consequent terugkerende tekstuele opbouw, om een eigensoortige melodie. Vogel koos voor de F-mixolydische modus. Deze kerktoonsoort roept meteen al associaties op met de ‘moeder aller pinksterhymnen’ Veni creator Spiritus (Liedboek 360) en het daarvan direct afgeleide Kom, Schepper God, o heilige Geest (Liedboek 670). Opvallend is de belangrijke rol die het interval kwart (tussen f’ en bes’) in zowel Liedboek 360/670 als in deze hier besproken melodie speelt. Dan kan volgens mij geen toeval zijn.

Hierboven is vanwege de overzichtelijkheid de gehele melodie op één notenbalk afgedrukt. De componist heeft een melodie gemaakt die zich – op een vrije manier – laat spiegelen in de f’ halverwege (de noot met het sterretje): kwartsprong f’-bes’ – dalende lijn – pendelende beweging rond f’-g’ – stijgende lijn – kwartsprong f’-bes’. Belangrijk is het dalende motief g’-f’: na een terloops poneren van die noten in de tweede regel blijken ze in de derde regel de spil van deze melodie te vormen. De bede ‘kom dan’ (veni!) wordt gedragen door dit motiefje dat direct wordt herhaald op de tekst die deze bede concretiseert. Bijzonder in deze melodie zijn de korte melismen op de belangrijke woorden in regel 3 en 4. Het gebruik ervan had om puur melodische redenen achterwege kunnen blijven, maar in de korte slotregel had Vogel het melisme nodig om het afwijkende tekstaccent (‘rei-nig’ versus ‘be-ziel’, ‘ver-vul’ en ‘her-schep’) op te kunnen vangen. Door al eerder een melisme te introduceren weet de componist slim de aandacht af te leiden van het onder tekstuele dwang gebruikte tweede melisme.

De gehele melodie bestaat slechts uit zes tonen, die – handelsmerk van de componist – slechts als kwartnoten en halve noten voorkomen. Intervallen groter dan een secunde (kwarten als openings- en slotinterval en welgeteld één kleine terts) worden verzacht door de richting van de melodie (dalend, stijgend) na die intervallen te laten veranderen. Deze beperkingen in melodieomvang, ritme en melodieverloop leveren een intieme en breekbare melodie op.

Opvallend is dat de notatie in Zingend Geloven 6 slechts hulpstreepjes laat zien, terwijl in de latere bundels ‘echte’ maatstrepen zijn aangebracht. Die maatstrepen geven de melodie een mijns inziens te ‘hymnisch’ karakter. Met de notatie met hulpstreepjes heeft Vogel wellicht een flexibele, lichte (‘Heilige Geest’) en glooiende uitvoering voor ogen gehad. Opvallend is de slotnoot, die genoteerd is als brevisnoot. Dit is nogal ongebruikelijk in de melodieën van Willem Vogel. Verwijst hij hierin nogmaals naar Liedboek 670, die met dezelfde noot eindigt of wordt hier werkelijk een slotnoot bedoeld, die de lengte heeft van twee hele noten? Eerlijk gezegd zou dat laatste me niet verbazen. Het versterkt het biddende en intieme karakter van het lied niet weinig. Een rustig gaand tempo van 72 halve noten per minuut is passend voor dit kerkmuzikaal kleinood.

Auteur: Christiaan Winter