Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

976 - Ons heeft de Heer met liefde neergeschreven


Een eerste kennismaking

In 2 Korintiërs 3,3-4 lezen we deze woorden van de apostel: ‘U bent zelf een brief van Christus, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet in stenen platen gegrift, maar in het hart van mensen.’ Deze zin vormt het uitgangspunt van deze liedtekst van Sytze de Vries. De dichter legt daarbij vooral de nadruk op de vraag of wij herkenbaar zijn als Gods eigenhandig schrift (strofe 1). Zijn wij leesbaar als een brief van Christus (strofe 2)? De dichter heeft in een toelichting aangegeven: ‘Het zijn vooral de laatste strofen die mij dierbaar zijn en door de jaren heen meermalen als motto voor mijn predikant- en schrijverschap hebben gediend’.
De melodie van Willem Vogel (1920-2010) heeft een herkenbare structuur: de eerste en derde regel zijn gelijk, de vierde is een variatie op de tweede. De maatwisselingen volgen het natuurlijke spreekritme van de tekst.
Dit lied is toepasbaar op veel zondagen na de epistellezing of in plaats van de epistellezing, waardoor de brieven ook tot klinken kunnen komen.

Auteur: Pieter Endedijk


Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Inleiding

Dit is een literair lied: je proeft dat de letters met liefde opgeschreven zijn, stuk voor stuk en samengevoegd. Zo ontstonden er woorden, die zich weer met andere letters en woorden verenigden. En al die letters en woorden, en de leestekens niet te vergeten, gingen een verband vormen, hun onderling zinsverband. Dit alles getuigt van een liefde voor de letter, de woorden, het schrijven. De dichter is ervoor gaan zitten om het ‘gegeven’, het uitgangspunt – Paulus’ opmerking uit de tweede Korintiërsbrief – zo leesbaar mogelijk aan te reiken. Zo kan men zelf de inhoud van deze brief van voor naar achter proeven en eigen maken. Echt een ‘aanbevelingsbrief’, dit lied!

Al eerder vond de dichter inspiratie in de tekst ‘U bent zelf onze aanbevelingsbrief…, u bent zelf een brief van Christus…, geschreven met de Geest van de levende God(2 Korintiërs 3,1-4). In Zingend Geloven 3 (1988, nr. 82) staat een lied van vier coupletten, een van de oudste van zijn hand (met een melodie van Willem Mesdag), Het eerste couplet daarvan luidt:

Hoe leesbaar is ons onderlinge leven,
als Christus’ brief aan anderen geschreven?
Is ons zijn erfenis niet in het hart gegrift?
Zijn wij een teken van zijn eigenhandig schrift?

Blijkbaar kon het nog anders, want drie uitgaven later, in Zingend Geloven 6 (nr. 34), staat de versie die nu in het Liedboek staat. Deze was ook al eerder opgenomen in de Amsterdamse Katernen 15 (met als titel: ‘Lied na de Epistel-lezing’). In 2005 verscheen het ook in Tussentijds (nr. 82) .

De beeldspraak bleef dus boeien. ‘Het zijn vooral de laatste strofen (van dat eerste ontwerp) die mij dierbaar bleven en door de jaren heen meermalen als motto voor mijn predikant- en schrijverschap hebben gediend’, licht dichter Sytze de Vries toe (Commentaar bij Zingend Geloven 6). Hij doelt op de zinnen:

Gezonden zijn wij en gedreven tot de taal
die als bestemming zijn genadewoord herhaalt.
En metterdaad dat woord ook te vertalen,
voor mensen zijn ontferming te herhalen,
hoe Hij in ons opnieuw tot leven komt, dat blijft
voor ons bestaan de zin geschreven op het lijf.

Dat is inderdaad wat we terugzien in de huidige versie, die ook kernachtiger is.
Bleef de eerste versie wat vragerig (vijf vraagtekens tegen een in de nieuwe versie; terechte vragen uiteraard, maar iets teveel zelfbeschuldiging), dit lied klinkt als een belijdenis in couplet 1 en als een christelijke opdracht in couplet 3. Met de vraag in het midden, in het tweede couplet.
En op deze vraag – wie kan de brief lezen? – volgt dan in hetzelfde couplet direct het antwoord: de leesbaarheid van de brief is afhankelijk van de Geest ‘die ons aan elkander rijgt’, als parels aan een ketting. De Geest maakt van dode letters een levende gemeenschap, transparant te lezen. Zie je de gemeente, de gemeenschap der gelovigen, dan zie je Gods eigenhandig schrift.

Uitgangspunt

In couplet 1 gaat het over die gemeente. De leden van de gemeente zijn de letters die de Heer (en hier wordt Christus mee bedoeld, en niet God) gebruikt om zijn brief te schrijven. Letter voor letter, woord voor woord, samengevoegd tot zinsverband. Dat is zijn erfenis, een woord, dat met het woord ‘erfgenamen’ in meer liederen van De Vries voorkomt (zie bijvoorbeeld Liedboek 611 en 612). En de bedoeling van deze brief, van deze letters, is dat andere mensen die kunnen lezen.

Maar dát anderen die brief van Christus kunnen lezen, is het werk van de Geest. Die zal daartoe inspireren, beademen (couplet 2). Hij/zij zal ons ‘tot nieuwe zin’ herschrijven.

Missie

Na het uitgangspunt en de voorwaarde volgt ten slotte de opdracht. Wat is het doel van dit alles? En wat is de inhoud van de brief, van dit geestelijk testament? De inhoud is de liefde van Christus. En het doel van deze geschreven brief is dat we die woord voor woord vertalen. Dat is ‘voor ons bestaan het doel, de zin’: dat wij dit werk herhalen, hertalen en vertalen.

Ten slotte: men kan zich afvragen of de eerste regel met ‘Ons heeft de Heer met liefde opgeschreven’ niet beter af was geweest, maar de dichter koos voor ‘neergeschreven’. Misschien klinkt de overtuiging van de Heer er beter in door?

Liturgische bruikbaarheid

Het lied staat in de rubriek ‘Kerk’. Het klinkt als een belijdenislied. Het kan na een epistellezing, misschien wel als episttlezing gezongen worden. Maar het is ook goed voorstelbaar als pinksterlied, als zendingslied. In ieder geval een lied van en voor de hele gemeente.

Auteur: Nico Vlaming


Melodie

Dit lied is begin 1995 geschreven, de melodie – om precies te zijn – op 24 januari van dat jaar. Vervolgens legde dit ‘Lied na de epistel-lezing’ een weg af die vaker voorkwam bij de producten van De Vries en Vogel: mei 1995 in Amsterdamse Katernen 15, voorjaar 1998 in Zingend Geloven 6 (nr. 34) en vervolgens via Tussentijds (2005, nr. 82) naar de Vlaamse bundel Zingt Jubilate (editie 2006, nr. 840) en het Liedboek (2013). Ook verscheen het lied – uiteraard – in de bundels met liederen van Sytze de Vries: Tegen het donker (2002, nr. 17) en Jij, mijn adem (2009, nr. 87).

Opvallend zijn de verschillen in notatie tussen de diverse bundels: van kleine hulpstreepjes in de eerste uitgave naar volwassen maatstrepen en maataanduidingen in het Liedboek. Ik vermoed dat daar geen bijzondere redenen aan ten grondslag liggen. Visueel effect is wel dat de vrije ritmiek à la Liedboek 655 heeft plaatsgemaakt voor een meer dwingende metriek, die – jammer genoeg – van invloed kan zijn op de wijze van uitvoeren. De componist stond waarschijnlijk een flexibel glooiende melodie voor ogen/oren.

De componist had een tekstuele moeilijkheid te overwinnen: het jambisch metrum is aan het begin van enkele regels (1.1; 1.2; 2.1; 2.3) niet consequent doorgevoerd zodat het tekstaccent niet altijd op de tweede lettergreep van de regel valt (zie bijvoorbeeld de tweede regel van strofe 1: ‘leesbaar voor mensen’). Door als eerste twee noten van regel 1, 2 en 3 te kiezen voor repeterende noten op zware maatdelen wordt dit probleem ondervangen. De laatste regel begint opmatig, maar daar doet dit probleem met tekstaccenten zich dan ook in geen van de drie strofen voor.

In de melodie volgt Vogel de rijmstructuur van de tekst (a-B-a-B): regel 1 en 3 zijn identiek, regel 2 en 4 vertonen grote gelijkenis. Het eerste motief, een stijgende gebroken drieklank (motief a), wordt beantwoord met een dalende. Vervolgens vallen in de verbinding tussen regel 1 en 2 de relatief grote sprongen (fis’-b’-e’) op – een gegeven dat in de slotregel sequensmatig wordt voortgezet (fis’-b’-e’-a’). In deze laatste regel wordt ook het ritme uit de eerste drie regels verbroken, eerst met een versnelling tussen de voorlaatste en laatste regel en vervolgens met een vertraging door de verplaatsing van de lange noot (motief c’). Een vergelijkbare situatie treft men aan in Liedboek 720, waar ook een lange noot het slot van de melodie aankondigt. Bijzonder is de melodische wending halverwege de melodie die uitkomt op de gis’. De bijbehorende harmonie (gis-majeurakkoord) maakt de weg vrij voor het hernemen van de melodie in de tertsverwante toonsoort cis-klein, een doeltreffende manier om de herhaling van deze melodieregel toch een andere klank mee te geven.

Op microniveau zijn het de veelvuldige toonherhalingen in combinatie met het spaarzaam gebruik van secundeschreden die deze melodie haar geheel eigen karakter geven.

De zetting die deze melodie al sinds het ontstaan vergezelt, is zowel koor- als begeleidingszetting bij dit lied, basaal van samenklanken en harmonische voortgang. Een tempo MM=60-66 lijkt passend bij deze wijs.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij o.l.v. Christiaan Winter; Piet Hulsbos, orgel (bron: KRO-NCRV)