Zoek een persoon

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} personen getoond

Geen personen gevonden

Philipp Nicolai


geboren: 10 augustus 1556 te Mengeringhausen (deelgemeente van het huidige Bad Arolsen, Hessen)
gestorven: 26 oktober 1608 te Hamburg

Bijdragen in het Liedboek

518 – Hoe helder staat de morgenster (t + m)
749 – ‘Op, waak op!’ zo klinkt het luide (t + m)

Leven en werk

Philipp Nicolai is telg uit het Westfaalse boerengeslacht Rafflenböl. Zijn vader, die pastor was in Mengeringhausen, veranderde zijn naam waarbij hij de voornaam van zijn vader, Nicolai, als familienaam koos. In zijn eerste gemeente Herdecke (Westfalen) werd vader Nicolai fervent aanhanger van de lutherse Reformatie, waardoor hij gedwongen werd elders als pastor aan het werk te komen. Hij vond een nieuwe betrekking in Mengeringhausen. Ook daar kreeg hij te maken met godsdienstige twisten tussen lutheranen en katholieken, waarin vader Nicolai zich fanatiek mengde. Het fanatisme zat waarschijnlijk in de genen, want zijn zoon Philipp Nicolai zou zijn hele leven op de barricaden staan voor de zuivere lutherse leer.

Evenals zijn broers was zoon Philipp voorbestemd predikant te worden. Philipp wisselde regelmatig van school omdat zijn vader ontevreden was over het confessionele gehalte van de school. Zo kwam hij terecht op scholen in Rhoden bij Arolsen, Kassel, Hildesheim, Dortmund en Mühlhausen in Thüringen. In laatstgenoemde plaats werd hij leerling van onder meer Ludwig Helmbold (1532-1598), de dichter van ‘Nun lasst uns Gott dem Herren’ (Liedboek 863) en van cantor Joachim a Burgk (1546-1610). Om in zijn levensonderhoud te voorzien, schreef Nicolai in die tijd Latijnse gelegenheidsgedichten.

Erfurt, Wittenberg, Herdecke, Wildungen

In 1575 begon Philipp zijn studie theologie aan de universiteit van Erfurt. Dankzij financiële steun van de graaf van Waldeck kon hij een jaar later zijn studie in Wittenberg voortzetten, waar hij zich ontpopte als een militant aanhanger van de lutherse leer. Aan het einde van zijn studie trok hij zich samen met zijn broer Jeremia terug in een klooster te Volkhardinghausen om alle argumenten tegen de leer van Rome en Genève eens goed op een rijtje te zetten. Ook zijn gedichten waren meermalen felle aanklachten tegen niet-lutheranen.

Na afronding van zijn studie in 1579 werd Nicolai pastor in Herdecke. Maar vanwege de rigoureuze wijze waarop hij meende ketters te moeten bestrijden, moest hij – evenals zijn vader in 1552 – de stad verlaten. Na een korte tijd in Keulen verbleven te hebben, zorgden graaf en gravin van Waldeck ervoor dat hij pastor kon worden in Wildungen. Tevens werd hij hofprediker en leraar van de jonge graaf Wilhelm Ernst van Waldeck, die in 1598 op veertienjarige leeftijd overleed.

In zijn nieuwe functies bleef Nicolai zich strijdbaar opstellen ten aanzien van religieus andersdenkenden.

Unna, Hamburg

Twee jaar nadat Nicolai in 1594 te Wittenberg een doctoraat ontving, vertrok hij naar Unna in Westfalen, waar de kerkelijke gemeente zijn strijd tegen calvinisten en katholieken wel kon waarderen.

In de zomer van 1597 brak in Westfalen een hevige pestepidemie uit, die tot het voorjaar 1598 woedde. Er vielen in Unna zo’n 1400 slachtoffers en er waren tijden dat Nicolai zo’n dertig gemeenteleden per dag moest begraven. Ook in zijn eigen vrienden- en kennissenkring vielen diverse pestslachtoffers, waaronder de jonge graaf Wilhelm Ernst. De pestplaag bracht een keer in het leven van Nicolai, dat wil zeggen: hij legde zich veel minder toe op het bestrijden van ketters en ontpopte zich meer als zielzorger voor zijn zwaar getroffen gemeente. In deze tijd schreef Nicolai zijn troost- en leerboek Frewden Spiegel des ewigen Lebens (1599), dat vele malen herdrukt moest worden. Achterin dit boek plaatste hij vier liederen, drie van zichzelf en één van zijn broer Jeremia. Twee liederen, Wie schön leuchtet der Morgenstern en Wachet auf, ruft uns die Stimme, zijn monumenten in de christelijke liedcultuur geworden en gebleven. Zijn boek en liederen betekenden een belangrijke aanzet tot het incorporeren van de middeleeuwse bruidsmystiek (eenheid tussen bruidegom Christus en de ziel) in de lutherse theologie en vroomheid.

In augustus 1601 werd Nicolai aangesteld tot hoofdpastor van de Katharinenkirche te Hamburg. Daar werd hij al snel een geliefd prediker, ook omdat hij de lutherse leer duidelijk afzette tegen katholieke en calvinistische opvattingen. In 1606 trouwde Nicolai met de weduwe van zijn collega Petrus Dornberger. In hetzelfde jaar werd Hamburg bedreigd door de pest, wat voor Nicolai aanleiding was opnieuw een troostboek over het eeuwige leven te schrijven: Theoria vitae aeternae. Historische Beschreibung deß gantzen Geheimnisses vom Ewigen Leben (Hamburg 1606).

Auteur: Jan Smelik