Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

299j - Om de mensen en de dieren; Eer zij de God van de hemel


Het ordinarium in het Liedboek
Karel Deurloo
Christiaan Winter

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 8’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.   

Dit lied is als een tweeluik van Kyrie en Gloria en heeft zijn oorsprong in de Amsterdamse Amstelkerk. Daar is Karel Deurloo, de Oudtestamenticus ter stede, jarenlang actief geweest met kerkdiensten, waarbij ‘een kind in het midden mocht staan’. Naast de wekelijkse exegetische vertellingen en kinderverhalen ontstonden ook tal van liedjes, die door kleine en grote mensen tezamen gezongen moesten kunnen worden. Zo ook deze tekst, die jarenlang de invulling was van Kyrie en Gloria in de Amstelkerk. Dat wordt in de laatste regels duidelijk, waar de klassieke termen klinken: ‘Kyrie’ en ‘Gloria in excelsis’.

De kyrietekst geeft de grondtoon van dit liturgicum aan: zuchten met heel de schepping in nood, vanwege alle leven dat wordt weggedrukt. Dat ook de dieren hierbij met name (vers 1)  genoemd worden, evenals alle volken (vers 2) benadrukt hoe de biddende en zingende gemeente heel de schepping in het vizier houdt.

Het Gloria knoopt ook aan bij de regels uit de engelenzang van Lucas 2,14. Het ‘in excelsis’, in den hoge, wordt nader uitgewerkt. De hemel geeft Gods hoogheid weer, zijn unieke positie, van waaruit de aarde wordt begeleid, ‘gericht’.  Door te spreken van ‘zijn naam richt de geschiedenis’  betoont Deurloo zich een regelrechte leerling van K.H. Miskotte (1894-1976). De belofte van de engelen, ‘vrede op aarde’,  duidt de komst van Jezus aan als het nieuwe begin van de toekomst. Die is nu al begonnen.

De correspondentie tussen dit Kyrie en dit Gloria blijkt hierin, dat de volken, evenals de kleinen en de groten, in beide teksten benoemd worden.


Melodie

Kyrie zingen is rammelen aan de hemelpoort. Roepend en klagend bij de Eeuwige aankomen.
Sinds de jongste kinderjaren roepen en klagen we in (kleine) tertsen. Vullen we die tertsen op, dan wordt het bijna zeuren. De melodie van dit Kyrie bestaat enkel en alleen uit dit opgevulde roepinterval. Bovendien in mineur; het gaat hier immers om deemoedig geroep. Het gebrek aan ritmisch reliëf versterkt het litaniekarakter van dit Kyrie.
Overigens deed Huybers iets dergelijks in de melodie van Liedboek 321.

Deze melodie is het ‘droevige broertje’ van de gloriamelodie! Halve noot is 52.
Na de roep om ontferming komt de lofzang. De liturgie maakt een bocht van 180 graden. De dalende mineurtertsen van het Kyrie worden nu stijgende majeurtertsen. Drie op een rij, waarvan de laatste nadrukkelijk in de verbreding. Waar slechts kwartnoten waren, is nu een levendige afwisseling van ritmische patronen. De pentatoniek geeft de wijs iets onbekommerds. Regel 1 en 3 zijn aan elkaar gelijk, terwijl de slotregel een ontspoorde versie van regel 2 is, die – dankzij de tekst ‘in excelsis’ – natuurlijk niet anders dan op de hoge d” kan eindigen.
Het tempo blijft gelijk aan dat van de Kyriemelodie.

NB.: Het slot van de melodie van het tweede deel is voor het Liedboek iets aangepast.


Media

Uitvoerenden: Koorklas van de Buitenschoolse Koorschool Utrecht en Vocaal Theologen Ensemble o.l.v. Hanna Rijken; Sebastiaan ’t Hart, orgel