Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

302 - God in den hoog’ alleen zij eer


Een eerste kennismaking

Om de gemeente weer deel te kunnen laten nemen aan de lofzang, werden ten tijde van de reformatie in Duitsland door Luther en zijn medewerkers veel nieuwe liederen geschreven. Naast de liederen bij schriftteksten en het tijdeigene van het jaar, kregen ook de vaste gezangen van de liturgie een strofische vorm, waardoor de ‘liedmis’ ontstond. In Dienstboek I van de Protestantse Kerk in Nederland vinden we daarvan twee voorbeelden: de klassieke lutherse liedmis (Ordinarium 8) en een liedmis met alternatieven (Ordinarium 9).
Nikolaus Decius was aanvankelijk een van de medewerkers van Luther. Hij schreef onder andere een strofische bewerking van het Gloria: Allein Gott in der Höh sei Ehr. Dit lied behoort met nog twee andere ordinariumliederen tot de oudste liederen van de reformatie. Decius schreef de liederen nog vóór Luther daarmee begon.
De Nederlandse tekst in het Liedboek is een bewerking van de vertaling die in de Hervormde gezangbundel van 1938 stond. Feitelijk gaat alleen de eerste strofe terug op de tekst van de engelenzang in Lucas 2,14. De overige strofen zijn een trinitarische lofzang in de lijn van het Gloria.
De melodie is een bewerking door Decius van een gregoriaanse Gloria-melodie uit een tiende-eeuwse paasmis (Lux et origo).

Auteur: Pieter Endedijk


Allein Gott in der Höh sei Ehr

Het ordinarium in het Liedboek
Nikolaus Decius
Dirk Christiaan Meijer jr
Geistliche Lieder, Leipzig 1539

Tekst

Herkomst en verspreiding

Dit lied is een klassieker onder de kerkliederen en een van de oudste liederen van de Reformatie. De eerste drie strofen werden geschreven door Nikolaus Decius (±1485-na 1546), een voormalige monnik. Hij schreef ‘Alleine God in der hoege sy eere’ vermoedelijk in 1522-23, toen hij net was uitgetreden en schoolmeester was geworden in Braunschweig. Het was een jaar voordat hij naar Wittenberg ging om bij Martin Luther theologie te gaan studeren, en ook een jaar voordat Luther zelf liederen begon te schrijven (1524). Luthers Bijbelvertaling was echter al wel verschenen (najaar 1522), en daarin gebruikte hij als vertaling van het Latijnse bonae voluntatis (‘van goede wil’, Lucas 2,14) het woord ‘Wohlgefallen’. Het is precies deze term die ook Decius in zijn lied gebruikte, en hij heeft deze naar alle waarschijnlijkheid van Luther overgenomen. Daarmee kan het lied op zijn vroegst na de verschijning van Luthers Bijbelvertaling gedateerd worden. Bronnen uit die tijd geven geen uitsluitsel over de exacte datering, maar de hymnoloog Markus Jenny heeft aannemelijk gemaakt dat het lied rond Pasen 1523 ontstaan moet zijn.

Joachim Slüter (±1490-1532) publiceerde het lied (zonder melodie) in 1525 in Rostock in zijn Eyn gantz schone unde seer nutte gesangk boek, met toevoeging van nog een vierde strofe. Dat het een uitbreiding van het lied van Decius is, is duidelijk te herkennen aan het feit dat strofe 3 eindigt met de afsluitende woorden: ‘Erbarm dich unser. Amen’. De taal van het lied was Nederduits (een West-Germaanse, niet gestandaardiseerde taal bestaande uit een mengeling van Duits en Nederlands), en het lied was bedoeld om het Gloria uit de Latijnse liturgie te vervangen.
Zoals op de afbeelding te zien is, is er in de kantlijn een aantal verwijzingen naar hoofdstukken uit de Bijbel afgedrukt (Slüters hele gezangboek staat er vol mee), waar men dan zelf nog de verzen bij moet zoeken. Slüter publiceerde het lied nogmaals in 1531 in zijn Gheystlyker gesenge unde leder, wederom in het Nederduits (zij het met kleine wijzigingen), maar de annotatie met de verwijzingen naar de Bijbel zijn verdwenen. Er staat ook nog geen melodie bij.
In 1539 verscheen de door Luther bewerkte tekst voor het eerst in het Hoogduits in de door Valentin Schumann in Leipzig uitgegeven bundel Geistliche lieder, auffs new gebessert und gemehrt, zu Wittenberg. Deze bundel was gebaseerd op de Geistliche lieder auffs new gebessert van Joseph Klug uit 1529, Luthers ‘eigen’ liedboek met liederen van hemzelf en enkele anderen. De eerste strofe luidt:

Allein Gott in der Höh sey ehr
und danck fur seine gnade,
Darumb das nu und nimermehr
uns rüren kan ein schade:
Ein wolgefallen Gott an uns hat,
nu ist gros fried on unterlas,
All fehde hat nu ein ende.

Het lied werd spoedig allerwegen als Gloria gebruikt, en kreeg een brede verspreiding, vanaf de zeventiende eeuw in Duitsland ook in katholieke kringen. Talloze componisten schreven er bewerkingen van, in Nederland onder meer Jan Pieterszoon Sweelinck. In 1529 verscheen al een Deense vertaling van de Nederduitse tekst, en in 1535 een Engelse.

In Nederland verscheen een vrije vertaling van Johanna Elisabeth van der Velde-Helmcke (1762-1844) in de Evangelische Gezangen (1806, gezang 2). Daarna kreeg het lied een bredere interconfessionele verspreiding en werd bijvoorbeeld opgenomen in de Christelijke gezangen der Hersteld Evangelisch-Lutherse gemeenten van 1857 (nr. 11). Een halve eeuw later verscheen weer een nieuwe vertaling, ditmaal van Dirk Christiaan Meyer jr. (1839-1908) in diens bundel Luthersche Liederen uit het Hoogduitsch vertaald (Amsterdam 1902, nr. 11). Deze werd ‘zeer gewijzigd’ opgenomen als gezang 91 in de ‘Hervormde Bundel van 1938’. De eerste strofe daarvan werd in 1964 overgenomen in de Honderdnegentien gezangen (in gebruik bij de Gereformeerde Kerken in Nederland, gezang 51), maar de andere strofen in een bewerking door Jan Wit. In deze vorm kwam het ook in het Liedboek voor de kerken uit 1973 terecht (gezang 254) en werd het onveranderd overgenomen in het huidige Liedboek. Ter vergelijking:

1938 1964 / 1973 / 2013
2. Wij willen U ootmoediglijk
om uwe glorie loven, 
dat Gij, God Vader, eeuwiglijk
regeert in ’t rijk daarboven. 
Door uw onmetelijke macht
wordt, wat Gij wilt, terstond volbracht.
Heil ons om zulk een Heere!

2. U, Vader, U aanbidden wij,
wij zingen U ter ere;
onwrikbaar staat uw heerschappij,
voorgoed zult Gij regeren.
Gij hebt onmetelijke macht,
uw wil wordt onverwijld volbracht.
Die Heer is onze koning.

3. O Jezus Christus, Zoon van God,
des Vaders Eengeboren,
die keert het droeve zondaarslot,
verlost, die was verloren,
Gij Godslam, heilig Hoofd en Heer,
op ons gebed genâ vermeer,
erbarm U over allen.

3. O Jezus, die de Christus zijt
des Vaders Eengeboren,
Gij hebt ons van de toorn bevrijd
en redt wie was verloren.
Gij, Lam van God, voor ons geslacht,
verhoor ons roepen uit de nacht,
erbarm u over allen.

4. O Heil’ge Geest, ons hoogste goed,
ten Trooster ons gegeven,
die hen voor satans macht behoedt,
wien Christus schonk het leven
door zijnen bangen bitt’ren dood:
och, help ons in den droeven nood!
Wij steunen op uw trouwe.
4. O heilige Geest, ons hoogste goed,
ten Trooster ons gegeven,
heb dank dat Gij ons delen doet
in Jezus’ dood en leven.
Beveilig ons in alle nood,
blijf ons nabij in angst en dood,
op U steunt ons vertrouwen.

Inhoud

In de eerste strofe wordt God eer en dank gebracht, en gememoreerd dat Hij zijn gunst aan ons getoond en ‘de vrede weergebracht’ heeft. Als we deze gunst zo interpreteren dat God een welbehagen aan ons heeft (zoals het vroeger heette; de Nieuwe Bijbelvertaling geeft ‘mensen die Hij liefheeft’), dan is deze eerste strofe een directe verwijzing naar de engelenzang in de kerstnacht (Lucas 2,14), waar ook het klassieke Gloria uit de liturgie op teruggaat.

De strofen 2 tot en met 4 vormen een trinitarische lofzang op de Vader (strofe 2), de Zoon (3) en de heilige Geest (4). Leggen we de tekst naast die van het Gloria (vergelijk Liedboek 299a), dan herkennen we elementen uit dat Gloria terug in de berijmde versie. Dat is in strofe 2 nog het meest herkenbaar: de aanbidding van God, zijn almacht en zijn koningschap weerspiegelen redelijk nauwkeurig de woorden ‘Wij loven U, / wij vereren U, / wij zegenen U, / wij verheerlijken U, / wij danken U voor uw heerlijkheid, / o Heer God, koning des hemels, / God, onze Vader almachtig’.
Strofe 3 verwijst naar het gedeelte in het Gloria, dat betrekking heeft op het Lam van God, maar wat daar over het Lam van God gezegd wordt (‘Die de zonden der wereld wegdraagt’), is hier in de berijming veel persoonlijker en concreter geformuleerd. De doxologie uit het Gloria (‘Want Gij alleen zijt heilig. / Gij alleen de Heer, / Gij Allerhoogste, / o Jezus Messias met de heilige Geest / in de heerlijkheid van God de Vader. Amen.’) is in de berijming weggevallen. Wel vindt er in strofe 4 een verwijzing naar de heilige Geest plaats, maar meer in de vorm van een gebed, reden waarom in sommige liedbundels (bijvoorbeeld Gotteslob editie 1975 nr. 457, editie 2013 nr. 170) de laatste strofe wordt weggelaten, waardoor het lied dichter bij het oorspronkelijke Gloria blijft. In het Liedboek is het lied (ondanks de vierde strofe) net als in Duitsland (Evangelisches Gesangbuch nr. 179) als liturgisch gezang opgenomen in de rubriek ‘Kyrie en Gloria’.


Melodie

De meeste deskundigen nemen aan dat Decius niet alleen de schrijver van de oorspronkelijke Nederduitse tekst is, maar ook van de melodie. Hoe deze melodie eruit heeft gezien is niet precies duidelijk, aangezien er geen bronnen uit de jaren twintig van de zestiende eeuw zijn waarin de melodie is afgedrukt. De oudst bekende versie stamt uit 1535, toen hij werd afgedrukt bij de Engelse vertaling van het lied in de Goostly psalmes and spirituall songes:
Zoals op de afbeelding te zien is wijkt de vijfde regel geheel af van de versie die nu in het Liedboek staat. Ook het begin van regel 6 is anders (begint met een prime in plaats van een secunde), en regel 7 heeft een afwijkende ritmische structuur (de tweede noot is gepuncteerd en wordt gevolgd door een doorgangsnoot) en bovendien een iets ander slot.

Hieronder ziet u het lied zoals het verscheen in Schumanns Geistliche Lieder van 1539 (met de eerste Hoogduitse versie van het lied):
Het is deze melodie die in het Liedboek is opgenomen (zij het zonder de versiering aan het einde van de tweede en vierde regel). Duidelijk is dat er varianten in omloop waren.  Hieronder ziet u de versie uit Johann SpangenbergKirchengesenge Deudtsch van 1545:
Opvallend is de gepuncteerde noot in regel 2. Verder is in regel 5 het eerste interval een secunde en geen priem. Dat laatste was overigens ook het geval in de ‘Hervormde Bundel uit 1938’.
De eerste regel van de melodie van Decius is gebaseerd op het Gloria uit de paasmis ‘Lux et origo’ (elfde eeuw). Zoals gebruikelijk werd de intonatie daarvan door de priester gezongen; de melodie van ‘Allein Gott’ sluit aan bij het vervolg, dat door het koor gezongen werd:
Zoals hier genoteerd is de toonsoort van de melodie mixolydisch, maar het is nog maar de vraag of men in de zestiende eeuw een f’ of een fis’ zong, ook al stond er een f’ genoteerd. In latere eeuwen werd de melodie in een grotetertstoonsoort (F of G) genoteerd. In de ‘Hervormde bundel 1938’ stond de melodie in G, waarbij de vijfde regel net zoals in Spangenbergs versie uit 1545 begon met een secunde, terwijl bovendien de voorlaatste toon van die regel verhoogd was (g’-a’-b’-c”-b’-a’-gis’-a’). In de Honderdnegentien Gezangen uit 1962) werd weer gekozen voor de modale versie van Schumann (1539), en deze werd overgenomen in het Liedboek voor de kerken van 1973 (in F). In het huidige Liedboek is die versie opnieuw overgenomen, maar dan wel weer met een verhoging aan het einde van de vijfde regel.

De structuur van de melodie sluit aan bij die van de tekst, de zogenaamde ‘Lutherstrofe’. Deze gaat terug op de liederen van de middeleeuwse minnezangers, en wordt de Bar-vorm genoemd: A-A-B, waarbij de A-delen de Stollen of het Aufgesang vormen (twee regels van acht respectievelijk zeven lettergrepen), en het B-deel het Abgesang (drie regels met 8-8-7 lettergrepen). De omvang van de melodie is net als bij het gregoriaanse voorbeeld klein en blijft – afgezien van de onderwisseltoon in regel 2, 4 en 7 – binnen het hexachordum durum. Behalve enkele tertssprongen verloopt de melodie verder geheel secundegewijs. Opvallend is de dominante rol van de terts in het geheel, deze vormt een soort centrum waaromheen de melodie cirkelt. Hij klinkt in de eerste regel al drie keer, en de eerste, derde en zesde regel eindigen erop. De eerste regel van het Abgesang (regel 5) heeft (zoals gebruikelijk bij deze structuur) een afwijkende vorm, en deze regel eindigt als enige niet op de tonica of de terts. De voorlaatste regel is – op de eerste noot na – gelijk aan de eerste regel, en de laatste regel weerspiegelt het slot van de Stollen, regel 2. Opvallend aan de melodie is ten slotte ook het driedelige ritme (‘tempus perfectum’, een verwijzing naar de drie-eenheid) met een strak volgehouden afwisseling van halve en kwartnoten (behalve in de tweede en vierde regel). Al deze elementen maken dat de melodie een sterke eenheid vertoont.

Auteur: Erik Heijerman


Media

Uitvoerenden: Projectkoor OAZE en leden van de Christelijke Muziekvereniging Eendracht Winterswijk o.l.v. Wim Ruessink (canon Liedboek 302a en eerste strofe van het lied)