Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

306 - Ere wie ere toekomt


Het ordinarium in het Liedboek
Huub Oosterhuis
Willem Vogel

Tekst

De Gloria-hymne is hier bewerkt in vrije versvorm. In de compositie van Willem Vogel functioneert de eerste regel driemaal als refrein en een fragment van de eerste regel wordt nog eenmaal hernomen.

In de oorspronkelijke uitgave (Nieuw Bijbels Liedboek, Baarn 1986, blz. 177) heet deze tekst ‘Laatste hymne’ en staat naast deze titel ‘En die op de troon gezeten is, sprak: Zie alles maak Ik nieuw – Apocalyps 21’. In het Liedboek staat de verwijzing naar Openbaring 21,23.

De eerste regel klinkt als een plechtige verklaring: ‘Ere wie ere toekomt’. Het is zondagse taal. Wat betekent dat: dat iemand eer toekomt? ‘Eer’ betekent achting en erkenning, maar ook hulde. God moet de plaats krijgen die hem toekomt en daarnaast moet God geprezen worden. De hymne doet inderdaad beide door een aantal beelden van God te schetsen en daarnaast alle stem op te roepen God luidkeels en levendig toe te zingen. God wordt de ‘lichtende levende’ genoemd. Overigens zal het niet toevallig zijn dat in het woord ‘toekomt’ het woord ‘toekomst’ meeklinkt.

God verbindt zich met ons, mensen. ‘Die ons verwekt en doet zijn’, God staat blijkbaar aan ons allereerste begin. ‘Ons openbaart’ - opnieuw een dubbelzinnigheid: wij zijn uit God geboren, maar God laat ons ook zien wie wij (kunnen) zijn. ‘En herademt’: God geeft ons steeds nieuwe levenskracht.

De eenheid van God die in allen (die zingen) helemaal aanwezig is, maar er niet mee samenvalt, gaat hier vooraf aan het trinitaire deel van de hymne. Vervolgens worden Vader, Zoon en Geest in tweemaal drie verwante beelden opgeroepen: bron, water en stroming, en begin, weg en volharding. Het sterke van deze beeldenreeksen is dat ze niet alleen de verschillende facetten van Vader, Zoon en Geest oproepen, maar ook hun samenhang. Bron, water en stroming zijn betekenisverwant. Zo ook, begin, weg, volharding.

In de bede die volgt: ‘Gij die doet lichten…’, klinkt het boek Openbaring mee. God die zijn licht doet weerstralen over zee, aarde en hemel, kan ook ons kracht en vitaliteit geven.

De laatste regels ‘Moge het worden, eindelijk…’ eindigen met een wens dat onze oorspronkelijke bedoeling waar wordt: moge het licht niet meer doven, de liefde niet voorbijgaan. Ook hier klinkt een verwijzing naar de Openbaring van Johannes: Gods heerlijkheid verlicht de nieuwe stad (21,23). ‘Licht dat niet dooft’ betekent dat God altijd bij ons zal zijn. Het feit dat woorden als ‘licht’, ‘lichten’ en ‘lichtende’  acht maal klinken, doet recht aan het Gloria als morgenhymne, waarbij de opkomende zon de opstanding van Christus weerspiegelt.

Het Gloria is een vroegchristelijke hymne die aanvankelijk alleen in het morgengebed van Pasen werd gezongen, maar steeds populairder werd en vervolgens op grote feesten en ten slotte op alle zondagen werd gezongen. Het wordt de grote doxologie genoemd in tegenstelling tot de kleine doxologie, Gloria Patri et Fillii. Alleen in de advent en de veertigdagentijd wordt er uitdrukkelijk geen Gloria gezongen. Het Gloria is zo gaan horen bij de zogenaamde vaste gezangen van de hoofddienst op zon- en feestdagen. Het is een lofprijzende hymne die de engelenzang in de kerstnacht (Lucas 2,14) herneemt, en de drie-ene God om ontferming bidt. Deze bewerking van Huub Oosterhuis blijft dus bij nader inzien dicht bij de oorspronkelijke structuur.

Auteur: Andries Govaart


Melodie

De tekst van deze ‘Laatste hymne’ verschijnt Nieuw Bijbels Liedboek (Baarn 1986), een bundel met teksten van Huub Oosterhuis. Twee jaar later wordt de toonzetting van Willem Vogel bij deze tekst in het Lied van de week (april 1988) afgedrukt en weer een jaar later verschijnt het lied in het bundeltje Zes Cantiques (Hilversum 1989), teksten van Huub Oosterhuis, op muziek gezet door Willem Vogel.

Sindsdien werd het lied – door de obligate rolverdeling tussen koor en allen is de benaming ‘liturgisch gezang’ wellicht beter – opgenomen in verschillende liedbundels: Gezangen voor Liturgie (1996, nr. 383), Zingend Geloven 8 (2004, nr. 66), Tussentijds (2005, nr. 89) en Verzameld Liedboek (2004, blz. 256). In die laatste bundel staat het lied gebroederlijk naast een toonzetting van dezelfde tekst door Antoine Oomen. Deze componist voorzag de ‘Laatste hymne’ in 1986 van muziek. In díe versie is het lied ook te vinden in Liturgische Gezangen II (aanvulling 1991, nr. 107).

De toelichting die Cor Brandenburg in 1988 voor het Lied van de week schreef, neem ik hier voor de volledigheid over: ‘Een nieuw fenomeen in kerkmuzikaal Nederland is de samenwerking van Willem Vogel met Huub Oosterhuis. Maar wie de muziek van Vogel enigermate kent ziet meteen: ook dít is Vogel. Het idioom is niet anders, vanuit Vogel gezien – vanuit Oosterhuis zeker wel! Deze werkte immers in de muzikale lijn van het gregoriaans met Huybers, Löwenthal, Jansen, e.a. Vogel neemt meteen voor het refrein een neutraal, wereldlijk citaat: Herzlich tut mich erfreuen (Liedboek 747 – CW). Hierna is het wel herkenbaar des Vogels, maar – dankzij de tekst – ook anders: scanderend in de korte tekstfragmenten, om kort te gaan: vrijer in de tekstverwerking. En opwekkend, meenemend in het refrein. Voor het uitvoeren met de eigen cantorij, die steeds vierstemmig de verzen zingt, lette men erop dat Vogel nadrukkelijk komma’s tussen motieven of woorden noteert, om vooral niet op hol te slaan.’

Vogel besloot voor zijn toonzetting de openingszin als refreinregel te kiezen, zodat een responsorisch gezang ontstond. De refreinmelodie is krachtig hymnisch van karakter. Dit wordt niet het minst veroorzaakt door de genoemde klassieke openingswending en het – ook muzikaal – allitererende ‘lichtende levende’. Het refrein eindigt op een halfslot, in deze toonsoort het A-groot akkoord, om zo de deur open te zetten naar de voorzangverzen. Als het refrein voor de laatste keer klinkt, wordt – logischerwijs – wel afgesloten op de tonica D-groot. Daarnaast krijgt dit slotrefrein extra gewicht door de uitwaaierende eenstemmigheid naar de meerstemmige begeleiding en het vijfstemmig koor. Het ‘Amen’ in de laatste twee maten door de sopranen van het koor komt niet uit de pen van Oosterhuis – die dichter springt uiterst spaarzaam om met dat woord – maar is een toevoeging van de componist.

De voorzangverzen zijn doorgecomponeerde, meerstemmige, metrisch genoteerde recitatieven.

1) Doorgecomponeerd: er is geen gebruik gemaakt van terugkerende melodische of harmonische formules. Wel zijn er herhalingen waarneembaar binnen de afzonderlijke verzen.
2) Meerstemmig: eigenlijk is er sprake van een door de sopraan gezongen recitatief, dat op eenvoudige, maar doeltreffende wijze is geharmoniseerd. Gedurende de compositie raakt Vogel harmonisch steeds verder van huis. Na het C-akkoord aan het slot van het tweede voorzangvers (bij ‘liefdes eerste begin’), wordt het a-klein akkoord toegevoegd in het derde vers (bij ‘lichten de zee’) en na het ‘halfrefrein’ het F-groot akkoord (bij ‘Moge het worden’). In deze harmonieën moet gedurende het lied dan ook de intensivering van de muzikale spanning gezocht worden.
3) Metrisch: Vogel heeft geen stokloze noten gebruikt en geeft daarmee aan dat de muziek volgens het genoteerde ritme gezongen moet worden.
4) Recitatief: de componist volgt in zijn ritmische weergave de weging en het ritme van de tekst op de voet. Daar waar extra expressiviteit verlangd wordt, voegt hij termen toe als ‘dringend’, ‘energico’ en ‘breed’ en plaatst hij portatostreepjes – die mijns inziens geïnterpreteerd moeten worden als milde accentueringen – en fraseringskomma’s bij de noten.

Het tempo kan hoger genomen worden dan we bij Vogel zouden verwachten: 150 kwartnoten per minuut. Vogel verleent met zijn muziek de tekst een grote directheid; geeft – met zijn notenwaarden in ‘kilo’s en ponden’ – gewicht aan Oosterhuis’ mystiek.

Auteur: Christiaan Winter