Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

30a - Van U wil ik spreken, God


Antwoordpsalm
50 Psalmen
Bernard Huijbers

Tekst

De tekst is Psalm 30,2-4.6.9-10.12 uit Vijftig psalmen, een psalmvertaling van Huub Oosterhuis en Michel van der Plas in samenwerking met Pius Drijvers en Han Renckens. 


Melodie

Ontstaan en verspreiding

Bernard HuijbersBeurtzang uit psalm 30 op een tekst uit Vijftig psalmen (Utrecht, 1967) verscheen voor het eerst als onderdeel van Liturgie van de Paasnacht (1968). Daarna werd deze compositie ook opgenomen in Liturgische gezangen voor de viering van de eucharistie I (1972, nr. 118); Gezangen voor Liturgie (1983, Psalm 30-II); het tweede deel van de serie antwoordpsalmen U zoekt mijn hart en Verzameld Liedboek (2004, blz 58).

Vorm, tekst en melodie

Wie de psalm meezingt, voelt dat hierin iets voltrokken wordt dat ‘Pasen’ is. Je wordt meegevoerd in de afgrond, om eruit omhoog getrokken te worden. Het tweede voorzangvers is daar een fraai voorbeeld van:

Het bijzondere van deze toonzetting is dat, hoewel we van doen hebben met een weliswaar bijzonder recitatief, tekst en melodie toch één zijn in hun verwoording en verklanking van de toenemende vreugde om de bevrijding door de Heer. Ook melodisch stroomt ons hart over van dankbaarheid. De psalm is een voorbeeld van de ‘dramatiek’ in de werken van Huijbers. Daaronder verstond hij geen dramatische tekst, ofschoon dit in deze psalm eigenlijk wel het geval is, of een tekst in de zin van het klassieke Griekse drama, maar in de geest van het Griekse woord draoo, dat ‘doen’ betekent, een vorm van geestelijke opera, waarin tekst en melodie volledig ineenvloeien. De melodie is tekst en andersom. Eventuele afstandelijkheid tussen deze twee componenten is geheel verdwenen. Tekst en muziek van deze geladen psalm zijn daarbij één en dagen als vanzelfsprekend uit tot een enthousiaste en betrokken voordracht met vaart en elan.

Verder laat Huijbers in dit werk blijken dat hij – we zijn nog in de tweede helft van de jaren zestig – de fase van de herbronning, waarbij de klassieke vormgeving muzikaal vrij theoretisch werd ingevuld (zie de uitleg daarvan bij Liedboek 8c), aan het ontgroeien is. Niet alleen blijkt de reciteerformule van het voorzangvers creatief ingevuld, ook de dramatiek van het juichende refrein overstijgt de theorie. De melodische formule van het voorzangvers berust niet (meer) op een reciteertoon, min of meer omspeeld, maar bestaat uit een dalende en onmiddellijk weer stijgende melodie, die meerdere keren telkens trapsgewijs een toon lager wordt herhaald. In het tweede voorzangvers (zie notenvoorbeeld boven) is dat goed te zien: het melodisch motief bij ‘Ik riep tot U: help mij, God’ begint op een d” en wordt daarna een toon lager gevarieerd herhaald bij ‘toen hebt Gij mij genezen’ en nogmaals een toon lager bij ‘Gij hebt mij teruggehaald’. Dit wordt daarna nogmaals toegepast bij de volgende tekstregels. Deze vorm van recitatief – Huijbers noemde het de V-vorm (een dalende en stijgende melodie), die hij later vaker zou toepassen – is naar zijn mening zeer geschikt om aan het recitatief zonder verlies van eigenheid enigszins een liedkarakter te geven.

De melodie van het refrein verloopt in omgekeerde richting: eerst stijgend, daarna dalend. Deze wordt daardoor een kernachtige liedmelodie, kenmerk van een acclamatie. Uit het ontbreken van elke toonschildering blijkt dat we niet van doen hebben met operadramatiek. Zo staat in het refrein het woord ‘droefheid’ onder het hoogtepunt van de melodie, terwijl deze in de tweede regel van het eerste voorzangvers (‘Gij hebt mij omhoog getrokken’) juist dalend verloopt. De enthousiaste sfeer van de paasjubel overheerst. De orgelpartij is merkwaardig: alleen het refrein kreeg een begeleiding, onder het voorzangvers staat een wat vreemde tegenstem, die melodisch in parallel verlopende deciemafstanden contrasteert met de omkering van de stijgende en dalende voorzang:

Ondanks het enthousiasme waarmee deze psalm natuurlijkerwijze zal worden gezongen wil de componist een kalme uitvoering: hij schreef als tempo MM kwartnoot met punt = 52 voor.

Auteur: Anton Vernooij

Literatuur:

Bernard Huijbers, Door podium en zaal tegelijk. Volkstaalliturgie en muzikale stijl. Baarn 1969/1994.


Media

Uitvoerenden: Amersfoorts Vocaal Ensemble o.l.v. Gert Bremer; Jomien Tissink (2, 4) en Paul Sanders (3, 5), cantores; Frans Haagen, orgel