Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

441 - Hoe zal ik U ontvangen


Wie soll ich dich empfangen

Paul Gerhardt
Sytze de Vries
Johann Crüger

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.
In de toelichting bij de liedtekst gaat W.G. Overbosch in op de vertaling zoals deze in het Liedboek voor de kerken stond. Deze toelichting 
maakt duidelijk dat een nieuwe vertaling van dit lied van Gerhardt noodzakelijk was. Sytze de Vries heeft die in opdracht van de redactie gemaakt. De toelichting is op enkele plekken aangepast.

De dichter van dit overbekende en geliefde adventslied is Paul Gerhardt, – maar vermoedelijk zullen slechts weinig Nederlandse kerkgangers de originele tekst Wie soll ich Dich empfangen ooit onder ogen hebben gehad. Het lied is ten onzent geïntroduceerd via de Vervolgbundel bij de Evangelische gezangen, in een vertaling van Jan Jacob Lodewijk ten Kate, met negen van de tien strofen (7 en 8 blijken te zijn samengevoegd), die op vele punten wel bijzonder ‘vrij’ genoemd mag worden. Zo stond het ook nog als Gezang 1 in de ‘Hervormde bundel van 1938’, met dien verstande dat men zich in de slotstrofe nog verder van de Duitse tekst verwijderde door niet langer te lezen: ‘Nog eenmaal zal Hij komen / als Rechter van ’t heelal, / die ‘t hoofd van alle vromen / voor eeuwig kronen zal’, maar ‘Nog eens zal Hij verschijnen / als Rechter van ‘t heelal, / die ‘t hoofd van al de zijnen / voor eeuwig kronen zal’. In het Liedboek voor de kerken (gezang 117) stonden zeven strofen, waarvan een viertal (namelijk 1, 2, 5 en 6) een gedeelte blijkt te vormen van een geheel nieuwe vertaling (van alle 10 strofen dus) door Casparus Bernardus Burger, gemaakt tijdens de eerste fase der werkzaamheden van de Hervormde Gezangencommissie, terwijl de coupletten 3, 4 en 7 (die laatste met de ‘correctie’ van 1938) alsnog van Ten Kate afkomstig zijn. Kennelijk heeft men de ‘millioenen’ in de 3e strofe (regel 7) niet durven afschrijven, terwijl Gerhardt daar in zijn lofgebed gezegd heeft:

Was hast Du unterlassen
zu meinem Trost und Freud,
als Leib und Seele saszen
in ihrem gröszten Leid?
Als mir das Reich genommen,
da Fried und Freude lacht,
da bist Du, mein Heil, kommen
und hast mich froh gemacht.

Dat is wel iets anders dan:

Ver van de troon der tronen
en ’s hemels zonneschijn
wilt G’onder mensen wonen,
der mensen broeder zijn.
Met God wilt G’ons verzoenen,
tot God heft G’ons omhoog,
en onder millioenen
hebt Gij ook mij in ‘t oog.

En al even ver wijkt het volgende couplet van Ten Kate, hoe poëtisch-waardevol het op zichzelf ook is: 

’k Lag machteloos gebonden, –
Gij komt en maakt mij vrij!
Ik was bevlekt met zonden, –
Gij komt en reinigt mij!
Het leven was mij sterven
tot Gij mij op deedt staan.
Gij doet mij schatten erven,
die nimmermeer vergaan.

van de Duitse vierde strofe af:

Ich lag in schweren Banden,
Du kommst und machst mich los.
Ich stand in Spott und Schanden,
Du kommst und machst mich grosz,
und hebst mich hoch zu Ehren
und schenkst mir groszes Gut,
das sich nicht läszt verzehren,
wie irdisch Reichtum tut.

Had men de complete nieuwe vertaling aanvaard, dan zou die in menig opzicht groter recht hebben laten wedervaren aan het verstilde, goeddeels naar binnen gekeerde lied, dat Gerhardt in feite heeft geschreven. Maar men vond dat te langademig en heeft daardoor met name de structuur van het origineel zo betreurenswaardig ontzet, – waarin namelijk twee duidelijk-corresponderende helften zijn aan te wijzen; de eerste vijf strofen vormen een hoogstpersoonlijk gebed tot de Heiland, de tweede vijf zijn een daarmee parallel lopende vertroosting, die tot de gemeente gericht is, beginnende met de bemoediging: Das schreib dir in dein Herze, – du hochbetrübtes Heer, waarmee inderdaad in het Liedboek voor de kerken het zesde couplet overeenkomt:

Gij zwaarbeproefde schare,
ten dode toe benard,
daar gaat een blijde mare,
o schrijf die in uw hart.

De daarop volgende notie ‘al drukt het kruis uw schouder’, die Burger geïntroduceerd heeft, staat niet in de tekst; wat er wel staat, namelijk een zeer concrete pastorale vertroosting in de schrikwekkende verwarring van destijds, heeft de redactie weggelaten.

Wat – met name in combinatie met de melodie van Crüger – ook bijzonder betreurenswaardig is, is het feit dat in de tekst van de eerste strofe het indringende O Jesu, Jesu wegvertaald is. Feitelijk blijft in de nu gehandhaafde bewoording de Aangesprokene zelfs helemaal ongenoemd, wat zeker beneden de maat van Gerhardts bedoeling is:

Wie soll ich Dich empfangen,
und wie begegn’ ich Dir,
o aller Welt Verlangen,
o meiner Seelen Zier?
O Jesu, Jesu setze
mir selbst die Fakkel bei,
damit was Dich ergötze,
mir kund und wissend sei.

In de vertaling:

Hoe zal ik U ontvangen,
hoe wilt Gij zijn ontmoet,
der wereld hoogst verlangen,
des harten heiligst goed?
Wil zelf de fakkel dragen
in onze duisternis,
opdat wat U behage
ons klaar en zeker is.

Kortom: juist wie zich gaat verdiepen in wat er in de zeventiende eeuw gezegd en gezongen is, krijgt het wat moeilijk met gezang 117 zoals dat in het Liedboek voor de kerken stond. Waarbij dan nog in het midden is gelaten, of wij inderdaad zouden kunnen zingen zoals Gerhardt (en Crüger!) het gedaan hebben. Zij hebben de Schriften anders gehoord dan wij, dat is duidelijk, ook al lazen zij dezelfde woorden. Een sprekend voorbeeld daarvan biedt ook nog strofe 2, waar de dichter geschreven heeft:

Dein Zion streut Dir Palmen
und grüne Zweige hin,
und ich will Dir in Psalmen
ermuntern meinen Sinn.
Mein Herze soll Dir grünen
in stetem Lob und Preis
und deinem Namen dienen,
so gut es kann und weisz.

Knooppunt in dat couplet is het woord ‘groen’ (ook dat is in de vertaling helaas weggevallen); maar zouden wij zo ‘Uw Zion’ kunnen identificeren met ons eigen hart, en daarmee de komst van Israëls Messias tot de Godsstad radicaal spiritualiseren? Het lijkt wel zeker, dat Jezus andere visioenen voor ogen had, toen Hij Jeruzalem binnenreed; de treurnis over de puinhopen in de kreunende Duitse landen kwam daar misschien nog het meeste mee overeen.

Auteur: W.G. Overbosch


Melodie

De gemeente in Nederland heeft Gerhardts lied altijd gezongen op de melodie Valet will ich dir geben van Melchior Teschner (zie bij Liedboek 803), terwijl het nu in het Liedboek genoteerd staat met de eigen zangwijs, die Johann Crüger er voor heeft geschreven. Ook in de Duitse landen is ze overigens lang ‘ondergedoken’ geweest en pas weer in ere hersteld via de invoering van het Evangelisches Kirchengesangbuch (1950), dat zich zorgvuldig rekenschap heeft gegeven van de verschillende drukken der Praxis pietatis melica. En daaruit blijkt, dat Crüger, deze director musices aan de Nicolaikirche te Berlijn, die de eerste tien drukken van dit grote en steeds (van 148 tot 1316 liederen) uitgroeiende gezangboek verzorgde, door het Wie soll ich dich empfangen van zijn vriend Gerhardt zeer geraakt is. Ook al zou die tekst dus oorspronkelijk (en dat was in 1651 in Mittenwalde, dat bitter onder de Dertigjarige Oorlog had geleden, – toen Gerhardt dus nog niet in Berlijn stond) op Teschners melodie geschreven zijn (en hoe vaak komt het niet voor, dat een dichter bij het neerschrijven van een lied een bepaalde zangwijs in het hoofd heeft, die naderhand door een veel evidenter en meer karakteristieke melodie wordt vervangen), dan nog is die van Crüger te prefereren, al was het alleen maar vanwege zijn zorgvuldige luisteren naar de eerste strofe:

Wie soll ich Dich empfangen,
und wie begegn’ ich Dir,
o aller Welt Verlangen,
o meiner Seelen Zier?
O Jesu, Jesu setze
mir selbst die Fakkel bei,
damit was Dich ergötze,
mir kund und wissend sei.

Het markante van Crügers melodie is namelijk haar doorgaande ingetogenheid, die zich helemaal beweegt binnen de ruimte van een kwint, – behalve in de vijfde regel, waar het gebed zijn hoogtepunt heeft (althans in de Duitse versie!) en zich zeer direct tot Jezus wendt. De hoge es” die daar vanaf de bes’ als inzet bereikt wordt, is kennelijk ter ondersteuning van de naam ‘Jezus’ bedoeld, – en om de twee lettergrepen van die naam tot volle gelding te brengen, bedient de componist zich dan ook van een schrijfwijze, waarmee hij zich door bestudering van het Geneefse psalter in toenemende mate vertrouwd had gemaakt; de manier, waarop de kwartnoten en de halven hier gebruikt worden (met een syncope in de tweede regelhelft) is wel heel karakteristiek.

Dit lied geeft dus op een opmerkelijke manier uitdrukking aan de kennis, verkregen door een intieme vriendschap; er kan over de saamhorigheid van tekst en melodie, zoals het Liedboek die nu aangeeft (in 1950 dus hersteld in het EKG in 1955 overgenomen door het Gezangboek der Evang. Lutherse Kerk in Nederland, in 1962 ook afgedrukt in de 119 Gezangen in gebruik bij de Gereformeerde Kerken en in 1973 opgenomen in het Liedboek voor de kerken), nauwelijks enige twijfel bestaan.

Auteur: W.G. Overbosch