Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

547 - Met de boom des levens


Een eerste kennismaking

Dit lied heeft zonder enige moeite zijn weg gevonden in de Nederlandse kerken en ver daarbuiten. Een vertaling is opgenomen in Duitse en Zwitserse gezangboeken en zelfs in Japan zingt men dit lied in de eigen taal!
Het lied ‘Van de boom des levens’ heeft in het Liedboek een plaats gekregen in de rubriek ‘Veertigdagentijd’, en is zeer geschikt voor de passietijd. Maar oorspronkelijk werd de tekst door Willem Barnard voor een geheel andere liturgisch tijd geschreven. In het klassieke Romeinse Missaal wordt op de laatste zondag vóór de advent als epistel Kolossenzen 1,9-14 gelezen. Daar spoort de apostel de gemeente aan de wijsheid Gods te leren kennen om zo vruchten te dragen door het goede dat men doet. Als we daarbij voegen dat op die voleindingszondag de rede over de laatste dingen klinkt (Matteüs 24), krijgt het refrein veel diepgang. En als de dichter spreekt over het kruis als ‘de boom des levens’, dan doet hij dat in navolging van de vroegchristelijke dichter Venantius Fortunatus (zie Liedboek 572).
Oorspronkelijk had het lied zeven strofen van vier regels. De Vlaamse componist Ignace de Sutter maakte van de oorspronkelijke vierde strofe een refrein. De Sutter stond als rooms-katholiek musicus in de gregoriaanse traditie. Daarom is het begin van het refrein een letterlijk citaat van een gregoriaans Kyrie (Kyrie orbis factor).

Auteur: Pieter Endedijk


Van de boom des levens

Willem Barnard
Ignace de Sutter

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor dit compendium.

Op de ‘laatste zondag van het kerkelijk jaar’ (een naar mijn inzicht hoogst bedenkelijke frase, want wordt Advent dan niet louter herdenking in plaats van toekomstverwachting in aansluiting op de herfstliturgie?) legt het Missale Romanum ons ter lezing voor Kolossenzen 1,9-14. Het gaat in dat epistel weer om de ‘handtastelijkheid’ van het geloof, de goede werken! Paulus spreekt daarvan in beeldspraak, hij heeft het over vruchten en hij vergelijkt het ‘nieuwe leven’ met daglicht na de nacht . Van deze beide noties uitgaande heb ik een lied gemaakt dat over het kruis spreekt als over de ‘boom des levens’. Hij die het kruis droeg heeft daarmee ook goede vruchten gedragen. Ja, de liefde, waar het kruis voor ons het teken van geworden is, draagt ook ons zélf: ‘liefde wordt niet moe’.

Van de zeven strofen waar dit lied uit bestaat is de vierde uitgegroeid tot een refreinstrofe. Het ‘Kyrie eleison / wees met ons begaan, / doe ons weer verrijzen / uit de dood vandaan’ stond eerst als een gewone strofe tussen de andere in, na het ‘want de aarde vraagt ons’ en vóór het ‘laten wij God loven’! Toen de Gregoriusvereniging eens een prijsvraag uitschreef voor muziek bij een aantal liedteksten, koos men bij dit ‘lied van de goede vrucht’, zoals het opschrift luidt in De Tale Kanaäns (Hilversum 1963, blz. 124), de refreinmogelijkheid – de Kyrieleis-strofe werd verheven tot antifoon.

Zo groeit een lied soms onder de handen van de dichter vandaan, want pas op deze wijze (en op deze wijs!) heeft het epistelgezang naar Kolossenzen 1,9-14 zijn volwaardige vorm gevonden. Natuurlijk geldt ook hier (zie over dit onderwerp uitgebreider bij Liedboek 650), dat de aanleiding tot het lied, in de gegevens van het kerkelijk jaar gelegen, het kerkelijk jaar volgens een bepaalde traditie, de toepassing ervan niet mag insnoeren. Het is een lied dat zijn eigen weg vindt en reeds heeft gevonden. Maar men mag er toch wel bij bedenken, dat met dit epistel uit Kolossenzen in die kerkelijk jaartraditie verbonden wordt de ontzagwekkende lezing van Matteüs 24 als evangelie. Tegen deze achtergrond krijgt de verheffing van die ene Kyrieleis-strofe tot steeds weerkerend refrein een bijzondere betekenis: wat zal men met ‘de laatste dingen’ voor de geest en met het oordeel voor ogen anders doen dan uitroepen wat in dat keervers staat: ‘Kyrie eleison / wees met ons begaan, / doe ons weer verrijzen / uit de dood vandaan!’

Auteur: Willem Barnard


Melodie

De oorspronkelijke vorm van de tekst was een lied met zeven strofen van vier regels (zie De tale Kanaäns, Amsterdam/Hilversum z.j. [1963], blz. 124-125). De melodie van Ignace de Sutter was een reactie op de oproep van de Nederlandse Sint-Gregoriusvereniging (de vereniging voor liturgische muziek waar alle leden van katholieke kerkkoren krachtens bisschoppelijk besluit automatisch lid van zijn) om melodieën bij een aantal teksten van Barnard te schrijven. Het lied ‘Van de boom des levens’ met De Sutters melodie werd geselecteerd en opgenomen in Nieuwe liturgische liederen, Hilversum 1964. De oorspronkelijke vierde strofe werd daarbij tot refrein gepromoveerd en zo ontstond de huidige vorm van het refreinlied.

De melodie van Ignace de Sutter is kenmerkend voor zijn aanpak. Geworteld in de gregoriaanse traditie schreef hij een syllabische melodie, dat wil zeggen: op elke noot één lettergreep, waarbij de melodie voornamelijk trapsgewijs verloopt en een eenvoudig ritme heeft, gebruikmakend van halve en kwartnoten. Alleen de slotnoten van elk regelpaar zijn hele noten. De aeolische toonsoort onderstreept het smekende karakter van de tekst.
Doordat er nauwelijks sprongen in de melodie voorkomen, ontstaat er een golfbeweging, die de tekst zeer goed uitbeeldt. Beginnend op de grondtoon (g’) eindigt het eerste regelpaar (bij ‘rug’) op de dominant onder de grondtoon (d’) en het tweede regelpaar (bij ‘vrucht’) op de dominant (d”) boven de grondtoon. De vooral dalende melodiebeweging in het eerste regelpaar van de strofe onderstreept de regelmatig voorkomende ‘donkere’ woorden in de eerste helft van de meeste strofen, zoals ‘wegend op zijn rug’ (strofe 1), ‘aardse dal’ (strofe 2), ‘aarde’ (strofe 3 en 5), ‘zaad des doods’ (strofe 3), ‘diepte’ (strofe 5) en ‘doodzwaar op zijn rug’ (strofe 6). Als contrast daarmee begeleidt de stijgende melodiebeweging in het tweede regelpaar van de strofe de op die plaats veel voorkomende ‘lichte’ woorden, zoals ‘goede vrucht’ (strofe 1 en 6), ‘lieve vrede’ (strofe 2), ‘hemel’ (strofe 3 en 5) en ‘boven’ (strofe 4).
De stijgende en dalende melodiecurve in het tweede deel van het refrein toon ook een fraaie tekstuitbeelding: het woord ‘verrijzen’ ligt op het hoogste punt en het woord ‘dood’ op het laagste punt.
De hoge slotnoot van de strofe gaat naadloos over in het begin van het refrein. Daarbij citeert De Sutter een gregoriaanse melodie. Het gaat om Kyrie XI (‘Orbis factor’), zie onder andere Gezangen voor Liturgie, nr. 804:
In ‘moderne’ notatie:
Het eerste motief van deze Kyriemelodie neemt De Sutter over en transponeert dit een kwart hoger:De Sutter stelt een rustig tempo voor, ‘zoveel mogelijk in de vloeiende en toch beheerste stuwing van een gregoriaanse hymne’ (Een Compendium…, k. 466).

Auteur: Pieter Endedijk


Media

Uitvoerenden: Goylants Kamerkoor o.l.v. Cor Brandenburg; Jan Hage, orgel (bron: KRO-NCRV)

Video: Liedboek 547 door zangers van de Dorpskerk Eelde; Vincent van Laar (strofen 1, 2, 4, 5)