Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

466 - O wijsheid, daal als vruchtbare taal


Een eerste kennismaking

In het liturgisch boek voor de dagelijkse gebedsdiensten in de kloosters, het Getijdenboek, vindt men voor de laatste volle week vóór kerst (17 tot en met 23 december) zeven bijzondere teksten als keerverzen bij de Lofzang van Maria. Deze teksten vormen samen de zogenoemde ‘O-antifonen’, zeven profetische aanroepingen met zeven Latijnse titels voor de Messias. De beginletters van deze zeven namen vormen in omgekeerde volgorde de spreuk ‘Ero cras’, wat betekent: ‘morgen zal Ik er zijn’.
Een twaalfde-eeuwse dichter schreef bij vijf titels (in een andere volgorde dan oorspronkelijk) een lied en Willem Barnard maakte daarvan een Nederlandse bewerking. Zo was dat lied opgenomen in het Liedboek voor de kerken (1973; gezang 125). Later herschreef Barnard zijn tekst tot een lied met zeven strofen, waarbij alle titels in de juiste volgorde voorkomen. In die gedaante vindt men het lied onder andere in het Oud-Katholiek Gezangboek (1990; nr. 559) met als beginregel: ‘Op aarde plant het kwaad zich voort’. Voor Liedboek, Zingen en bidden in huis en kerk (lied 466) werd deze tekst weer enigszins aangepast, met als beginregel: ‘O wijsheid, daal als vruchtbare taal’. Door deze aanpassing is in elke strofe de betreffende Messiastitel in de eerste regel te vinden.
De melodie gaat vermoedelijk terug op een gregoriaanse wijs van rond 1500, aangepast door de negentiende-eeuwse theoloog en musicus Thomas Helmore. Zo werd het in Engeland een populair adventslied.

Auteur: Pieter Endedijk


O-antifonen van de zeven dagen vóór Kerstmis

Willem Barnard
Franse melodieThomas Helmore
Veni veni Emmanuel

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.
Willem Barnard heeft later zijn liedtekst aangepast; zo ontstond er een versie van zeven strofen. In zijn ‘Verzamelde Liederen’ geeft hij daarbij een uitgebreide toelichting. Die toelichting wordt hieronder opgenomen na de toelichting bij de tekst volgens het Liedboek voor de kerken.
De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor dit compendium.

Toelichting volgens ‘Compendium bij de 491 gezangen’:

De oorsprong van dit lied ligt in de Latijnse liturgie, in het brevier. Men vindt daar bij de aanwijzingen voor Advent een aantal bijzondere antifonen, keerverzen bij het Magnificat in de vespers. Wanneer dan ’s avonds die Lofzang van Maria werd gezongen voegde men daar van 17 tot 23 december telkens een kort gebed tot haar Zoon aan toe, hem noemende met omschrijvingen uit de profetische boeken. Deze ‘messiastitels’ nu luidden achtereenvolgens: Sapientia, Adonai, Radix Jesse, Clavis David, Oriens, Rex Gentium en Emmanuel

Met deze ‘zevensprong’ corresponderen de volgende schriftcitaten: Spreuken 8,1-16; Deuteronomium 10,17-21; Jesaja 11,1-10; Jesaja 22,20-22, Maleachi 4,1-3; Jeremia 10, 6-7 en Jesaja 7,14. De Latijnse woorden betekenen achtereenvolgens: wijsheid, gebieder, wortel van Jesse (Isai), sleutel van David, opgaande Zon, koning der volkeren, Emmanuel (het hebraïsme ‘God bij ons’). De zin van die aanroepingen wordt uit de aangegeven bijbelplaatsen wel duidelijk.

Omstreeks de twaalfde eeuw moet een onbekende dichter vijf van deze aanroepingen tot een hymne hebben gemaakt. Hij koos in deze volgorde: Emmanuel, Radix, Oriens, Clavis, Adonai. Bij ieder van de zo ontstane vijf strofen gaf hij de refreinregels ‘Gaude, gaude, Emmanuel nascetur pro te Israel’: Wees blij, wees blij, – Immanuel zal voor U geboren worden, o Israël!

Het ‘gaude(te)-thema’ was in de liturgie van Advent vertrouwd, omdat in het Missale Romanum de derde zondag van Advent wordt beheerst door een citaat uit Filippenzen 4,4: ‘Verblijd u in de Heer te allen tijd’. Die zondag heet naar dit citaat dan ook Gaudete en de genoemde reeks dagen, te beginnen op 17 december, sluiten bij de zondag Gaudete aan, kalendarisch en dus ook hymnologisch. Het gaudete-refrein blijft klinken. Zo moet de opzet zijn geweest van die middeleeuwse anonymus. Maar waarom begon hij met de laatste aanroeping, Immanuel? Misschien, omdat de middeleeuwse speelse vroomheid toch al geneigd was, de reeks messiastitels van achteren naar voren te lezen; zo immers ontstond het acrostichon Ero cras, de zeven beginletters samengevoegd tot dat korte zinnetje van twee korte woorden die betekenen (men denke aan de datum 24 december!): ‘morgen zal ik er zijn’!

Men heeft het aldus ontstane lied vóór 1710 niet kunnen aanwijzen. Van dat jaar is er een publicatie bekend, in het Psalteriolum Cantionum Catholicarum te Keulen. Ook de melodie werd pas laat gepubliceerd. Zij schijnt van Franse herkomst te zijn, gevonden in een Frans missaal uit de nationale bibliotheek te Lissabon. Maar uitgegeven werd die muziek pas voor het eerst in 1854. Ze klinkt ‘oud’ en men veronderstelt, dat een gregoriaans Kyrie voor deze tekst bewerkt is.

Mijn bewerking stond reeds in De Tale Kanaäns (blz. 133).

Auteur: Willem Barnard

Toelichting volgens ‘Verzamelde Liederen’ (Baarn 1986, blz. 413):

In een eerdere poging deze adventsgebeden te verdietsen en tot een kerkgezang samen te voegen, ben ik uitgegaan van een Engelse versie (O come, o come, Emmanueli, zie bijvoorbeeld The English Hymnal nr. 8) die de melodie volgde die ook in het Liedboek voor de kerken staat en zich tot vijf strofen beperkte. Slechts vijf van de zeven antifonen die als O-Antifonen bekend zijn uit het oude Latijnse missaal kwamen zo tot hun recht, in een bovendien omgekeerde volgorde. Weliswaar is die omkering van de volgorde vanouds gepraktiseerd; men zong de O-Antifonen immers dagelijks verder gedurende een zevental dagen aan Kerstmis voorafgaand en de verborgen zin van die zeven messiastitels werd dan gezocht in de spreuk die aan de beginletters retrospectief werd gehecht (Emmanuel, Rex Gentium, Oriens, Clavis David, Radix Jesse, Adonai, Sapientia, naar de initialen gelezen als Ero cras: morgen zal ik er zijn). Bij nader inzien leek het mij gewenst, de tekst van de Latijnse bewoordingen nauwkeuriger te volgen, in de klassieke rangschikking, dus beginnend bij Sapientia en besluitend met Emmanuel. Wel heb ik de inmiddels bekend geworden liedvorm en de melodie gerespecteerd. Deze tekst komt dus, wat mij betreft, in plaats van gezang 125 uit het Liedboek voor de kerken. In de hier aangeboden versie is het persistente veni veni (‘o kom’), waarmee elke strofe begon, losgelaten. Ook het ‘wees blij’ van het keervers heb ik vervangen. Het gaude(te) van de adventszondag moet voor mijn oor met ‘verblijd u’ worden vertaald, niet met ‘wees blij’! En het bleek mij niet mogelijk aan de Latijnse tekstenig recht te laten wedervaren, wanneer elke strofe zou moeten beginnen met dat ‘o kom’! Ik heb dat dan ook naar het refrein verplaatst en het werkwoord ‘verblijden’ op een andere manier dan in het Gaudete-lied (‘Verblijd u in de Heer’, Liedboek 450), namelijk transitief, in de laatste regel gezet. Het al te ‘blatende’ refrein zodal het in het Liedboek voor de kerken staat is daarmee vermeden.

Auteur: Willem Barnard

NB.: In overleg met de erven van de dichter heeft de redactie een wijziging in de volgorde van enkele regels toegepast, zodat in elke strofe de betreffende messiastitel in de eerste regel wordt vermeld (red.).


Melodie

De eerste Engelse vertaling van het lied, gemaakt door John Maeson Neale (1818-1866) in 1851, voorzag Thomas Helmore (1811-1890) van een melodie. Helmore, die theologie en muziek studeerde, was erg geporteerd van het gregoriaans en gaf diverse bundels uit waarvan de titels deze voorliefde al verraadden: Primer of Plainsong (1847) en Manual of Plainsong (1850).

De melodie die hij bij Neale's adventslied noteerde, verscheen voor het eerst in de bundel Hymnal Noted, Part II uit 1856:

Het opschrift meldt dat de melodie gebaseerd is op een Frans missaal uit de vijftiende eeuw, dat bewaard wordt in de Biblioteca Nacional de Portugal te Lissabon. Of deze informatie klopt is de vraag omdat tot nu toe het missaal met deze melodie niet in deze bibliotheek is aangetroffen. Vanwege dit feit werd de gedachte al wel eens geopperd dat Helmore geen middeleeuwse bron gebruikt heeft, maar de melodie zelf heeft gecomponeerd.

Dat is evenwel niet het geval, want de melodie is in de jaren zestig van de vorige eeuw aangetroffen in het Franse manuscript Rituel à l’usage d’une abbaye de femmes uit 1490-1510, dat zich in de Bibliothèque Nationale de France bevindt.

De melodie vergezelt daar de tekst Bonne Jesu Dulcis cunctis, een tropentekst bij het responsorium Libera me uit het Requiem. Deze vondst van de musicologe Mary Berry (1917-2008) beantwoordt niet de vraag uit welke bron Helmore de melodie kende. Wel toont zij aan dat we inderdaad met een middeleeuwse melodie te maken hebben.

Dat Helmore een vijftiende-eeuwse bron gebruikt heeft, is trouwens te zien aan de kwadraatnotatie (blokvormige noten). De middeleeuwse herkomst blijkt ook uit inhoudelijke aspecten: de centrale positie van de meervoudig herhaalde roeptoon (dominant b’), de melismen die in alle regels optreden en het ontbreken van de leidtoon dis’ in regel 2 en 6. De negentiende-eeuwse melodieversie staat in e-klein, maar je kunt – gezien de middeleeuwse herkomst – ook stellen dat de toonaard e-dorisch is. In elk geval speelt de dominanttoon/roeptoon (b’) een centrale rol in de regels 1 en 4. De tweede regel (= regel 6) voert terug naar de finalis/grondtoon, terwijl de derde regel de melodie nog verder omlaag voert. Melodieregel 5, die zowel melodisch als ritmisch met de voorgaande contrasteert, heeft een majeur-karakter.

In veel Engelse bundels is de melodie zonder maatsoort genoteerd, zie bijvoorbeeld: Hymns Ancient and Modern (1867, nr. 36), The English Hymnal (1906, nr. 8) en Songs of Praise (Oxford-Londen 1926, nr. 66). Dat is niet zonder reden want het veronderstelt een reciteerachtige en vloeiende uitvoering van de melodie, waarbij de accenten vooral vanuit de tekst gelegd worden. In Songs of Praise stond bij de melodie bovendien in free rhythm . Een dergelijke uitvoering wordt in The New English Hymnal gesuggereerd door de melodie in achtste en kwarten te noteren.

In het Liedboek is ervoor gekozen de melodie wel in maatsoorten te noteren. De gebruikte nootwaarden in combinatie met de maatsoorten (2/2 en 3/2) vertellen wel dat een halve noot-tactus genomen moet worden en de kwartnoten dus niet te zwaar en log gezongen moeten worden.

Eén aspect uit de Engelse praktijk is in het Liedboek wel overgenomen: de voorlaatste regel eindigt met een kwartnoot en niet – zoals in het Liedboek voor de kerken – met een gepuncteerde halve noot.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Vocaal Theologen Ensemble o.l.v. Hanna Rijken; Sebastiaan ’t Hart, orgel (strofen 1, 3, 4, 5, 7)

Video: O come o come Emmanuel: Ely Cathedral Girl Choristers and our Lay Clerks (gezongen in het Engels)