Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

760 - Gij zijt de zin van wat wij zijn


Een eerste kennismaking

Een lied voor de voleindingstijd, de laatste zondagen vóór advent, als wij uitzien naar ‘alles wat nieuw wordt voor ons oog’ en wij eens ‘blinkend staan / met witte waarheid aangedaan’. Dat zijn zinnen uit de strofen 5 en 6 van dit lied van Jan Willem Schulte Nordholt. Een lied ontstaat niet zomaar, meestal is er een aanleiding toe. Zo ook dit lied. De dichter woonde in 1954 een conferentie bij over de Amerikaanse Burgeroorlog (later werd hij hoogleraar in de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika). Het droevige verhaal over deze oorlog bracht hem in de nacht ertoe de woorden achter elkaar op te schrijven. Het is een indringende tekst geworden, waarbij de Messias genoemd wordt: ‘de zin van wat wij zijn’. Hij gaat ‘in het donker voor ons uit’, zo zingen we in strofe 2, een strofe met de fraaie slotzin: ‘de eeuwen door, een wereld lang’. Ook al dwalen wij af, wij zullen tot Hem terugkeren (strofen 3 en 4), dan hebben wij deel aan het reeds genoemde vergezicht.
De bijzondere metrische structuur van de tekst, met twee korte regels in het midden, vroeg om een geheel eigen melodie. De componist Jan van Biezen gebruikt in zijn melodieën de stijlkenmerken van het middeleeuwse en vroeg-reformatorische lied. Zo is de eerste regel nagenoeg identiek aan de beginregel van Liedboek 621.

Auteur: Pieter Endedijk


Jan Willem Schulte Nordholt
Jan van Biezen

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Het ontstaan van dit lied is tot op het seizoen nauwkeurig te achterhalen: voorjaar 1954. Ook de locatie is bekend: een kamer van hotel Noordzee in Noordwijk. Jan Willem Schulte Nordholt woonde toen een conferentie bij over de Amerikaanse Burgeroorlog. Deze strijd woedde in 1861-1865 tussen het noorden en het zuiden van de Verenigde Staten en had als inzet de afschaffing of handhaving van de slavernij. De lezingen erover maakten diepe indruk op Schulte Nordholt, die in 1956 zijn bekende boek zou publiceren: Het volk dat in duisternis wandelt – De geschiedenis van de negers in Amerika. Het lied kwam onder nummer 97 terecht in 102 gezangen (1964) en als gezang 283 in het Liedboek voor de kerken (1973). 

Vorm

Het lied is in de tweede persoon gesteld; de eerste twee strofen beginnen met ‘Gij’. Van meet af aan hoort daar het ‘wij’ bij: ‘Gij zijt de zin van wat wij zijn’. De laatste twee strofen beginnen met ‘Als’. Ze borduren voort op strofe 4, die gaat over onze terugkeer tot God. ‘Hoe liefelijk is dan ons lot’.

Het rijmschema is AABB. Alliteratie komt een aantal keer voor. ‘Gij zijt de zin van wat wij zijn’ (strofe 1); ‘uw grote gang’ (strofe 2); ‘Al dwalen we ook ten dode af’ (strofe 3); ‘en grote God’ (strofe 4); ‘hoe liefelijk is dan ons lot’ (strofe 4); ‘de hemel hoog’ (strofe 5) en ‘met witte waarheid aangedaan’ (strofe 6). In strofe 3 klinkt steeds de ‘o’: ‘ook’, ‘dode’, ‘over’, ‘voorgoed’.

Inhoud

Strofe 1

Wie de geschiedenis op zich in laat werken, kan overvallen worden door een gevoel van zinloosheid, en het de Prediker nazeggen: ‘Alles is lucht en leegte’ (1,2). Schulte Nordholt kent deze gevoelens ook, maar vertolkt in dit lied hoe God zin geeft aan wat zinloos lijkt. ‘Gij zijt de zin van wat wij zijn’. Jezus is de goddelijke Logos (Johannes 1,1). Men zou dit Griekse woord goed met ‘zin’ kunnen vertalen. ‘In het Woord was leven’ (1,4), Jezus is de hartsfontein’, ‘dat leven is voor al wat leeft’ (vergelijk Johannes 4,14 en 7,38) .

Strofe 2

De wereldgeschiedenis wordt ook wel ‘wereldnacht’ genoemd. We moeten er als mensheid doorheen, maar dat is een kwestie van treden in de voetsporen van Jezus: ‘Gij gaat in ’t donker voor ons uit’. Hierbij valt ook te denken aan het duister op Golgota, waarin alle duister als het ware wordt samengevat. Tegelijk klinkt het boek Exodus mee, waarin God voor zijn volk uitgaat in wolk en vuur. Verder speelt bij Schulte Nordholt heel vaak het thema van de slavernij in Amerika mee. Hij schreef er zijn boek Het volk dat in duisternis wandelt (1956) over, onder verwijzing naar Jesaja 9,1 (zie ook Liedboek 448 en de de bijbehorende tekstoelichting).

Strofe 3 

Maar wat komt er van onze navolging terecht? We dwalen vaak af van de weg, met dodelijke consequenties. De geschiedenis, groot en klein, heeft zo zijn doodlopende wegen. En toch: ‘tot over ’t graf, / voorgoed zijt Gij / ons met uw tederheid nabij’. Psalm 48,15 (NBG 1951) bezingt dat God ons ‘tot de dood toe’ zal leiden. Verder gaat het als je zingt dat God ook in het graf met ons is. En nog verder gaat het als God ‘tot over ‘t graf’ met ons is. Het roept associaties op met de doodsjordaan die we oversteken. Aan de overzijde is God ons nog steeds nabij.

Strofe 4

Het afdwalen is niet het laatste. ‘Wij keren allen tot U weer’. De adem van het leven keert weer naar God terug (Prediker 12,7). Deze terugkeer van de ziel is heilzaam. We verwachten het goede van de ‘beminde Heer en grote God’. Laatstgenoemde benaming herinnert aan Titus 2,13 (NBG 1951): ‘Verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland Christus Jezus’. Vanaf hier wordt het lied toekomstmuziek: ‘Hoe liefelijk is dan ons lot’.

Strofe 5

Voortbordurend op het ‘dan’ van de vorige strofe, beginnen de twee laatste met ‘als’. Ze blikken vooruit naar de nieuwe schepping en de onvergankelijkheid. ‘Alles maak Ik nieuw!’ (Openbaring 21,5). ‘Het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke’ (1 Korintiërs 15,53). Het verheerlijkte lichaam wordt in de ruimte gezet: ‘de hemel hoog, de aarde wijd’.

Strofe 6

De nieuwheid van de schepping heeft als kern onze nieuwe verhouding tot God. Eerst was er het afdwalen ten dode doe (strofe 3). Nu staan wij voor Gods aangezicht in witte kleren. In Openbaring 7,9 is het de schare die niemand tellen kan, die in witte kleren voor Gods troon staat. ‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn’ (7,14). We zijn ‘met witte waarheid aangedaan’. Dat refereert aan Bijbelpassages waarin eigenschappen als gerechtigheid, bescheidenheid en waarheid worden voorgesteld als kleding (Jesaja 11,5; 1 Petrus 5,5; et cetera). En waar het lied begon met de ‘zin’, eindigt het nu met ‘waarheid’. De cirkel is rond. Deze waarheid is niet hard, duister of deprimerend, het is ‘witte waarheid’: zuiver en feestelijk wit op de bruiloft van het Lam (vergelijk Openbaring 19,7-9). 

Liturgische bruikbaarheid

Het lied is geplaatst in de rubriek ‘Voleinding’. Veel van de schriftlezingen van de weken voor en tijdens de adventstijd gaan traditioneel over de uiteindelijke verschijning van Jezus Christus, als het doek valt voor het wereldtoneel. Daarop sluit dit lied aan. Het verwachte einde is tegelijk doeleinde, oogst. En huiveringwekkend als het oordeel is, toch overheerst de hoop op de goede afloop, ‘als alles nieuw wordt voor ons oog’ (strofe 5).

Auteur: Wouter van Voorst


Melodie

De melodie die Jan van Biezen schreef, is een sterk voorbeeld van ‘neomodale’ compositietechniek. Onder invloed van de muziektheorie die Ina Lohr (1903-1983) beschreef in Solmisation und Kirchentonart (Basel 1943; Nederlandse vertaling: Solomisatie en kerktoonsoorten, Den Haag 1983) schreven veel componisten van kerkmuziek in Nederland hun melodieën in de modale stijl uit de vijftiende en zestiende eeuw. Typerend voor deze neomodale melodieën zijn daarbij het gebruik van de tactus als indeling van de tijd – hoewel de melodieën uit de vijftiende en zestiende eeuw strikt genomen geen tactustekens kenden – en de toepassing van de modi (zie het overzichtsartikel ‘Modi (kerktoonsoorten)’ op deze website) met de daarbij behorende melodische kenmerken.

De melodie van Liedboek 760 is in de dorische modus geschreven met een afwisseling van het hexachordum naturale en het hexachordum durum:
Typische melodische wendingen die karakteristiek zijn voor de dorische modus zijn ook in deze melodie te herkennen, zoals re-fa-sol (einde regel 1 en regel 2).
Het toepassen van deze typerende melodische wendingen betekent ook dat er duidelijke overeenkomsten zijn met klassieke dorische melodieën. De componist had zelf al de overeenkomst genoemd tussen de eerste regel van deze melodie en die van ‘Heerlijk verschenen is de dag’ (Liedboek 621):
maar men kan daar ook andere voorbeelden aan toevoegen, zoals het begin van Liedboek 33 of van Liedboek 107:
Ook herkende de componist een onbedoelde gelijkenis tussen zijn melodie en het slot van de beroemde paassequens ‘Victimae paschali laudes’ (Liedboek 615, regel 17 en 18):
Het gaat steeds om melodische wendingen die de dorische modus kenmerken.
Het ritme wordt gestructureerd in een tactus proportionatus, met de gepunteerde halve als slag. Het ternaire ritme wordt in de overgang van de regel 2 en 3 en in regel 4 onderbroken door een binair ritme. Strikt genomen had aan het begin van de melodie naast het teken voor de tactus proportionatus ook een tactus minor-teken genoteerd moeten worden.
De structuur van de melodie werd mede bepaald door de versvoet met het lettergrepenschema 8-4-4-8, waarbij het melodisch motief van de tweede regel gelijk is aan het laatste motief in de eerste regel.

Auteur: Pieter Endedijk


Media

Uitvoerenden: Cantorij Emmeloord o.l.v. Co-Jongsma-Hoekstra; Toon Hagen, orgel (bron: KRO-NCRV)