Modi (kerktoonsoorten)


Auteur: Jan Smelik

Do, re, mi, …

Een heel bekend lied uit de musicalfilm The Sound of Music (1965) is 'Doremi': Maria leert de kinderen Von Trapp de toonladder zingen aan de hand van de zeven noten do-re-mi-fa-so-la-ti. En de ‘ti’ will lead us back to do. De Von Trappjes leren zo aan de hand van de relatieve nootnamen zingen. Once you have these notes in your head, you can sing a million tunes by mixing them up, aldus Maria.

De nootnamen zijn ontleend aan de gregoriaanse hymne Ut queant laxis. Met uitzondering van de laatste regel begint elke melodieregel van deze hymne een toon hoger. De middeleeuwse muziektheoreticus Guido van Arezzo (991-1033) nam de eerste lettergrepen van de eerste zes regels (ut, re, mi, fa, sol, la) en noemde de nootnamen daar naar:

(De ut werd in de negentiende eeuw gewijzigd in do.) Nu mist u mogelijk de zevende toon van de toonladder, want die toon is immers nodig om de toonladder van een octaaf vol te maken. Maar tot in de zeventiende eeuw dacht men niet in toonladders die een octaaf omvatten. Aan het einde van de zeventiende eeuw wordt het gebruikelijk aan do-re-mi een zevende toon toe te voegen, die men aanduidde met de twee eerste letters van de eerste twee woorden van de laatste regel van Ut queant: siSancte Iohannes. Dit werd nog weer later gewijzigd in ti omdat dit beter ‘bekt’ en de medeklinker ‘s’ al bij de sol gebruikt werd.

Hexachorden

Tot ver in de zeventiende eeuw ging men dus uit van reeksen die zes tonen omvatten, van ut tot en met la. Zo’n eenheid noemde men een hexachord(um).  Deze nootnamen zijn relatief, dat wil zeggen: de ut is niet gelijk aan de absolute toon c’; het gaat om de verhoudingen tussen de noten van het hexachord, ongeacht de toonhoogte.

Er zijn drie hexachorden: een die begint op c (hexachordum naturale), een op f (hexachordum molle) en een op g (hexachordum durum). Elk hexachord omvat zes tonen, waarbij de afstand van de derde naar de vierde noot een halve noot is:

Ook op de c, f en g die een octaaf hoger of lager liggen, beginnen de hexachorden. Bijvoorbeeld op c” begint opnieuw het hexachordum naturale.

Het hexachordum naturale werd – zoals de naam al zegt – als het basis-hexachord beschouwd. Het karakter van het hexachordum molle is zachter en weker dan naturale; het hexachordum durum is daarentegen weer krachtiger.

De tonen hebben binnen het hexachord elk hun eigen functie (zie daarvoor uitvoeriger de literatuur die onderaan dit artikel genoemd wordt). Met name de re en de la hebben een belangrijke functie als respectievelijk rusttoon, eindtoon (finalis) en roeptoon (ook wel dominant of tenor genoemd).

Natuurlijk werden destijds niet alleen kerkliedmelodieën gemaakt die binnen de omvang van zes tonen bleven. Als een melodie een grotere omvang heeft, komt men van het ene hexachord in het andere. Dit noemt men ‘muteren’. Als voorbeeld neem ik de Geneefse melodie van Psalm 8, waarin we in alle drie hexachorden terecht komen:

De vierde noot van regel 1 heet la in het hexachordum naturale, maar op die plek wordt gemuteerd naar het hexachordum durum, en in dat hexachord heet dezelfde vierde noot van de eerste melodieregel re. Zo is de zesde noot in regel 2 sol in het hexachordum durum, maar la in het hexachordum molle. (In de voorbeelden hieronder wordt bij de liederen steeds aangegeven in welke hexachorden de melodie zich beweegt.)

Het kan ook gebeuren dat een melodie in bijvoorbeeld het hexachordum naturale beweegt, en eenmalig de halve noot (bes’) boven de la gebruikt, maar vervolgens weer in het hexachord naturale blijft. Hier wordt dan niet gemuteerd van hexachordum naturale naar hexachordum molle. De noot boven de la zou in het hexachordum molle een fa zijn. Maar wanneer de melodie voor en na die noot in het hexachordum naturale blijft, wordt die noot fa-super-la (letterlijk: de fa boven de la) genoemd. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de melodie van Liedboek 65. De eerste regel van deze Geneefse psalmmelodie blijft binnen in het hexachordum naturale met uitzondering van de noot bes:

Modi

Tot in de zeventiende eeuw werd over het algemeen in hexachorden gedacht, en niet in toonladders die een octaaf omvatten. Men kende dan ook nog geen majeur- en mineurtoonladders. De toonsoorten die destijds bekend waren, hebben niet de omvang van een octaaf; ze zijn samengesteld uit hexachorden, waarbij vooral de finalis (rusttoon) en dominant (roeptoon) het toongeslacht bepalen. De vier hoofdtoonsoorten zijn dorisch, frygisch, lydisch en mixolydisch. Melodieën in deze toonsoorten eindigden respectievelijk op re, mi, fa en sol van het hexachordum naturale. Kenmerkend voor deze vier modi is dat de rusttoon ook de laagste toon van de melodie is. Er zijn echter ook melodieën waarin dat niet het geval is. Wanneer een melodie duidelijk onder de finalis komt, is er sprake van een hypo-toonsoort, dus: hypo-dorisch, hypo-frygisch, hypo-lydisch of hypo-mixolydisch. Een andere benaming voor hypo-modi is plagale toonsoorten, terwijl de vier hoofdmodi aangeduid worden met authentiek.

In totaal gaat het dus om acht modi, die in de Middeleeuwen ook genummerd werden van ‘eerste toon’ tot en met ‘achtste toon’

In 1547 beschreef de muziektheoreticus Henricus Glareanus in zijn Dodekachordon nog vier andere modi: de ionische en aeolische modus plus de hypo-varianten. In dit artikel worden de ionische en aeolische toonsoorten niet besproken. Een reden hiervoor is dat in de zestiende eeuw Glareanus’ nieuwe toonsoorten nog niet algemeen werden aanvaard en gebruikt. Bovendien heeft het zestiende-eeuwse kerklied nauwe relatie met de Middeleeuwen, toen men nog acht modi kende en niet twaalf. Aeolisch is te beschouwen als getransponeerd dorisch en ionisch als getransponeerd lydisch.

Modi-voorbeelden

Ter verduidelijking van de materie volgt hieronder van elke modus een concreet voorbeeld uit het Liedboek (soms voor de duidelijkheid getransponeerd).

Dorisch – eerste toon

Liedboek 205 ‘Daar kraait een haan, een goed bericht’

Finalis = d’ (re)

Dominant = a

Hypo-dorisch – tweede toon

Liedboek 433 ‘Kom tot ons, de wereld wacht’

Finalis = d’ (re)

Dominant = f’

Laagste noot = c’ (= do van het hexachordum naturale)

Bij deze modus en ook bij andere modi die hieronder nog behandeld worden, ligt de dominant niet een kwint boven de grondtoon, zoals in de moderne majeur- en mineurladders wel altijd het geval is. Mede doordat de dominanttonen (roeptonen) van de modi op verschillende afstanden van de finalis liggen, verschillen de modi onderling van karakter.

Frygisch – derde toon

Liedboek  131 ‘O Heer, er is geen trots in mij’

Finalis = e’ (mi)

Dominant = c”

Hypo-frygisch – vierde toon

Liedboek 566 ‘Midden in de dood’

Finalis = e (mi)

Dominant = a

Laagste noot = d’ (= re van het hexachordum naturale)

Lydisch – vijfde toon

Liedboek  469 ‘Ik ben een engel van de Heer’

Finalis = f’ (fa = do van het hexachordum molle)

Dominant = c”

Hypo-lydisch – zesde toon

Liedboek 134 ‘Gij dienaars aan de Heer gewijd’

Finalis = f’ (fa = do van het hexachordum molle)

Dominant = a’

Laagste noot = c’ (= do van het hexachordum naturale)

In plaats dat voor elke noot b een mol geplaatst wordt, is in het onderstaande voorbeeld een mol als voortekening geplaatst.

Mixolydisch – zevende toon

Liedboek 116 ‘God heb ik lief, want die getrouwe Heer’

Finalis = g’

Dominant = d”

Hypo-mixolydisch – achtste toon

Liedboek 470 ‘U Jezus Christus loven wij’

Finalis = g’ (= sol)

Dominant = c”

Laagste noot = d’ (= re van het hexachordum naturale)

Bij de hypo-frygische modus werd hierboven als voorbeeld Liedboek 566 (‘Midden in de dood’) gebruikt. Dit lied heeft een melodie van Tera de Marez Oyens (1932-1996). Het is een voorbeeld van een twintigste-eeuwse melodie die in een van de modi gecomponeerd is. In de vorige eeuw kwam er hernieuwde belangstelling voor het kerklied uit de periode vóór 1600. In dat kader ontstond er ook een herwaardering voor de modi en voor modale melodieën. Deze herwaardering kwam soms ook tot uitdrukking in het schrijven van nieuwe melodieën in een van de kerktoonsoorten.

Literatuur

- Ina Lohr, Solmisatie en kerktoonsoorten (Den Haag 1983).
- Hans Kriek, Structuren in kerkliedmelodieën (Commissie voor de Kerkmuziek van de Nederlandse Hervormde Kerk z.j.).