Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

618 - Christus lag in de dood terneer


Christ lag in Todesbanden

Martin Luther
Jaap Zijlstra
Wittenberg 1524

Tekst

Een middeleeuws lied ‘gebessert’

Het paaslied Christ lag in Todesbanden van Martin Luther behoort tot de vroegste reformatie-liederen. Het verscheen in 1524 eerst op een of meer liedbladen voordat het opgenomen werd in de bundel Enchiridon oder eyn Handbüchlein (Erfurt 1524) en het Geystliche gesanck Buchleyn (Wittenberg 1524) van Johann Walter (1496-1570). Een jaar eerder had Luther zijn eerste lied, Ein neues Lied wir heben an, gedicht naar aanleiding van de martelaarsdood te Brussel van Jan van Essen en Hendrik Vos

Helemaal nieuw was Christ lag in Todesbanden niet, zoals blijkt uit de titel die Luther boven het lied schreef: Der Lobsanck Christ ist erstanden / Gebessert. Christ ist erstanden (zie Liedboek 613) is een zogeheten ‘leis’ uit de twaalfde eeuw en is waarschijnlijk het oudste Duitstalige kerklied. Luther was er zeer aan gehecht. In mei 1541 zei hij in een van zijn Tischreden erover: ‘Alle Lieder singt man sich mit der Zeit müde, aber das ‘Christ ist erstanden’ mußt man alle Jar erfur, wollte kein Ende haben’ (Tischreden, Weimar Ausgabe, Bd 4, nr. 4795). Het Gebessert in de titel van zijn bewerking had dan ook geen betrekking op de inhoud van het lied, die verbeterd zou moeten worden. Het betekende wel dat hij de tekst van de leis bewerkte en uitbreidde.

Deze uitbreiding hield in dat Luther het volkslied, dat een sterk acclamatieachtige inhoud en functie heeft, omwerkte tot een meer verhalend en leerstellig getint exposé over Pasen. Daarbij bleef het lofprijzende karakter van het middeleeuwse volkslied bewaard.

Het eerste couplet kan gezien worden als een bewerking van het eerste couplet van Christ ist erstanden. De tweede strofe van de middeleeuwse leis heeft Luther uitgewerkt in de coupletten 2 tot en met 5. De laatste twee strofen kunnen gezien worden als een uitwerking van de slotstrofe van Christ ist erstanden.

Vorm

Bij het uitbouwen van de leis kon Luther blijkbaar niet uit de voeten met de vierregelige strofevorm van Christ ist erstanden; hij creëerde een unieke strofevorm, bestaande uit zeven regels met een toegevoegd ‘halleluja’. In de Duitse tekst tellen de eerste zes regels zeven en de laatste regel acht lettergrepen (uitgezonderd de laatste regel van couplet 1). Zoals in de zestiende eeuw nog gebruikelijk was, kent het lied geen vast metrum: er is volstaan met een vaststaand aantal lettergrepen per versregel. Luther gebruikt het rijmschema A-b-A-b-C-C-d-[e], maar hij wijkt op diverse plaatsen ervan af.

De oorspronkelijke Duitse tekst is Luther ten voeten uit, onder meer te herkennen aan het rauwe taalgebruik en dito beeldspraak. In strofe 5 staat bijvoorbeeld:

Hier ist das recht Osterlamm,
davon Gott hat geboten.
Das ist an des Kreuzes Stamm
in heißer Lieb gebraten.

De Duitse liedversie die momenteel gebruikt wordt, luidt:

Hier is das recht Osterlamm,
davon wir sollen leben,
das is an des Kreuzes Stamm
in heißer Lieb gegeben.

Verder zit het lied boordevol tautologische uitdrukkingen (bijvoorbeeld loben – dankbar sein, en Herzensfreude – Wonne), waar Luther in zijn liederen veelvuldig gebruikt van maakt.

Het lied in Nederland

Luthers paaslied is bij Duitse protestanten de eeuwen door in gebruik gebleven. Reeds in de zestiende eeuw verschenen in Nederland diverse vertalingen. Het lied werd vaak direct achter een Nederlandse vertaling van Christ ist erstanden geplaatst. Dat is bijvoorbeeld het geval in de vroegst bekende Nederlandse bundel waarin het lied staat: Een Hantboecxken inhoudende den heelen Psalter des H. propheete Dauid (Frankfurt [Wezel?] 1565). Het lied werd in alle Nederlandse lutherse liedbundels opgenomen tot en met Het boek der Psalmen nevens Christelijke gezangen ten gebruike der Gemeente toegedaan de onveranderde Augsburgsche Geloofsbelydenis (Amsterdam 1779), de zogeheten consistoriale uitgave. Daarna verdween het lied uit de liedboeken.

In de negentiende eeuw maakte dominee-dichter Jan Jacob Lodewijk ten Kate (1819-1889) een vertaling van Christ lag in Todesbanden (‘Paasmorgenlied’). Deze werd in 1882 in de gereformeerde bundel Stem en Snaren (nr. 28) opgenomen met de melodie van W.A. Mozart (1756-1791) die in Duitsland gebruikt wordt bij het lied Jesus Christus herrscht als König en in Nederland bij het lied ‘Op een lichten wolkenwagen’.

Begin jaren vijftig van de twintigste eeuw verschijnt er een nieuwe vertaling van Pieter Boendermaker (1893-1977) in Uit hart en mond (Zwolle 1953, nr. 39), een bundel van de Lutherse jeugdbond. Het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk (1955) nam een nieuwe Nederlandse versie met vijf strofen op, maar deze werd niet geselecteerd voor het Liedboek van de kerken. Daarin verscheen als gezang 203 een nieuwe, zevenstrofige bewerking van Ad den Besten (1923-2015).

Vertaling Zijlstra

De redactie van het Liedboek was van oordeel dat Den Bestens vertaling wat taalkleed betreft te zeer verouderd was. Bovendien week zij op diverse plaatsen wel erg af van het oorspronkelijke lied. Jaap Zijlstra werd gevraagd een nieuwe Nederlandse versie te maken.

Het was voor hem geen optie om het lied in te korten. In een toelichting, die hij schreef op verzoek van de redactie van dit Compendium, zegt hij: ‘Het moest een echt Lutherlied blijven, in lengte, in stijl, in krachtige beeldspraak. Het werd een lange worsteling om ondanks de herhalingen toch tot een boeiende tekst te komen, niet langdradig, wel levendig. Dankzij het geduld en de bemoedigingen van de vertaalcommissie en de rijkdom en lenigheid van onze Nederlandse taal, is lied 618 er gekomen. Het staat voor u, jawel, het stáát.’

Evenals Den Besten gaf Zijlstra zijn tekst een vast metrum waarbij alle regels uit jamben bestaan met uitzondering van de trocheïsche vijfde regel en het afsluitende ‘halleluja’. Het gehanteerde rijmschema luidt A-b-A-b-C-C-d-(e), maar soms is er sprake van halfrijm (bijvoorbeeld strofe 2, regel 5/6: ‘doodsgebied’ – ‘profetie’) of ontbreekt het eindrijm volledig (bijvoorbeeld strofe 6, regel 1/3: ‘feest’ – ‘verheugd’). Door deze afwijkingen is in de vormgeving iets bewaard gebleven van de ongepolijste tekst van Luther.

In tegenstelling tot de Duitse tekst tellen de regels 1 en 3 in de Nederlandse vertaling geen zeven, maar acht lettergrepen. Melodisch wordt dit ondervangen door het oorspronkelijke melisme op de zesde lettergreep te schrappen: Meer dan Den Besten is het Zijlstra gelukt een aantal karakteristiek Lutherse uitdrukkingen en gedachten op te nemen. Een voorbeeld daarvan is de versregel des wir sollen fröhlich sein, die Zijlstra vertaalde met: ‘Vrolijk willen wij nu zijn’. Ook de typisch Lutherse notie in het derde couplet dat Jezus Christus an unser Statt ist kommen komt in de nieuwe vertaling beter uit de verf dan in die van Den Besten.

In couplet 6 is de tegenstelling Sonne en Nacht uit Luthers lied in Zijlstra’s tekst terug te vinden: ‘de zon die ons zozeer verheugt’… ‘en duisternis verdreven’. Ten slotte noem ik dat Zijlstra’s slotstrofe meer recht doet aan het origineel dan Den Bestens vertaling, onder meer omdat daarin God rechtstreeks wordt aangesproken terwijl dat element vreemd is aan Luthers lied.

Inhoud

‘Christus lag in de dood terneer’ heeft een inzichtelijke opbouw.

Strofe 1

Strofe 1 functioneert als inleiding; het thema wordt geïntroduceerd. Meteen in het eerste couplet valt op dat het lied niet alleen over Pasen zingt, maar voortdurend ook over Jezus’ sterven: ‘Christus lag in de dood terneer, / geveld door onze zonden’. Voor Luther horen Goede Vrijdag en Pasen, het sterven en de opstanding van de Heer onlosmakelijk bij elkaar. Een lied dat alleen over Jezus’ lijden handelt, is van hem dan ook niet bekend.

Strofe 2

In het tweede couplet begint het eigenlijke verhaal. Het vertelt hoe het vroeger was: de dood had alle mensen in zijn greep. Anders dan in het origineel wordt in de Nederlandse vertaling van deze strofe de bevrijder aangekondigd, waarover in couplet 3 verder gesproken wordt. De Zoon van God is als mens gekomen en heeft ‘onze zonde, onze dood’ op zich genomen, waardoor aan de wrede dood de angel is ontnomen. Het slot van de strofe verwijst naar 1 Korintiërs 15,55: ‘Dood, waar is je angel’.

Het meest typerend voor Luthers lied zijn de strofen 4 en 5: de eerstgenoemde strofe vanwege de beeldspraak (dood en leven vechten met elkaar) en de laatstgenoemde vanwege de verwijzingen naar het joodse Pesach.

Strofe 4

In couplet 4 grijpt Luther terug op de paassequentie Victimae Pachali laudes, waarvan in het Liedboek (615) zowel de Latijnse tekst als een Nederlandse vertaling staat. De sequentie bevat de versregel Mors et vita duello conflixere mirando (‘Zie hoezeer dood en leven hard en wonderlijk streden’). De vierde strofe, die letterlijk en figuurlijk het centrum van het lied vormt, is op deze versregel gebaseerd: het gevecht met de dood die als vorst regeerde, is gewonnen door de Davidszoon. Dat Luther dit beeld gebruikt en op deze wijze uitwerkt, is vrij bijzonder binnen het corpus paasliederen.

De tweede versregel, ‘het deed de aarde beven’, is in de Nederlandse vertaling een toevoeging van de vertaler en zal verwijzen naar de aardbeving bij het sterven van Jezus en bij zijn opstanding (Matteüs 27,51; 28,2).

Strofe 5

Het paaslam dat de schapen redt, waarover Victimae paschali laudes zingt, komt in couplet 5 ter sprake. De belangrijkste bijbelgedeelten bij dit couplet zijn Exodus 12 (over het slachten van het pesachsoffer, bloed aan de deurpost als bescherming tegen de doodsengel) en 1 Korintiërs 5,7 (‘ons pesachlam, Christus, is geslacht’). Het eerstgenoemde bijbelgedeelte is de oudtestamentische lezing op Witte Donderdag, terwijl 1 Korintiërs 5,7-8 volgens het Luthers Leesrooster de epistellezing op paasmorgen is.

Strofe 6 & 7

Op basis van wat in de voorgaande coupletten over Christus’ lijden en zijn overwinning op de dood bezongen is, concludeert strofe 6 dat het ‘hoge feest’ met grote vreugde gevierd wordt. Luther grijpt in dit couplet terug op Maleachi 3,20 waar geprofeteerd wordt over de zon die stralend op zal gaan en gerechtigheid en genezing zal brengen. De zon uit deze profetie werd al sinds de vroege kerk betrokken op Christus, die als licht van de wereld de nacht verdrijft.

Strofe 7 sluit eigenlijk beter aan bij strofe 5 dan bij strofe 6. Evenals in strofe 5 wordt in het slotcouplet namelijk verwezen naar 1 Korintiërs 5. Daarbij gaat het nu over het wegdoen van het ‘oude zuurdeeg’, dat wil zeggen van alles wat slecht is. Strofe 5 speelt zich af tegen de achtergrond van het pesachmaal, strofe 7 gaat over de tafel van de Heer, waar Christus ‘de maaltijd wil zijn’ (versregel 5) en hij de ziel voedt met brood en wijn.


Melodie

Evenals de liedtekst is de melodie van de hand van Martin Luther, tenminste: voor een belangrijk deel. De wijs zoals deze in het Liedboek staat, is namelijk niet de versie zoals Luther deze noteerde. In Walters Geystliche gesanck Buchleyn stonden twee melodieversies: de oorspronkelijke van Luther en een gewijzigde van Walter. Bij beide versies voegde Walter de slotacclamatie Alleluia toe. Verder verschilden de melodieversies vooral vanaf regel 5 (het Abgesang). Vermoedelijk heeft Walter uit respect voor zijn vriend diens versie opgenomen, maar was hij (terecht) van oordeel dat die melodie wel enige verbetering behoefde, zodat zij niet alleen beter zingbaar werd, maar muzikaal ook interessanter. De Walter-versie is algemeen bekend geworden.

Wanneer u de dorische melodieën van Liedboek 615, 616 en 618 naast elkaar legt, zullen u bij de eerste regel meteen overeenkomsten opvallen. Dat is niet toevallig: zowel ‘Christus is opgestanden’ (613) als ‘Christus lag in de dood terneer’ (618) zijn tot op zekere hoogte geënt op de sequentie Victimae paschali laudes (615), zoals trouwens ook de melodie van de Geneefse Psalm 80. Het meest duidelijk is het verband tussen de eerste regels van Luthers paaslied en de sequentie:

Vanaf regel 5 is de relatie met de sequentie veel minder duidelijk, maar er blijven wendingen die de melodieën gemeenschappelijk hebben, bijvoorbeeld:

De eerste regel van Liedboek 618 speelt zich af rond de roeptoon a’ en heeft dan ook een sterk verkondigend karakter. In melodieregel 2 daalt de melodie van de roeptoon naar de grondtoon d’, waardoor deze regel een bevestigend karakter krijgt. Dat is ook het geval met de slotregel, die gelijk is aan het slot van regel 2. De regels 1 en 2 worden herhaald in regel 3 en 4.

De tweede helft van de melodie (regel 5-8) is anders van karakter dan de voorgaande vier regels. De melodie wordt beweeglijker en er worden grotere intervallen gebruikt. Het hoogtepunt van de melodie ligt in regel 6: ‘de Heer van harte dankbaar zijn’. In deze regel gaat de melodie buiten het bereik van het octaaf, hetgeen een extatisch effect heeft. De regels 6 en 7 zijn trouwens sowieso uitbundiger dan de voorgaande. Dit wordt niet alleen veroorzaakt door de hoge ligging van de melodie in regel 6, maar ook doordat regel 7 de meest ‘sprongachtige’ is van de hele melodie, en doordat alleen deze regels met een kwartnoot beginnen. Tezamen met de kwart- en tertssprong waarmee deze regels openen, zorgt dit laatste voor een signaalachtig, proclamerend karakter.

Auteur: Jan Smelik