Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

616 - Christus is opgestanden


Nederland, 12e eeuw
12e eeuw/Duitsland 15e eeuw

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor deze website.

De tekst van dit paaslied is met enkele wijzigingen – waarover,straks nog nader – overgenomen uit Dit is een schoon suyverlijck boecxken, zonder jaartal maar ná 1570 verschenen bij Cornelis Claesz. te Amsterdam.

Dr. Acquoy in Archief Ned. Kerkgeschiedenis I , lvgg. (1884) – noemt den tekst hierboven de beste Nederlandsche bewerking van Katholieke zijde van het 12de-eeuwse, ten minste reeds algemeen in de 13de eeuw in Duitschland verspreide lied: ‘Christ ist erstanden’. Dit laatste wordt algemeen beschouwd als het oudste voortbrengsel van het geestelijk volksgezang in Duitschland. Den tijd, waarop het stuk in de Nederlandsche taal werd overgebracht, durft Dr. Acquoy niet bepalen; volgens hem geschiedde dit nochtans niet later dan in de XVde eeuw. Katholieken en Lutherschen maakten van beider kanten gebruik van talrijke omwerkingen van dit lied. Luther hield het in hooge eere en maakte er zelf eene omwerking van in het jaar 1524.

Aldus F. van Duyse in Het Oude Nederlandsche lied III (Den Haag/Antwerpen 1907, blz. 2168-2172, zie http://goo.gl/RrR8CY), waar ook nog verdere gegevens en literatuur te vinden zijn. Het Evangelisches Gesangbuch (1994, nr. 99) heeft een variant van het oude Duitse lied (Christ ist erstanden / von der Marter alle; / des solln wir alle froh sein, / Christ will unser Trost sein. / Kyrieleis; zie Liedboek 616) en als nummer 101 de bewerking van Martin Luther (1483-1546; Christ lag in Todesbanden,/ für unsre Sünd gegeben, / der ist wieder erstanden / und hat uns bracht das Leben. / Des wir sollen fröhlich sein, / Gott loben und dankbar sein / und singen Halleluja’; zie Liedboek 618). Als geestelijk volkslied is ‘Christus is opgestanden’ onder andere in Ootmarsum bekend gebleven:

Op den morgen van den Eersten Paaschdag komt de Paaschcommissie weer op de Paaschwei samen en heft daar het oude lied ‘Christus is opgestanden’ aan. Zingende trekken zij de straten door, gevolgd door meerdere burgers. Tegen tien uur komen zij op het Marktpleintje samen, zingen alhier met de aldaar verzamelde kerkgangers het lied waaraan ze bezig zijn en gaan allen ter Hoogmis... Na het Lof wordt door alle kerkbezoekers, begeleid met vol orgel, het ‘Christus is opgestanden’ in de kerk gezongen.’

Zie de brochure Het Vlöggelen, zonder jaartal, uitgever en schrijversnaam, blz. 7; op blz. 11 de volledige tekst van het lied, 10 strofen, waarvan de eerste luidt: ‘Christus is opgestanden, / Al van de Joden hun handen, / Dus zullen we allen nu vroolijk zijn, / Christus zal onze verlosser zijn, / Halleluia!’

Een curieus bericht is dat van een Urkse dominee uit het eind van de zeventiende eeuw, te vinden in C. Commelin, Vervolg van de beschrijving der stadt Amsterdam (1693) en daaruit geciteerd in Meertens en Kaiser, Het Eiland Urk (1942, blz. 174):

Eenige jaren... als de ware hervormige Godsdienst bloeide, zelfs door ons gantsche land, onthielden hier sich alleen eenige verlopen Papen en Monnicken, na het getuigenis van d’inwoonders alhier, die het volk met het verkondigen van Heylige dagen (by den Roomsgesinden zoo geheeten) met het maken van Wywater, en anders, aan ’t Pausdom hielden, gelijk in al de voorgaande tijden, toense gewoon waren rontom de Kerk van Urk Bedevaarten te doen, in ’t rouwe gekleet te gaan, insonderheid des winters op Kersavond; op welken tijd zy een besondere penitentie aan namen voor hunne zonden... Nauwelijks... zeventigh jaaren geleden, zag men in de Kerk een menigte van brandende kaarsen aangesteken, de Godsdienstige op hun wyse in een eygenwillige Godtsdienst blootshoofts, en barrevoets eenigen tijd in de Kerk doorbrengen, of zoo ze een Mispaap hadden, sijn misdienst quamen uyt te wachten. Op Paesschen warense gewoon alhier in de Kerk te singen: Christus is opgestanden, al van de Moordenaars handen.

In deze context zag dus een Hervormde dominee van 300 jaar geleden het oude lied ‘Christus is opgestanden’. Het was voor hem een niet enkel folkloristisch geworden, maar ook bepaald verwerpelijk relict uit de roomse voortijd, want hij gaat zo verder:

Endelijk heeft’et den Heere der Heirscharen, na zijn groote en onverdiende genade, belieft, door het preeken des Woords Gods den Inwoonderen van dit Eyland de verborgentheden des Evangeliums bekent te maken, en hun oogen in een klaarder licht en meerder kenisse van de waare Godsdienst te openen.

In de ‘Hervormde Bundel 1938’ is niettemin als gezang 57 een moderne bewerking van het lied opgenomen, waarbij de tekst uit het Suyverlijck boecxken van kort na 1570 kennelijk als uitgangspunt heeft gediend. De dichter van de moderne bewerking (Nijhoff?) wordt niet genoemd, de aangeboden tekst heet: ‘Nederlands Paaslied uit de 12de eeuw’. De eerste, minst veranderde strofe luidt: ‘Christus is opgestanden / uit de doodse banden! / Daarom willen wij vrolijk zijn: / Christus zal onze trooster zijn. / Halleluja!’ In het Liedboek ben ik verantwoordelijk voor de ‘aanpassing’ van de tekst. De eerste strofe luidt in het Suyverlijck boecxken: ‘Christus is opghestanden / al van der martelijen allen, / dus willen wy alle gader vrolijck zijn, / Christus sal onsen trooster zijn. / Kyrieleyson’. De tweede regel is voor een twintigste eeuwse gemeente moeilijk meer te zingen, maar de moderne Ootmarsumse versie ‘Al van de Joden hun handen’, is ook niet zo aantrekkelijk en daarom heb ik de zeventiende eeuwse Urkse gekozen. De tweede en derde strofe heb ik vrijwel onveranderd gelaten. In de vierde is ‘Christus is onse verlosser fijn’ geworden tot ‘Christus zal onze verlosser zijn’, in de vijfde ‘Christus is ons verlosser saen’ tot ‘Christus verlost ons al te saam’.

Auteur: Klaas Heeroma


Melodie

Een bijzonder paaslied

Het lied ‘Christus is opgestanden’ is nog voor de elfde eeuw in Duitssprekende landen ontstaan. ‘Christ ist erstanden’ is daar misschien het oudste volkslied, gezongen tijdens de liturgie. De eerste strofe werd volgens een liturgische orde van dienst van het bisdom Salzburg rond 1100 al gezongen om het heilig Kruis te vereren (Bibliotheek Universiteit van Salzburg Codex MII6. Historisch-Kritisches Liederlexikon des Deutschen Volksliedarchivs). Het werd populair en wordt ook in onze landen graag gezongen met velerlei tekst- en melodievariaties, zoals bijvoorbeeld het bekende ‘Christ lag in Todesbanden’ (Liedboek 618) op tekst van Martin Luther. Zie ook Liedboek 613 en 616a.

Vorm

Het lied is dankzij zijn gebruik in de liturgie en in de volksliedcultuur bijzonder qua vorm. Het werd na zijn ontstaan vooral gezongen in letterlijke samenhang met de aloude gregoriaanse paassequentie ‘Victimae paschali laudes’, waaraan het zijn melodie ontleende (zie hierna). Met name de eerste strofe werd regel voor regel verweven met die van ‘Victimae…’. In zijn uitstekende en heldere commentaar bij gezang 211 in het Liedboek voor de kerken geeft Jan van Biezen een mogelijke reconstructie (vergelijk Een compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken, Amsterdam 1977, kolom 526-527):

clerus:
volk:
clerus:
volk:
clerus:
volk:
clerus:

volk:
clerus:
volk:
clerus:
volk:

Victimae paschali laudes immolent Christiani
strofe 1: Christus is opgestanden…
Agnus redemit oves … peccatores.
strofe 2: Al zijn wij Gods gevangen…
Mors et vita … regnat vivus.
strofe 3: Christus heeft geleden...
Dic nobis ... vidisti in via
Sepulchrum Christi viventis ... resugentis.
strofe 4: Christus is nedergestegen...
Surrexit Christus ... in Galilea
strofe 5: Christus is nu verrezen...
Scimus Christum .... miserere!

Alleluia.

Apel Codex (±1500)

Ook de ritmische en melodische variaties in de verschillende bronnen van dit lied hangen samen met zijn gebruik in de volkscultuur buiten de liturgie. Zo wordt het in Nederland sinds mensenheugenis vooral gezongen in het vlakbij het Duitse taalgebied liggende Twente, waar tot op de dag van vandaag met name in Ootmarsum op paaszondag een groep mannen (de ‘kerels’) onder het zingen van dit lied door de straten en rond de ‘niendeur’ van de boerderijen trekt (‘vlöggelen’):

Op den morgen van den Eersten Paaschdag komt de Paaschcommissie weer op de Paaschwei samen en heft daar het oude lied ‘Christus is opgestanden’ aan. Zingende trekken zij de straten door, gevolgd door meerdere burgers. Tegen tien uur komen zij op het Marktpleintje samen, zingen alhier met de aldaar verzamelde kerkgangers het lied waaraan ze bezig zijn en gaan allen ter Hoogmis... Na het Lof wordt door alle kerkbezoekers, begeleid met vol orgel, het ‘Christus is opgestanden’ in de kerk gezongen’ (aldus de anonieme brochure Het Vlöggelen, blz. 7).

Volgens Jan van Biezen is de ‘Twentse’ melodie in de loop der jaren van gedaante veranderd (Een compendium…, kolom 527; op blz. 105 van zijn Beknopte geschiedenis van het kerklied (Groningen 1939) geeft dr. G van der Leeuw een enigszins afwijkende versie):
Ook het gebruik van het ‘refrein’ (‘Halleluja’) hangt met deze volkstraditie samen. Het werd waarschijnlijk na elke strofe gezongen. Zie Gezangen voor Liturgie nr. 414, waar de strofes worden afgesloten met het halleluja-refrein, terwijl in Liedboek 616 wordt aangesloten bij de oude twaalfde-eeuwse tekstversie, met ‘kyrieleis’ aan het einde van elke strofe. Het gezang is inderdaad een leis (= de strofen eindigen met ‘Kyrieleis’). Een leis is onder andere een liturgisch volkslied dat in de middeleeuwen werd gezongen na de intredezang (introïtus) ter vervanging van de aanroepingen van het Kyrie eLEISon.    

Analyse

Christ ist erstanden steunt zoals al vermeld melodisch op de gregoriaanse paassequentie ‘Victimae paschali laudes’ (Liedboek 615). Zie hier het begin, vergeleken met dat van ‘Victimae’ en ‘Christ lag in Todesbanden’.
Dit bewijst dat de melodie stamt uit de tijd van het zogenoemde Karolingische gregoriaans (vanaf ongeveer de negende eeuw), toen de melodie daarvan niet meer primair steunde op het melodisch recitatief (het ‘vieux fonds’) maar op de drie melodische hexachorden (‘toonladders’ van zes tonen): naturalis (do-la), durum (sol-mi) en molle (fa-re, met sibemolle). Wie Liedboek 616 bewust zingt, zal bemerken dat er in de strofe duidelijk tussen de hexachorden wordt gewisseld:
- regel 1: hexachordum durum; de melodie ligt ‘hoog’ en eindigt op de tweede toon van het hexachordum
- regel 2: hexachordum naturale; de melodie daalt een kwint, ligt duidelijk lager en eindigt opnieuw op de tweede toon van het hexachordum.
- regel 3: hexachordum molle; nu stijgt de melodie weer en eindigt zij op de derde toon van het hexachord.
- regel 4-5: hexachordum naturale; de melodie ligt weer laag en sluit wederom af op de tweede toon van het hexachord.
- ‘Halleluja’: de drie halleluja’s staan achtereenvolgens in het hexachordum durum, molle en naturale.
Merk op dat de omvang van de eerste regel een kwart is, die van de tweede en kwint en die van de derde een sext.

De Nederlandse hymnoloog Louis Krekelberg heeft in een onuitgegeven studie overtuigend aangetoond dat de twee noten aan het begin van de eerste strofe (boven ‘Christus’) volgens alle oude handschriften eigenlijk la-sol moeten zijn, dit omwille van het tekstaccent op ‘Chrís-tus’. Ten slotte is het de vraag in hoeverre ‘Victimae’ in enigerlei vorm ten grondslag heeft gelegen aan menig kerkelijk paaslied. Zie de vele paasliederen in Liedboek. Musicus Martin Luther gebruikte de melodie gevarieerd voor een eigen liedtekst. Zie Liedboek 618: ‘Christ lag in Todesbanden’. De melodie van psalm 80 uit het Geneefse Psalter is ook in sterke mate geïnspireerd op ‘Victimae’, Zie de bespreking door Jan Smelik van deze melodie Liedboek 80).

Auteur: Anton Vernooij