Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

471 - In dulci jubilo


Een eerste kennismaking

Het lied In dulci jubilo behoort tot de oudste kerstliederen. De oorsprong ligt in Duitsland; het werd geschreven in de veertiende eeuw. Het bijzondere van dit lied is dat het een zogenaamd ‘mengtaallied’ is: regels in het Latijn en in de volkstaal wisselen elkaar af. Rond 1500 verschijnt een vertaling in Nederland, maar ook dan is het een mengtaallied. In latere eeuwen zijn nog andere Nederlandse vertalingen verschenen, maar al deze teksten zijn niet geschikt voor gebruik in de eredienst in onze tijd.
Om dit lied voor onze tijd te bewaren, werd door de redactie van het Liedboek aan Andries Govaart de opdracht gegeven om een meer toegankelijke tekst te schrijven met behoud van de originele structuur, dus ook met Latijnse zinnen. In deze tekst is het typerende van het oude lied bewaard gebleven: korte zinnen die toch een geheel vormen.
Voor de kerkmuziek is In dulci jubilo van grote betekenis, onder andere door de bewerkingen van Samuel Scheidt, Michael Praetorius (een schitterende zeskorige bewerking!) en Dietrich Buxtehude. Een Latijns-Engelse tekstversie is bekend van Engelse kathedrale koren.
Het lied vraagt om een levendige uitvoering.

Auteur: Pieter Endedijk


Carols
anoniem, ±1500Andries Govaart
±1480

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Duitsland

Het lied ‘In dulci jubilo’ behoort tot de oudste kerstliederen. De oorsprong ligt in Duitsland. Het lied wordt toegeschreven aan de mysticus Heinrich Seuse (1295?-1365) en is al te vinden in veertiende eeuwse handschriften. De vroegste overlevering is een handschrift uit Mainz, ±1380:
Als Heinrich Seuse in ±1360 zijn levensgeschiedenis optekent, spreekt hij over een visioen op Michaëlsdag (29 september) in de jaren twintig van de veertiende eeuw, waarin engelen hem verschijnen en hem bij de hand namen om hem uit zijn lijden te verlossen. Een van de engelen zong daarbij ‘In dulci jubilo’. Het is dus ook denkbaar dat het lied al ouder is dan 1360.

Het bijzondere van dit lied is dat het een zogeheten ‘mengtaallied’ is, ook wel macaronisch lied genoemd. Dat is niet uniek, maar wel karakteristiek voor de tijd van ontstaan. In een mengtaallied worden regels in het Latijn afgewisseld met regels in de landstaal. In de Nederlandse traditie kennen we ook mengtaalliederen, in het bijzonder bij kerstliederen, zoals ‘Het was een maget uutvercoren’ (onder andere Gezangen voor Liturgie 458 en Oud-Katholiek Gezangboek 691) en ‘Omnes nu laet ons Gode loven’.
In het handschrift van Mainz heeft elke strofe van ‘In dulci jubilo’ tien regels. Al spoedig ontstaan tekstvarianten en versies met strofen van acht regels. De achtregelige versie zal dan in Duitsland gangbaar worden met een toegevoegde Mariastrofe uit een handschrift uit Silezië, ±1420:

1
In dulci jubilo                            (met zoet gejubel)
nun singet und seid froh:
Unsers Herzens Wonne
liegt in praesepio                      (ligt in de kribbe)
und leuchtet als die Sonne
matris in gremio.                      (in de schoot van zijn moeder)
Alpha es et O!                           (Gij zijt alfa en omega, begin en einde)
Alpha es et O!
   

2
O Jesu parvule,                         (o kleine Jezus)
nach dir ist mir so weh.
Tröst mir mein Gemüte,
o puer optime,                          (o eervol kind)
durch alle deine Güte,
o princeps gloriae.                    (o vorst der glorie)
Trahe me post te!                    
(trek mij naar U toe)               
Trahe me post te!

3
Ubi sunt gaudia?                       (waar is de vreugde)
Nirgend mehr denn da,
da die Engel singen
nova cantica,                             (nieuwe liederen)
und die Schellen klinken
in regis curia.                             (aan het hof van de koning)
Eia, qualia!                               
   (o welke [vreugde])
Eia, qualia!

4
Mater et filiae                             (Moeder en dochter)
ist Jungfrau Maria.
Wir waren gar verdorben
per nostra crimina.                    (door onze zonden)
Nun hat sie uns erworben
caelorum gaudia.                       (de vreugde van de hemel)
O quanta gratia!                        
(o, hoeveel genade)
O quanta gratia!

Het lied verschijnt vermoedelijk voor het eerst in druk in Geistliche Lieder auffs new gebessert zu Wittenberg (1529), ook genoemd het Klugschen Gesangbuch. De eerste druk van dit gezangboek is verloren gegaan, maar in de tweede druk van 1533 is het met de drie eerste strofen opgenomen:
Martin Luther heeft meegewerkt aan de samenstelling van dit gezangboek. Volgens de hymnoloog Konrad Ameln (1899-1994) was de Mariastrofe voor de reformator onacceptabel omdat Maria daarin de zonden vergeeft; dat komt alleen God of Jezus toe.

In het Gesangbüchlin van Michael Vehe (Leipzig 1537) en in Geystliche Lieder van Valentin Babst (het Babstschen Gesangbuch, Leipzig 1545) is de achtregelige Mariastrofe door een dogmatisch correcte versie vervangen en vóór de derde strofe geplaatst. Men vermoedt dat deze strofe door Luther geschreven is:

O Patris caritas!                         (O liefde van de Vader)
O Nati lenitas!
                            (o mildheid van de Zoon)
Wir wären all verloren
Per nostra crimina
                     (door onze zonden)
So hat er uns erworben
Coelorum gaudia
                       (hemelse vreugde)
Eia, wären wir da,
Eia, wären wir da!

Mengtaalversies van het lied blijven tot het einde van de achttiende eeuw bestaan, maar worden allengs steeds minder populair.
Het lied behoort in zijn mengtaalvorm dus vanaf de zestiende eeuw tot het repertoire dat in de kerken wordt gezongen. Een spoor van die bekendheid van het lied vinden we in het beroemde ‘Wachet auf, ruft uns die Stimme’ van Philipp Nicolai (1556-1608). De oorspronkelijke derde strofe eindigt met een citaat van de openingsregel uit ‘In dulci jubilo’:

Kein Aug hat je gespürt,
kein Ohr hat mehr gehört
solche Freude:
deß sind wir froh, jo, jo!
ewig in dulci jubilo!

(Zie verder hierover de liedbespreking bij Liedboek 749.)

De eerste volledig Duitse versie van de tekst is sinds het midden van de zestiende eeuw bekend bij de Böhmische Brüder. In het New Ordentlich Gesang-Buch (Hannover 1646) verschijnt een tekstversie van Justus Gesenius (1601-1673) en David Denicke (1603-1680) die eerst sporadisch, maar vanaf het midden van de negentiende steeds vaker voorkomt en ook in de twintigste eeuw in de liedboeken is opgenomen, zoals het Evangelisches Kirchengesangbuch (1950, nr. 26) en het Evangelisches Gesangbuch (1993-1996, nr. 35) .
Vergelijking leert dat deze tekst een bewerking is van de mengtaalversie uit het midden van de zestiende eeuw:

Leipzig 1537/1545 Hannover 1646

1
In dulci jubilo,
nun singet und seit froh:
Unsers Herzens Wonne
liegt in praesepio
und leuchtet als die Sonne
matris in gremio
Alpha es et O!
Alpha es et O!

1
Nun singet und seid froh,
jauchzt alle und sagt so:
Unsers Herzens Wonne
Liegt in der Krippe bloß
und leucht' doch wie die Sonne
in seiner Mutter Schoß.
Du bist A und O,
Du bist A und O.

2
O Jesu parvule,
nach dir ist mir so weh.
Tröst mir mein Gemüte,
o puer optime,
durch alle deine Güte,
o princeps gloriae.
Trahe me post te!
Trahe me post te!

2
Sohn Gottes in der Höh,
nach dir ist mir so weh.
Tröst mir mein Gemüte,
o Kindlein zart und rein,
durch alle deine Güte,
o liebstes Jesulein.
Zeih mich hun zui dir,
zieh mich hin zu dir.

3
O Patris caritas!
O Nati lenitas!
Wir wären all verloren
per nostra crimina,
so hat er uns erworben,
coelorum gaudia.
Eia, wären wir da,
Eia, wären, wir da!

3
Groß ist des Vaters Huld,
der Sohn tilgt unsre Schuld.
Wir warn all verdorben
durch Sünd und Eitelkeit,
so hat er uns erworben
die euwig Himmelsfreud.
O welch groß Gnad,
o welch groß Gnad!

4
Ubi sunt gaudia?
Nirgend mehr denn da,
da die Engel zingen
nova cantica,
und die Schellen klingen
in regis curia.
Eia, qualia!
Eia, qualia!

4
Wo ist der Freuden Ort?
Nurgends mehr denn dort,
da die Engel singen
mit den Heilgen all
und die Psalmen klingen
im hohen Himmelssaal.
Eia, wärn wir da,
Eia, wärn wir da.

Rond 1930 komt het lied door de kerkmuzikale vernieuwing weer in de belangstelling. In zijn mengtaalvorm krijgt het een plaats in diverse rooms-katholieke gezangboeken in Duitstalige landen, zoals Gotteslob (editie 1975, nr. 142; editie 2013, nr. 253).

Nederland

Het Duits-Latijnse lied verspreidt zich spoedig over Europa. Uit de tweede helft van de vijftiende eeuw is een vertaling met Nederlandse regels bekend. Het lied speelt een rol in de mystieke vroomheid van de Moderne Devotie en wordt tussen kloostergemeenschappen uitgewisseld. Zo vinden we het bijvoorbeeld In een handschrift afkomstig uit het Windesheimer klooster ‘Ter Noot Gods’ in Tongeren uit ±1480.
Het Utrechts Sint-Agnes handschrift (tussen 1480 en 1500) toont op twee bladzijden een tweestemmige weergave van het lied. Bovenaan de eerste begint de ons bekende melodie, onderaan die bladzijde begint de tweede stem die overeenkomt met de melodie in het Tongerense handschrift:


© Staatsbibliothek Berlin

Musicoloog en kenner van het geestelijk volkslied Eliseus Bruning ofm (1892-1958) maakte in De Middelnederlandse liederen van het onlangs ontdekte handschrift van Tongeren (omstreeks 1480) (Gent 1955) een reconstructie van de tweestemmige muziek. Deze werd opgenomen in Nederlands Volkslied (1977, 19e druk, blz. 82-84):
Het Nederlands Volkslied volgt de tekstversie van het Utrechts handschrift:

1
In dulci jubilo,                            (met zoet gejubel)
zinget ende wezet vro:
al onze hartenwonne               (hartenwonne = hartenvreugde)
leit in presepio.                         (ligt in een kribbe)
Dat lichtet als die zonne
in matris gremio.                       (in de schoot van zijn moeder)
Ergo merito,                              
(dus met reden)
ergo merito
des zullen alle harten
zweven in gaudio.                      (in vreugde)

2
O Jesu parvule,                           (kleine Jezus)
na di is mi zo wee.
Nu troost al mijn gemoede,
tu puer inclyte.                           (Gij, roemvol kind)
Dat staat in dijnre goede,
tu puer optime.                          (dat [mijn gemoed] is afhankelijk van uw goedheid [?])
Trahe me post te,                      
(trek mij tot u)
trahe me post te
al in dijns vaders rijke
o princeps gloriae.                      (vorst der glorie)

3
Ibi sunt gaudia,                           (daar is de vreugde)
nergent anders waar
dan daar die engelen zingen
nova cantica.                               (nieuwe liederen)
Daar hoort men snaren klingen
in regis curia.                              (in de zaal van de koning)
Elia qualia                                   
(hoe schoon)
zijn die weelden daar.
Men leeft er boven wijzen
Christi presentia.                        (in Christus’ tegenwoordigheid)

In Nederland wordt ‘In dulci jubilo’ als kerklied in de zestiende eeuw gezongen in lutherse kringen. Zo is het opgenomen in Dat Woerdische Sangboeck. De eerste druk van 1589 is verloren gegaan, in de herdruk van 1625 vinden we het als gezang 13. Daarna verdwijnt dit lied ook in kerkelijk Nederland voorlopig uit beeld.
Binnen de Nederlandse lutherse kerk ontstaat in 1791 een splitsing. De ‘Hersteld Evangelische Kerk’ wil een tegenwicht bieden tegen de vrijzinnigheid van de officiële Evangelisch-Lutherse Kerk. Met het ‘Nederlandsch Genootschap voor In- en Uitwendige Zending’, opgericht in 1872, ontstaat er feitelijk een derde spoor met eigen liedboeken. Dirk Christiaan Meyer jr. (1839-1908) wordt betrokken bij de samenstelling van de genootschapsbundel uit 1887. In de genootschapsbundel Christelijke Liederen uit 1904 is zijn vertaling van ‘Nun singet und seit froh’ geplaatst als nr. 289.
Deze vertaling wordt met aanpassingen opgenomen in het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk (1955, nr. 11) en in het Gezangboek van de Evangelische Broedergemeente in Nederland (1968, nr. 86).

Hannover 1646

vertaling Meyer jr. 1904

aangepaste tekst 1955/1968

1
Nun singet und seid froh,
jauchzt alle und sagt so:
Unsers Herzens Wonne
liegt in der Krippe bloß
und leucht’ doch wie die Sonne
in seiner Mutter Schoß.
Du bist A und O,
du bist A und O.

1
Komt, zingt nu allen blij
En juicht op ’t feestgetij!
’t Liefelijke wichtje,
Van pracht en praal ontbloot,
Glanst als een zonnelichtje,
Gerust op moeders schoot.
Hij, dien God ons zendt,
Is ’t begin en ’t end.

1
Komt, zingt nu allen blij,
juicht op het feestgetij.
Onze vreugdebronne
ligt in de kribbe bloot
en straalt toch als de zonne
vanaf Maria’s schoot.
Hij, ’t begin en ’t end,
Hij, ’t begin en ’t end.

2
Sohn Gottes in der Höh,
nach dir ist mir so weh.
Tröst mit mein Gemüte,
o Kindlein zart und rein,
durch alle deine Güte,
o liebstes Jesulein.
Zieh mich hin zu dir,
zieh mich hin zu dir.

2
Zoon Gods! voor wien ik kniel,
naar U smacht heel mijn ziel.
Sla mij vriendlijk gade,
O dierbaar Jezus-kind!
Trek door uw genade,
O Spruit, zoo teer bemind,
Trek mijn hart en oog
Tot U naar omhoog!

2
Zoon Gods, voor wie ik kniel,
naar U verlangt mijn ziel.
Schenk mijn hart uw vrede
o Kind, zo teer en rein,
en hoor naar onze bede,
laat mij uw eigen zijn.
Trek mijn hart tot U,
trek mijn hart tot U.

3
Groß ist des Vaters Huld,
der Sohn tilgt unsre Schuld.
Wir warn all verdorben
durch Sünd und Eitelkeit,
so hat er uns erworben
die ewig Himmelsfreud.
O welch groß Gnad,
o welch große Gnad!

3
God heeft met ons geduld;
De Zoon delgt alle schuld.
Voor ons, heel verdorven
Door zond’ en ijdelheid,
Heeft Hij toch verworven
Des hemels zaligheid,
Bij der englen schaar.
Och, was ik reeds dáár!

3
God heeft met ons geduld,
de Zoon delgt onze schuld.
Ons, geheel verdorven
door zond’ en ijd’le waan,
voor ons heeft Hij verworven
de hemel in te gaan.
Och, was ik reeds daar,
och was ik reeds daar.

4
Wo ist der Freuden Ort?
Nirgengds mehr denn dort,
da die Engel singen
mit den Heilgen all
und die Pslamen klingen
im hohen Himmelssaal.
Eia, wärn wir da,
Eia wärn wir da.

4
Waar is de blijdschap dan? –
Nooit hoort ge meer er van
Dan waar d’ englen-koren
Voor ’t Jezus-kind, hun Heer,
Het psalmgezang doen hooren
En juichen tot zijn eer,
Met der zaal’gen schaar,
Och, was ik reeds dáár!

4
Waar is de plaats der vreugd,
die zo ons hart verheugt?
Daar, waar eng’lenkoren
met alle heil’gen saam
hun lofgezang doen horen
ter eer van Jezus’ naam.
Och, was ik reeds daar,
och, was ik reeds daar.

Ook bij de samenstelling van het Liedboek voor de kerken (1973) komt ‘In dulci jubilo’ in de volledig Duitse versie in beeld. Ad den Besten maakte een nieuwe vertaling. We vinden de tekst als nr. 194 in het Concept Gezangboek uit 1964 met 713 gezangen.
In een tweede concept is de tekst aangepast. Dat is op te maken uit de publicatie van het lied in Een plaats ontzegd. 64 liederen uit het concept van de gezangencommissie (1983, blz.60). Als voor de definitieve uitgave van het Liedboek voor de kerken het aantal gezangen moet worden teruggebracht tot circa 450, sneuvelt dit lied. Voor zijn verzameling liedteksten Poëzie om te zingen (1998) heeft Ad den Besten zijn vertaling opnieuw aangepast (blz. 198).

Concept Gezangboek 1964

Een plaats ontzegd 1983

Poëzie om te zingen 1983

1
Zingt allen en weest blij,
zingt van dit nieuw getij:
zie, de Zon der mensen
straalt in Maria’s schoot.
Wat zoudt gij nu nog wensen,
maakt God den Vader groot!
Hij hier in de stal
is ons een en al.

1
Juicht allen, weest verheugd,
ja zingt en zegt vol vreugd:
‘Onze liefste wensen
zijn in dit kind vervuld,
dat is de zon der mensen,
in neev;len nog gehuld.
Hij hier in de stal
is ons een-en-al.’

1
Komt allen, zingt en juicht,
weest vrolijk en betuigt:
‘Onze liefste wensen
zijn in dit kind vervuld, –
dit is de Zon der mensen,
in neevlen nog gehuld.
Hij in deze stal
is ons een-en-al.’

2
Gij Zoon van God in ’t stro,
kind, ik bemin u zo:
toon mij, dat Gij goed zijt,
genees mij, kindje klein,
die voor mijn geest en bloed zijt
het enig medicijn.
Zwak ben ik en moe, –
trek mij naar u toe!

2
O Zoon van God in ’t stro,
ons hart bemint U zo:
Gij komt met uw goedheid
in onze boze staat,
met troost in onze droefheid
en toont ons Gods gelaat.
Zijn we onszelven moe,
trek ons naar U toe.

2
O Zoon van God in ’t stro,
ons hart bemint U zo:
Gij komt met uw goedheid
in onze boze staat,
met troost in onze droefheid
en toont ons Gods gelaat.
Zijn we onszelven moe,
trek ons naar U toe.

3
Des Vaders gunst is groot,
de Zoon deelt onze nood.
Ons, van God gescheiden,
Door eigen schuld vergaan,
Die zocht Hij op en leidde
Hij naar een nieuw bestaan.
Eeuwge hemelvreugd,
Heer, wij zijn verheugd!

3
God heeft met ons geduld:
zijn Zoon delgt onze schuld.
In ons donker lijden,
zeer ver bij God vandaan,
zocht Gij ons op en leidde
ons naar een nieuw bestaan.
God schonk ons in U
hemel hier en nu.

3
Hoe groot is Gods geduld:
gedelgd in onze schuld!
In dit aardse donker,
zeer ver bij God vandaan,
zocht Gij ons op en schonk er
de moed om op te staan.
God gaf ons in U
hemel hier en nu.

4
Waar is de zaligheid?
Daar, waar Gij, Jezus, zijt.
De englen musiceren
en alle heiligen saam
lofzingen daar en eren
uw lieve, lieve Naam.
Heer, ach, waren wij
U reeds zo nabij!

4
Geen groter zaligheid,
dan waar Gij zelve zijt,
waar de eng’lenkoren
en al uw heil’gen saam,
o Jezus, laten horen
de lofzang op uw naam.
Heer, ach, waren wij
U reeds zo nabij!

4
Waar Gij, waar Gij maar zijt,
daar is de zaligheid!
Met de englenkoren
en al uw heilgen saam
doen wij de lofzang horen,
o Jezus, op uw naam:
U zij lof en eer, –
met-ons-God-de-Heer!

Redactionele overwegingen

In de redactie van het Liedboek (2013) kwam het lied opnieuw op tafel, zowel de Latijns-Nederlandse tekst als de volledig Duitse tekst met de vertalingen van Meyer en Den Besten. Zou dit lied opnieuw in de liturgische praktijk van de kerken een plaats kunnen krijgen? Het gaat immers om een van de oudste en belangrijkste kerstliederen met een grote verspreiding over Europa. De charme van een mengtaallied wordt onderkend. Kan de oude Nederlands-Latijnse tekstversie worden overgenomen? Deze versie wordt gezongen in delen van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Zo vinden we het in het Bavo-liedboek, bundel voor de kathedrale parochie Haarlem (1979, nr. 133, strofen 1 en 2) en Laus Deo, bundel voor het bisdom Roermond (2000, blz. 732).
De mogelijkheid wordt geopperd om de Nederlands-Latijnse tekst aan te passen om het lied zo toegankelijker te maken. Uiteindelijk wordt ervoor gekozen om een dichter meer vrijheid te geven en een nieuwe tekst te laten schrijven, waarbij het mengtaalkartakter en de typerende eerste zin behouden zouden blijven. De opdracht wordt gegeven aan Andries Govaart.

Inhoud

Het bijzondere in het oorspronkelijke Duits-Latijnse lied is dat de inhoud van het geboorteverhaal volgens Lucas 2 wordt verbreed met noties uit andere delen van de Bijbel, in het bijzonder het Hooglied en de Openbaring van Johannes. In de oorspronkelijke tekst zijn beelden uit het Hooglied te vinden in strofe 2. In regel 2 (‘Nach dir ist mir so weh!’) is Hooglied 5,8 herkenbaar: ‘Dat ik ziek van liefde ben’; in regel 7 (‘Trahe me post te’) Hooglied 1,4: ‘Neem mij met je mee’. Het boek Openbaring resoneert eveneens in het lied: in strofe 1, regel 5 (‘Und leuchtet als die Sonne’) Openbaring 1,16: ‘Zijn gezicht schittert als de felle zon’; in strofe 1, regel 7 (‘Alpha es et O’) Openbaring 22,13 (‘Ik ben de alfa en omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde’) en in strofe 4, regel 3-4 (‘da die Engel singen / nova cantica’) Openbaring 5,9 (‘En ze zetten een nieuw lied in…’). De beelden in de vierde strofe van de volledig Duitse versie geven het verband uit Openbaring 5,8-9 nog duidelijker weer: ‘da die Engel singen / mit den Heilgen all / und die Psalmen klingen / im hohen Himmelsaal’. 
Het gehele oorspronkelijke lied is te plaatsen binnen de bruidsmystiek van de middeleeuwse vroomheid.

Strofe 1

In zijn nieuwe tekst heeft Andries Govaart essentiële tekstkenmerken van het originele lied behouden.
Deze strofe begint bij het geboorteverhaal uit Lucas 2. De opening is inhoudelijk gelijk aan het origineel. ‘In dulci jubilo / nun singet und seid froh’ is geworden ‘In dulci jubilo, / onze vreugd is groot.’
De regels 3 en 4 van deze strofe verwoorden de verwachting van het kind waarnaar zo lang is uitgekeken. Het woord ‘Hartenwens geboren’ geeft dat fraai weer als was het een tekst op een geboortekaartje. ‘Ligt kraaiend in het stro’ is het beeld van een baby die met plezier in de wieg ligt. In de middeleeuwen zouden dergelijke ‘aardse’ beschrijvingen vooral ook uiting zijn om de ménswording te onderstrepen. Horen we hier al een haan die het morgenlicht begroet, symbolisch voor het licht dat Christus is? Dat zou heel goed mogelijk zijn, want deze zin loopt door in ‘staat als een zon te gloren’, een verwijzing naar de zon die elke morgen opgaat, maar ook naar de zon der gerechtigheid als beeld van Christus (Maleachi 3,20). De regel ‘bij moeder op haar schoot’ is vooral te verstaan vanuit de iconografie: de vaak voorkomende uitbeelding van Maria die het staande kind toont.

Strofe 2

Ook in de tweede strofe heeft Andries Govaart de oorspronkelijke Latijnse openingsregel behouden: ‘O, Jesu parvule’, maar in plaats van het verlangen in ‘nach dir ist mir so weh’ kiest hij voor het belijdende ‘U leeft met ons mee’. Gebed en belijdenis uit de oorspronkelijke tekst blijven verder behouden in ‘troost mij in mijn lijden, / (…) / Uw komst zal ons bevrijden, voorbij zijn ach en wee. / Schenk ons pais en vree.’ ‘Pais en vree’ (regel 7/8) zijn herkenbare woorden in een kerstlied. Deze woorden en het voorafgaande ‘ach en wee’ passen in het taalveld van kerstliederen waarin vaak wat meer ouderwetse woorden voorkomen.

Strofe 3

Met een verwijzing naar de engelenzang in Lucas 2,14 wordt het lied besloten met een strofe als lofprijzing. De ‘engelenschaar / jubelt gloria / in excelsis Deo’ (regel 1-3). Met dat ‘gloria in excelsis Deo’ gebruikt Govaart een heel bekende zin uit andere kerstliederen en het valt niet op dat deze regels mengtaal zijn. Met ‘o, waren wij ook daar’ citeert Govaart een zin uit het oorspronkelijke lied: ‘Eia, wären wir da’. In regel 5-6 (‘De aarde en de hemel / ze zingen met elkaar’) wordt de kern de engelenzang verwoord: ‘Eer aan God in de hoogste hemel / en vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft’.
Aarde en hemel zingen nieuwe liederen, ‘nova cantica’, ook weer een zin uit het oorspronkelijke lied. Dat verwijst naar het lied der engelen volgens Openbaring 5,9, waar aarde en hemel in nieuwe liederen verbonden zijn. Met de combinatie van het slot van strofe 1 (‘Canta Domino’) tot ‘Zing de Heer een nieuw lied’ ontstaat een bekend citaat uit Psalm 96,1 en 98,1, de introïtus- en gradualeteksten uit de liturgie van kerstnacht en kerstmorgen. Het is boeiend om te zien hoe de engelenzang uit het kerstevangelie (Lucas 2,14) met andere Bijbelplaatsen. Zo raakt het geboorteverhaal volgens Lucas geïdentificeerd met het nieuwe lied dat in de kern de bevrijding bezingt (zie ook Exodus 15,1.21 en in verband daarmee ook Openbaring 15,3).


Melodie

De oudste weergave van de melodie is te vinden in het handschrift van Medingen (±1340). De melodie is in neumen weergegeven. Konrad Ameln noteerde de melodie in modern notenschrift:
Het ritme was in oorsprong niet ternair. In de vijftiende eeuw krijgt de melodie een ternair dansritme, ontstaan bij het gebruik van het lied tijdens het ‘Kindelwiegen’ (‘kindje wiegen’) en in kerstspelen. Dit ternaire metrum is al te zien in het Klugschen Gesangbuch (1529/1533).
De melodie opent op basis van de formule van de vijfde gregoriaanse psalmtoon. Kenmerkend voor deze psalmtoon en voor de lydische modus is de stijgende kwint, opgevuld met terts en kwart en met de wisselnoot boven de vijfde trap: do-mi-so-la-so:
Vaak wordt in de lydische modus de tertssprong mi-so opgevuld: do-mi-fa-so-la-so. De eerste regel van ‘In dulci jubilo’ is op dit motief gebaseerd:
Deze melodieformule wordt vaak in oude kerkliederen gebruikt, zie bijvoorbeeld de eerste melodieregels van ‘Hoor de herders, hoe ze Hem loven’ (Liedboek 472), ‘Loof God, gij christenen, maak Hem groot’ (Liedboek 474) en ‘Op, waak op, zo klinkt het luide’ (Liedboek 749). Het gaat steeds om liederen met een uitbundig karakter.

De structuur van de melodie van ‘In dulci jubilo’ is helder: het melodieschema volgt grotendeels het rijmschema. Het valt op dat er op er strofe slechts één rijmklank wordt gehanteerd, die voortdurend terugkeert. De eerste strofe is gebaseerd op de ‘o’-klank, de tweede op ‘e’-klank en de derde op de ‘a’-klank. De nieuwe Nederlands-Latijnse tekst volgt daarmee de originelen uit de middeleeuwen. Het rijmschema is A-A-b-A-b-A-A-A; het melodieschema is A-A-B-C-B-C-E-C’.

Voor de kerkmuziek is ‘In dulci jubilo’ van grote betekenis, vooral in bewerkingen uit de barok van componisten als Samuel Scheidt (1587-1654), Michael Praetorius (1571-1621) met onder andere een schitterende meerkorige bewerking (klik hier om dit werk te beluisteren), Dieterich Buxtehude en Johann Sebastian Bach. In de koorwerken uit deze tijd wordt de Duits-Latijnse tekstversie gebruikt, onder andere in de gelijknamige cantate van Buxtehude (±1637-1707), BuxWV 52. (Klik hier om dit werk te beluisteren).
Een Latijns-Engelse tekstversie is bekend van Engelse kathedrale koren. De koorzetting van Robert Lucas Pearsall (1795-1856) wordt daarbij veel gebruikt en is ook opgenomen in de kooruitgave bij het Liedboek (opname van King’s College Cambridge op deze website).

Auteur: Pieter Endedijk

Bronnen

Konrad Ameln, ‘Die Cantio “In Dulci iubilo”. In memoriam Waldtraud Ingeborg Sauer-Geppert’, in: Jahrbuch für Liturgik und Hymnologie 29 (1985) 23-78. Beschikbaar: klik hier (geraadpleegd 19-12-2020).
Eliseus Bruning ofm, De Middelnederlandse liederen van het onlangs ontdekte handschrift van Tongeren (omstreeks 1480). Gent 1955, 13-16. Beschikbaar: klik hier (geraadpleegd 18-12-2020).
Florimond van Duyse, Het oude Nederlandsche lied. Deel 3. Den Haag/Antwerpen 1907, 1848-1851. Beschikbaar: klik hier  (geraadpleegd: 18-12-2020).
Arie Eikelboom, Hymnologie. Een geschiedenis van de strofische zang in de westerse christelijke kerk I. De ontwikkelingen tot aan de reformatie. Den Haag 2011, 198-202.
Martien J.G. de Jong, Kerstfeest in de Middeleeuwen. Leuven 2001, 173-174.
Hermann Kurzke, ‘In dulci jubilo’. In: Hansjakob Becker e.a. (red.), Geistliches Wunderhorn. Große deutsche Kirchenlieder. München 2001, 51-59.
J.J. Mak, Middeleeuwse kerstliederen. Utrecht/Brussel 1948, 43-45.
Karl Christian Thust, Die Lieder des Evangelische Gesangbuchs. Band I: Kirchenjahr und Gottesdienst (EG 1-269). Kommentar zur Entstehung. Tekst und Musik. Kassel etc. 2012, 59-62.
Alexander Völker, Liederkunde zum Evangelischen Gesangbuch, Heft 5. Göttingen 2002, 31-35.


Media

Video: King's College Cambridge (Engels/Latijnse tekst)