Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

472 - Hoor de herders, hoe ze Hem loven


Quem pastores laudavere / Nunc angelorum gloria / Den die Hirten lobeten sehre

Nikolaus Herman Matthaüs Ludecus
Willem Barnard
14e eeuw

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor deze website.

Liedboek 472, dat als nr. 33 reeds werd opgenomen in de proefbundel 102 Gezangen (1964) en als gezang 137 in het Liedboek voor de kekren (1973), ziet er wel heel anders uit dan het strofische lied van 7 coupletten Kommt und lasst uns Christum ehren van Paul Gerhardt (1607-1676), dat in het Evangelisches Gesangbuch voorkomt als nr. 39 en in de ‘Hervormde Bundel 1938’ (tot 4 strofen gereduceerd) was te vinden als gezang 22. Behalve de eerste regel en de zangwijs heeft de laatstgenoemde aflegger vrijwel niets meer gemeen met het aloude Quempas-gezang dat in de Duitse landen zo geliefd is geworden en nu ook ten onzent is geïntroduceerd.

Kortheidshalve zij hier vermeld, dat in dit Quempas (dat ook in zijn gehéél in het EG voorkomt, en wel als nr. 29) in ieder geval twee laatmiddeleeuwse volksliederen samengevloeid zijn; het eigenlijke Quem pastores laudavere (in het zestiende eeuwse Duits vertaald met Den die Hirten lobeten sehre, de eerste vier regels van iedere strofe, waarvan de wortels mogelijk tot in de negende eeuw reiken) en het Nunc angelorum gloria (Heut sein die lieben Engelein, waarvan de oudste noteringen teruggevonden zijn in twee handschriften uit het midden van de veertiende eeuw, respectievelijk afkomstig uit Steiermarken en Beieren; dit vertellende, balladeachtige gezang is in het Liedboek in telkens negen regels uitgeschreven, de regels 5 tot en met 13 dus van de strofe). Wanneer en waar precies die beide zijn samengevoegd, is niet meer met zekerheid vast te stellen; waarschijnlijk is het in Bohemen gebeurd, te oordelen naar een vroeg-vijftiende eeuws handschrift, waarin ze als eenheid voorkomen (het Nunc angelorum echter met drie, en niet – zoals gewoonlijk – met vier strofen), besloten met een acclamatie Huic sit memoria. Amen. Men kan over dat alles een bijkans tot monografie uitgegroeid artikel naslaan van de Duitse hymnoloog Konrad Ameln (1899-1994) in het Jahrbuch für Hymnologie und Liturgik (Kassel 1966, blz. 45-88). Zeker is, dat het afsluitende keervers Magnum nomen Domini Emanuel / quod annunciatum est per Gabriel (‘Groot is de naam van de Heer Immanuel, / door Gabriël aangekondigd’, nu de regels 14 en 15 van iedere strofe) voor het eerst in 1607 bij Praetorius opduikt; alleen dié twee regels wilde hij vermoedelijk door het hele volk gezongen hebben, terwijl hij de voordracht van het Nunc angelorum dan als cantorijtaak zag, – gearticuleerd door een knapenkoor, dat moest aanzwellen en in de vier hoeken van het kerkgebouw werd opgesteld, zodat van het Quem pastores de vier regels (als aanmoedigende stemmen van de herders, de engelen, de koningen, enzovoort) de gemeente van verschillende kanten in de oren klonken; in het onderstaande artikel over de melodie zijn die aanwijzingen woordelijk opgenomen. Overeenkomstige instructie is trouwens al te vinden in een Ordo cantionum van 1545 uit Dessau en in het in 1589 te Wittenberg uitgegeven Missale van Matthäus Ludecus, die de tekst in de volkstaal noteert. Waarschijnlijk is de Duitse vertaling van het Nunc angelorum al van Nikolaus Herman (1560). Men gebruikte in die overgangstijd ook voor volkszang vaak nog rustig Latijn en Duits door elkaar, zeker als het om zulke overoude en -bekende zaken ging als de kerstboodschap; Praetorius heeft overigens de regels Magnum nomen Domini enzovoort, naderhand vervangen door de koraalacclamatie Gottes Sohn ist Mensch geborn, / hat versöhnt des Vaters Zorn, die hij waarschijnlijk zelf heeft geschreven. Al met al een lange en op onderdelen nauwelijks te volgen historie, zoals dat het geval pleegt te zijn bij geliefde volksliederen, die 'overal' gezongen en dús gemodificeerd worden.

Wat de vertaling door Willem Barnard betreft: die beroept zich eerder op de Duitse tekst uit de zestiende eeuw (zoals reeds gezegd, van Herman en Ludecus) dan op het middeleeuwse Latijn, vooral in de aanhef van de vierde strofe; ze gaat overigens ook eigen wegen, met name in het derde verhalende tussenvoegsel, dat Herman weergaf als:

Darnach sangen die Engelein:
‘Gebt Gott allein
im Himmel Preis und Ehre.
Grosz Friede wird auf Erden sein,
des solln sich freun
die Menschen alle sehre
und ein Wohlgefallen han:
der Heiland ist gekommen,
hat euch zugut das Fleisch an sich genommen’,

wat dus (schriftuurlijker) geworden is:

Toen zong het hele hemelkoor
de hemel door;
aan God de Vader ere,
en vrede zal van nu voortaan
in Jezus’ naam
op aarde gaan regeren!
In de mensen, in zijn volk,
heeft God een welbehagen,
nu heeft het aangename uur geslagen.

Daarnaast zijn de regels van het afsluitende koraal (in de Duitse versie alle vier keren identiek) minder eenzijdig dogmatisch toegespitst en in een meer bijbels taaleigen geschreven; ten besluite van de strofen 1 tot en met 3 heeft Barnard voorgesteld:

Zoon van God, o Zoon van God, in vlees en bloed,
die de mens van nood en dood genezen doet,

terwijl hij ter afsluiting van het geheel schreef:

Davids Zoon, ja Davids Zoon, Gods vlees en bloed,
die de mens in nood en dood herleven doet.

De ‘melodie’ van het Quempas lijkt op het eerste gehoor een drieklankkwestie in majeur te zijn. Maar zij moet toch liever niet worden vergeleken met de achttiende of negentiende eeuwse zangwijzen, die wij kennen! De afstamming van wat men dan de pentatoniek noemt, de middeleeuwse vijftoonsreeksen, is evident. Met name het verhalende Nunc angelorum overschrijdt die ruimte ternauwernood, – wat voor het moderne gehoor betekent, dat de regels ‘bijna niet uit elkaar te houden zijn’. Maar het zijn dan ook eigenlijk geen regels, – er wordt zingenderwijs verteld, terwijl ziel én lichaam luisteren en dus meewiegen op de cadans. Alles moet hier samenwerken, dat wij het kerstgebeuren ‘beleven’.

Auteur: W.G. Overbosch


Melodie

Ontstaan en verspreiding

De Duitse uitdrukking ‘Quempas-Singen’ betekent het zingen van een aantal opeenvolgende liederen in de dienst op Kerstmis. Het woord ‘Quempas’ is een samenvoeging van de eerste twee lettergrepen van de hymne ‘Quem pastores laudavere’. De traditie van het ‘Quempas-Singen’ is in Duitsland al in de middeleeuwen bekend en tot in onze tijd populair. Het woord ‘Quempas’ is in het Duitse taalgebied ook synoniem voor kerstlied.
Als we uitgaan van de vorm waarin het lied ons nu bekend is, zijn twee aparte Latijnse hymnen op den duur met elkaar vermengd: ‘Quem pastores laudavere’ en ‘Nunc angelorum gloria’. De strofen van beide hymnen werden afwisselend gezongen, zowel met Latijnse als Duitse teksten.
De combinatie van deze hymnen kwam tot een hoogtepunt in het werk van Michael Praetorius (1571-1621) die deze in verschillende composities opnam (zie onder).
In de achttiende eeuw zien we in Duitsland de invloed van een veranderende smaak: het ternaire ritme wordt vervangen door een 4/4-maat en melodische wijzigingen worden aangebracht waardoor het oorspronkelijke karakter van het lied verloren ging.
Het lied krijgt een herleving in 1930 als bij uitgeverij Bärenreiter Das Quempas-Heft verschijnt, waarin het opnieuw is opgenomen met de tekst- en melodieversie zoals deze in de tijd van Praetorius bekend zijn. Deze uitgave heeft het lied een grote verspreiding gegeven: er werden meer dan drie miljoen exemplaren van Das Quempas-Heft gedrukt. De uitgave heeft vooral buiten de liturgie een belangrijke plaats gehad: in gezinsverband, zanggroepen en andere bijeenkomsten.

titelblad van de editie van het ‘Quempas-Heft’ uit 1948

Een kerstdienst in Duitsland is nauwelijks denkbaar zonder de ‘Quempas’, waarbij men ook vaak de aanwijzingen uit de vijftiende en zestiende eeuw opvolgt: van de eerste vier regels wordt elke regel door een jongenssopraan, jongenskoor of kinderkoor gezongen vanuit de vier hoeken van de kerk. Deze traditie is even sterk als die in Engeland waar met kerst in ‘A Festival of Lessons and Carols’ een jongenssopraan de openingsstrofe van ‘Once in royal David’s city’ zingt.
Met de opname van de ‘Quempas’ in het Evangelisches Kirchengesangbuch (1950, nr. 20) en zijn opvolger Evangelisches Gesangbuch (1993, nr. 29) kreeg het een officiële kerkelijke status.
Via het Evangelisches Kirchengesangbuch werd het lied ook in Nederland bekend. De vertaling van Willem Barnard kreeg eerst een plaats in de proefbundel 102 gezangen (1964, nr. 33), vervolgens in het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 137) en nu in het Liedboek (2013).

Twee hymnen tot één geheel gecombineerd

Het eerste deel, ‘Quem pastores laudavere’ is een vierregelige hymne en komt als zelfstandige vorm in de vertaling van Jan Willem Schulte Nordholt in ons Liedboek voor als nr. 468. De melodie is in oorsprong veertiende-eeuws. Het lied verschijnt voor het eerst in druk in Ein Schlesisch singebüchlein, Breslau 1555, van Valentin Triller (±1493-±1573). Klik hier voor een bespreking van het lied door Anton Vernooij. De Duitse vertaling is van Matthäus Ludecus (1517-1606) en verscheen in zijn Missale, Wittenberg 1539. Daarin zien we een afwisseling van de Latijnse en Duitse tekst. Ook staat daar aangegeven dat elke regel door een andere sopraanstem wordt gezongen:

De afwisseling van Latijnse en Duitse strofen bij dit lied is tot in de zeventiende eeuw gebruikelijk geweest, zoals we in de uitgaven van Michael Praetorius kunnen zien (zie hieronder bij ‘Bronnen’).

De hymne ‘Nunc angelorum gloria’ is al in het midden van de veertiende eeuw gevonden in handschriften in Steiermark en Beieren. Ook deze melodie zal in oorsprong ouder zijn. Tevens komt de hymne voor in handschriften in Bohemen, steeds met drie strofen. Eén Boheems handschrift, het Jistebnický kancionál uit ±1420, kent vier strofen.
Het is onbekend hoe het lied naar Bohemen kwam.
Deze hymne – dus de regels 5 tot en met 13 – verwoordt het feitelijke kerstverhaal uit Lucas 2,8-16:

  • strofe 1: Lucas 2,8-10
  • strofe 2: Lucas 2,11-12
  • strofe 3: Lucas 2,13-14
  • strofe 4: Lucas 2,15-16

De eerste gedrukte uitgave met Latijnse tekst is Geistliche Lieder, Wittenberg 1543, ook wel het Klugsche Gesangbuch genoemd. Het lied komt daar wel in een kortere vorm dan wij nu kennen: alleen de eerste en laatste drie regels. Nadat Valentin Triller al een Duitse vertaling had gemaakt, volgde er ook een van de hand van Nikolaus Herman (1500-1561). Deze tekst verscheen in zijn Sontags Euangelia vber das gantze Jahr, Wittenberg 1560. Blijkbaar wilde Herman een kinderlied schrijven. De vele verkleiningsvormen in de tekst verklaren dat: ‘Engelein’, ‘Schäfelein’, ‘Krippelein’, ‘Tüchelein’. Door deze opzet is er beeldrijke taal ontstaan en werd deze vertaling geliefd. Geen wonder dat het lied in de meeste lutherse gezangboeken werd opgenomen. In diverse bronnen komen beide hymnen naast elkaar voor en werden zo tijdens het ‘Quempas-Singen’ na elkaar gezongen, vaak in combinatie met andere kerstliederen, zoals ‘In dulci jubilo’ (zie Liedboek 471) en ‘Lobt Gott, ihr Christen alle gleich’ (zie Liedboek 474).
De eerste bron waarin de beide hymnen na elkaar zijn afgedrukt is een handschrift uit het Stift Hohenfurt (±1450):
Linksboven het begin van het eerste deel ‘Quem pastores laudavere’; linksonder begint het tweede deel ‘Nunc angelorum gloria’. Dit deel wordt besloten met het refrein ‘Huic sit memoria Amen’ (rechtsonder). Ook andere Latijnse teksten komen als refrein in handschriften voor.
Men gaat er ook vanuit uit dat Nikolaus Herman, die cantor was in St. Joachimsthal, het lied alternerend liet zingen en vanuit deze praktijk is de verbinding tussen beide hymnen verbreid.

In de ontwikkeling van de zangpraktijk van dit ‘Quem pastores laudavere’ / ‘Den die Hirten lobeten sehre’ is de componist Michael Praetorius een centrale figuur. Zijn negendelige Musae Sioniae (1605-1610) is een groots opgezette verzameling liedbewerkingen, vaak in meerkorige zettingen. In het vijfde deel (1607) is de combinatie van de beide hymnen voor het eerst in druk verschenen, waarbij de strofen uit beide liederen afwisselend worden gezongen. Praetorius maakte verschillende zettingen met een combinatie van Latijnse en Duitse teksten.
In zijn uitgave Puericinium (1621) is een driekorige zetting opgenomen met teksten in beide talen. Een geluidsweergave van deze zetting is op deze site te beluisteren (zie onder bij Media waar ook een toelichting bij deze opname is te lezen).
Tot in de achttiende eeuw werden Latijnse en Duitse teksten naast elkaar gezongen. In veel steden met Latijnse scholen werd een eigen ‘Quempas-Heft’ samengesteld.

Michael Praetorius koos als tekst voor het slotrefrein de woorden ‘Magnum nomen Domini Emanuel / quod annunciatum est Gabriel’ (‘Groot is de naam van de Heer Immanuel, / door Gabriël aangekondigd’). Hij ontleende deze regels aan het hem bekende veertiende eeuwse kerstlied ‘Resonet in laudibus’:

‘Resonet in laudibus’ in ‘Piae Cantiones’ (1582)

De Duitse tekst ‘Gottes Sohn ist Mensch geborn, / hat versöhnt des Vaters Zorn’, waarin Romeinen 5,10-11 herkenbaar is, is ook zo goed als zeker van zijn hand en wordt daarna algemeen gebruikt. Opvallend is dat Praetorius in de eerste zetting van ‘Quem pastores’ in Musae Sioniae V (nr. 88) als refrein naast de Duitse tekst ook de Latijnse woorden plaatst van de strofen 2, 3 en 4 van ‘Resonet in laudibus’: ‘Christus natus hodie… / ‘Pueri concinite… / Sion lauda Dominum…’.

Toepassing in de liturgie

In de meeste gezangboeken is het lied opgenomen zonder nadere aanduiding op welk moment in de liturgie het gezongen wordt. Toch geven enkele bronnen wel informatie over het liturgisch gebruik.
Het oudste bericht over de toepassing van het ‘Quem pastores’ in de liturgie is te vinden in Ordo cantionum ecclesiastiocarum (Dessau 1545). Het wordt gezongen in de mis op eerste kerstdag, direct na de metten. Na de introïus (Psalm 2,7) en het ‘Kyrie fons bonitatis’ volgde het Gloria waarbij de delen werden afgewisseld met strofen van ‘Vom Himmel hoch da komm ich her’ (zie Liedboek 469) en ‘Quem pastores laudavere’, in het Latijn en Duits gezongen, verdeeld over vier koren.
Matthäus Ludecus beschrijft in zijn Missale (Wittenberg 1589) de metten van 4 uur ’s morgens op eerste kerstdag. Daarbij heeft deze getijdendienst meer het karakter van een hoofddienst. Na het Gloria volgen ‘In dulci jubilo’, ‘Resonet in laudibus’, een orgelwerk en ‘Quem pastores laudavere’ met tussen de strofen ‘Nunc angelorum’.
Ook zijn er andere kronieken waarin de ‘Christvesper’ en de ‘Christmette’ worden beschreven met de ‘Quempas’ op een centraal moment. Nog steeds wordt in Duitsland de kerstmorgendienst aangeduid met ‘Christmette’.
Het Mainzer Cantual (1605) vermeldt uitgebreid de uitvoeringswijze van de ‘Quempas’. Praetorius zal deze uitgave zeker gekend hebben omdat hij de aanwijzingen overneemt, aangevuld met opmerkingen over de instrumentale bezetting. Hoewel zowel het Mainzer Cantual als Praetorius drie manieren van uitvoering beschrijven, gaat de voorkeur van Praetorius duidelijk uit naar de vorm waarbij de vier regels van het eerste deel elk door één, twee of drie ‘Discantisten’ worden gezongen, eerst in het Latijn, dan in het Duits. Dan antwoordt het gehele vocale en instrumentale koor met ‘Nunc angelorum’ in het Latijn en in het Duits. Over de rol van de gemeente schrijft Praetorius niet. Omdat hij verschillende uitvoeringswijzen beschrijft, kan men van mogelijkheden ter plaatse uitgaan.

Melodische kenmerken

Evident is dat er grote overeenkomsten zijn met melodieën van andere kerstliederen, zoals ‘In dulci jubilo’ en ‘Resonet in laudibus’. Naast de melodische overeenkomsten zijn ook andere kenmerken van het middeleeuwse volkslied zichtbaar: de vele motiefherhalingen en in veel regels een ambitus van een sext. De melodie is, hoewel niet pentatonisch, wel op de pentatoniek georiënteerd.
Middeleeuwse handschriften geven aan dat de melodieën van beide delen vanouds in een ternair ritme werden gezongen. Ook is opvallend dat er tot de achttiende eeuw weinig melodische afwijkingen voorkomen.
Van Michael Praetorius (Musae Sioniae V, 1607) is de melodische verandering aan het slot van regel 4. Zoals ook Liedboek 468 aangeeft, eindigt de melodie daar op de grondtoon. Ook de Duitse gezangboeken kennen deze afsluiting van de vierde regel, het slot van het eerste deel, de oorspronkelijke hymne ‘Quempas pastiores laudavere’:
Het Liedboek volgt Praetorius:

Auteur: Pieter Endedijk

Bronnen

Konrad Ameln, ‘Quem Pastores Laudavere’. Jahrbuch für Liturgik und Hymnologie, vol. 11, 1966, 45–88. Digitaal beschikbaar: klik hier (geraadpleegd 23-02-2019).
Friedrich Blume (red.), Gesamtausgabe der musikalischen Werke von Michael Praetorius, Band V, Wolfenbüttel/Berlijn 1937, Musae Sioniae V (1607). Digitaal beschikbaar: klik hier (geraadpleegd 23-02-2019).
idem, Band XIX, Wolfenbüttel/Berlijn 1938, Puericinium (1621). Digitaal beschikbaar: klik hier (geraadpleegd 23-02-2019).
Dietrich Schuberth, ‘Den die Hirten lobeten sehre’. In: Gerhard Hahn en Jürgen Henkys (red.), Liederkunde zum Evangelischen Gesangbuch, Heft 11. Göttingen 2005, 12-16.
Karl Christian Thust, Die Lieder des Evangelischen Gesangbuchs. Kommentar zur Entstehung, Text und Musik. Band 1: Kirchenjahr und Gottesdienst (EG 1-269). Kassel, etc. 2012, blz. 50-52.


Media

Uitvoerenden: Gabrieli Consort & Players o.l.v. Paul McCreesh

In deze opname is de zetting te horen van Michael Praetorius (1571-1621) uit Puericinium (1621).
Van elke strofe wordt het eerste deel (de eerste vier regels) in het Latijn gezongen, vervolgens in het Duits; de volgende regels in het Duits. In de partituur wordt van dit deel ook de tekst in het Latijn weergegeven.
Praetorius schrijft als toelichting:
So können die Knaben den Lateinischen Text (Quem Pastores) und daruff so bald den Teutschen (den die Hirten) auch singen: und dann allererst in Pleno Choro, das Teutsche (Heut seind die lieben Engelein): oder das Lateinische/ Nunc angelorum gloria. Daselbsten man dann/weil der Text nicht doppelt ist/ die repetition außen lassen kann/ darmitt es nicht zu lang werde.

Van het lied worden in deze opname de strofen 1, 2 en 4 gezongen:

1 Quem pastores laudavere...
   Den die Hirten lobeten sehre...
   Gottes Sohn ist Mensch-geborn...

2 Ad quem Magi ambulant...
   Zu dem die Weisen kamen geritten...
   Gottes Sohn ist Mensch-geborn...

4 Christo Regi Deo nato...
   Lobet alle Menschen gleiche...
   Gottes Sohn ist Mensch-geborn...