Introïtusantifoon


Auteur: Pieter Endedijk

De introïtus – achtergrond

De introïtus is in de klassieke liturgie het eerste gezang. De introïtus begeleidt een liturgische handeling: het wordt gezongen tijdens het binnentreden van de priester en zijn assistenten. Daarom wordt de introïtus ook wel intredezang of intochtslied genoemd.

Het intredelied kent een tweevoudige functie. Naast het accent op het ‘opgaan naar het huis van de Heer’ zien we in de keuze van de introïtustekst vooral dat het eigene van de zon-­‐ of feestdag gestalte krijgt. Die intrede wordt dan meestal in figuurlijke zin verstaan: de gemeente gaat zingend op naar  het huis van de Heer. Soms zien we in de protestantse erediensten van onze tijd dat tijdens dit  gezang er een binnenkomst van de voorganger en andere ambtsdragers of van de gehele gemeente is.

Als op deze plaats in de liturgie een psalm wordt gezongen, komt men daarbij nog wel eens de term ‘psalm van de zondag’ tegen. Dat is een enigszins misleidende term, want het is vaak niet deze psalm die de betreffende dag kleur geeft, maar de bijbehorende antifoon. En die antifoon komt vaak – dat wil zeggen in de liturgische tijden waarin de keuze van de lezingen sterk bepaald wordt door het ‘tijdeigene’, de ‘liturgisch sterke tijden’ – niet uit de betreffende psalm, maar uit een ander bijbelboek. Zo begint de indrukwekkende gregoriaanse introïtus voor Epifanie met de woorden Ecce advenit dominator Dominus… Deze woorden zijn niet afkomstig uit de introïtuspsalm (72), maar vormen een combinatie van Maleachi 3,1 en 1 Kronieken 29,12: ‘Zie, nu komt de Heer en in zijn hand is het rijk en de kracht en de heerlijkheid.’

Sinds de achtste eeuw kent de kerk voor de introïtus de volgende vorm: antifoon – enkele psalmverzen of een enkel psalmvers – Gloria Patri – antifoon. Daarbij werd oorspronkelijk de antifoon door allen gezongen en de psalmverzen door het koor.
De Latijnse beginwoorden van de antifonen vinden we nog terug in de klassieke namen van diverse zondagen, zoals Gaudete, Laetare, Cantate. De Latijnse namen van de zondagen zijn in het Dienstboek van de Protestantse Kerk in Nederland aangegeven bij de gegevens volgens het Evangelisch-­‐Lutherse traditie en in het Liedboek bij de tekstverwijzing onder de antifoon.

De antifoon kan gezien worden als een kernvers, letterlijk gezichtsbepalend, de kern voor de betreffende dag. Hij werkte voor de kerkganger als een ‘herkenningstune’. Daarbij gaat het niet alleen om de woordkeus, ook de melodie van de gregoriaanse antifoon is vaak veel betekenend. Zo gaat nog steeds menig rooms-­‐katholiek hart sneller kloppen bij het horen van de antifoon voor de vierde zondag van de advent: Rorate coeli... Met die woorden ís het de vierde adventszondag.

De teksten van de klassieke antifonen zijn gebaseerd op de Latijnse bijbelvertaling, de Vulgata. Dat verklaart ook de keuze van sommige antifoonteksten. Zo begint de antifoon voor paasmorgen met  de woorden Resurrexi, et adhuc tecum sum... (‘Ik ben verrezen en nog bij U...’). De Hebreeuwse tekst spreekt echter over ‘ontwaken’.
De antifoon was oorspronkelijk bestemd om door allen gezongen te worden. De gregoriaanse gezangen werden echter steeds ingewikkelder en zo werd de zang in de liturgie uitsluitend een aandeel van het koor (de schola).

Onder invloed van de Liturgische Beweging in Nederland in de twintigste eeuw werd gepoogd om de oorspronkelijke structuur van de introïtus vorm te geven in combinatie met strofen uit de Geneefse psalm. Zodoende werden er voor koor of cantorij antifonen geschreven, vaak meerstemmig, soms gebaseerd op de Geneefse melodie. Maar altijd ontstond zo een omgekeerde rolverdeling ten opzichte van de klassieke Latijnse liturgie: de antifoon door het koor en de psalmverzen door de gemeente.

De introïtusantifoon in het Liedboek

De redactie van het Liedboek wil ruimte bieden aan een veelkleurige en veelvormige liturgische praktijk. Daarbij behoort ook de mogelijkheid om de introïtus in zijn oorspronkelijke vorm te kunnen zingen met antifoon en psalm, waarbij de gemeente beide voor zijn rekening kan nemen.

Er werd een aantal kenmerken opgesteld waar de antifonen aan moesten voldoen:

  1. de antifonen zijn melodisch zo geschreven dat deze door een gemeente zijn te zingen;
  2. de antifonen zijn niet gebaseerd op melodische motieven uit de Geneefse psalmen, maar de keuze van de toonsoort is zodanig dat de antifoon wel te combineren is met de Geneefse psalm;
  3. tekst en melodie zijn zo geschreven dat de antifoon zelfstandig als ‘kernvers’ bruikbaar is. Wat de tekst betreft werd besloten om aan te sluiten bij het taalveld van De Nieuwe Bijbelvertaling. Wel moest het Latijnse aanvangswoord dat de zondag de naam geeft, zoveel mogelijk herkenbaar blijven. Tevens werd het noodzakelijk geacht dat de teksten beknopt zouden zijn: één zin.

Nader onderzoek wees uit dat er geen bestaande antifonen waren die aan deze kenmerken voldeden.
Daarom werden er nieuwe antifoonteksten samengesteld voor alle zon-­‐ en feestdagen van de kerst-­‐ en paaskring. Voor de ‘groene’ tijden, de epifaniën-­‐, zomer-­‐ en herfsttijd, werd steeds voor ongeveer vier zondagen een antifoontekst geschreven. Deze praktijk ontleende de redactie aan het Oud-­Katholiek Kerkboek. Zo ontstonden 39 nieuwe antifoonteksten. De teksten voor de paastijd openen en sluiten steeds met het woord ‘Halleluja’.

In opdracht van de redactie werden de meeste teksten getoonzet door twee componisten: Jaco van Leeuwen en Leonard Sanderman. De melodie van één antifoon werd geschreven door Christiaan Winter.
Onder elke antifoon wordt aangegeven: de bijbeltekst waaraan de antifoon is ontleend; de Latijnse naam van de betreffende zon-­‐ of feestdag; de naam van de componist; de Geneefse psalmmelodie waarmee de antifoon gecombineerd kan worden.

Plaatsing van de antifonen in het Liedboek

Aangezien de teksten van de antifonen maar ten dele ontleend zijn aan de psalmen, konden de antifonen niet ondergebracht worden in de rubriek ‘Psalmen’. Plaatsing in de betreffende deel van de rubriek ‘Getijden van het jaar’ was dan ook vanzelfsprekender.

Als de antifoon wordt gecombineerd met de Geneefse psalm, moet de zanger snel door het Liedboek bladeren. Het gebruik van de (twee) lintjes is dan ook noodzakelijk. Deze praktijk vraagt gewenning!

Toepassing van de introïtusantifoon in de liturgie

De bovengenoemde drie kenmerken van de antifoon reiken ook de toepassingsmogelijkheden aan:
a. als opening en afsluiting van de intröitus;
b. als een zelfstandig ‘kernvers’.

Bij a: als opening en afsluiting van de intröitus

Als voorbeeld de introïtus voor de vierde zondag van de advent. De daarvoor geschreven antifoon is Liedboek 432d. De tekst is ontleend aan Jesaja 45,8. De melodie is van Jaco van Leeuwen:

De daarbij behorende Geneefse psalm is Liedboek 19. Het Dienstboek van de PKN geeft daarvan de strofen 1 en 2 aan.

Aangezien een antifoon maar eenmaal per jaar wordt gebruikt, is het denkbaar dat deze eerst door de cantor of het koor wordt gezongen en vervolgens door de gehele gemeente.

Dan ontstaat deze volgorde:
antifoon:    (voorzang-)allen:   Liedboek 432d
psalm:        allen:                      Liedboek 19: 1, 2
antifoon:    allen:                      Liedboek 432d

Deze onderdelen worden zonder onderbreking of intonaties na elkaar gezongen. De Geneefse psalm wordt dus niet ingeleid met een voorspel.

De antifonen voor de ‘groene’ tijden worden aangegeven voor drie tot vijf zondagen. Het is niet noodzakelijk om dan circa vier keer achter elkaar dezelfde antifoon en psalmverzen te zingen. Men kan de strofen van de psalm over een aantal zondagen verdelen. Aangezien de antifoon en psalm in deze tijden minder ‘kleurbepalend’ is voor de zondag dan in de overige tijden van het jaar is het ook goed mogelijk om het zingen van een introïtuspsalm af te wisselen met een intredelied, bijvoorbeeld een morgenlied (204-­‐224), een aanvangslied (272-­‐289) of een lied bij de tijd van het jaar of het eigene van de betreffende dienst. Zie ook het register op liturgisch gebruik: blz. 1605-­‐1608.

bij b: als een zelfstandig ‘kernvers

De introïtusantifoon kan ook gebruikt worden zonder de bijbehorende Geneefse psalm. We spreken dan van een ‘kernvers’. Een kernvers is een korte tekst, meestal één zin uit de Bijbel of de liturgische traditie, die op muziek is gezet en op verschillende momenten in de liturgie kan worden toegepast, bijvoorbeeld:

  1. als refrein bij een gereciteerde of gelezen onberijmde psalm;
  2. als acclamatie bij een gesproken tekst (afhankelijk van de tekst van het kernvers);
  3. als zelfstandig onderdeel in een gebedsdienst, bijvoorbeeld als openingsvers.

Bij 3: bij Liedboek 190 vindt men verschillende vormen voor getijdendiensten. De orde voor een getijdengebed voor groepen die een of meer dagen bijeen zijn (Liedboek 190b) en de opening of afsluiting van een bijeenkomst in kerk of huis (Liedboek 190d) kent het ‘kernvers of een andere korte zangvorm’ als onderdeel.

Zie ook de overzichtsartikelen 'Getijden' en 'Kernvers'.